Non-fictie: Inger Leenmans filosofische pornografen

Geile wijsgeren

In haar proefschrift stelt Inger Leemans dat rond 1700 in Nederland filosofie en pornografie elkaar overlapten. Net als in Engeland en Frankrijk doken nieuwerwetse filosofische inzichten op in pornografische romans.

Of de hedendaagse conservatieven het nu leuk vinden of niet, in de tweede helft van de twintigste eeuw hebben zich in de westerse wereld culturele en maatschappelijke ontwikkelingen voorgedaan die niet alleen zeer ingrijpend maar ook onomkeerbaar zijn geweest. De relaties tussen ouders en kinderen, mannen en vrouwen, burgers en autoriteiten zijn zo gewijzigd dat iemand die in 1955 is overleden bij een eventuele wonderbaarlijke terugkeer op aarde zich in een volstrekt andere wereld zou wanen. Denkbeelden over religie, levensbeschouwing, maatschappij, seks, genot, vrijheid et cetera, die vijftig jaar geleden nog slechts in kleine kring leefden, zijn nu gemeengoed geworden. Voor de tijdgenoot die dit veranderingsproces heeft meegemaakt, lijkt het allemaal toch vrij geleidelijk te zijn gegaan, maar een historicus die bijvoorbeeld over vijftig jaar een cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw schrijft, zal vermoedelijk verbaasd zijn over de enorme snelheid en het fundamentele karakter van die ontwikkelingen.

Maar op welk materiaal zou zo’n historicus zich baseren? Als hij zich zou beperken tot de boeken van maatschappij theoretici als Riesman, Galbraith, Lasch, Foucault, Marcuse en de Frankfurter Schule, dan kan hij vermoedelijk wel de grote lijnen aangeven waarlangs allerlei veranderingen zich voltrokken, maar een levend beeld van die tweede helft van de twintigste eeuw heeft hij daarmee natuurlijk niet geschetst. Als hij enigszins greep wil krijgen op wat Huizinga «’s levens felheid» noemde, dan moet hij zich toch verdiepen in de populaire cultuur. Om erachter te komen wat de mensen bezighield, welke emoties een rol speelden, hoe ze reageerden op de veranderende wereld om hen heen, zal onze historicus veel films en tv-programma’s moeten bekijken, tijdschriften doorworstelen, en vooral veel popmuziek moeten beluisteren.

Bovenstaande lijkt natuurlijk een enorme open deur, en er wordt al geruime tijd op een dergelijke wijze naar het recente verleden gekeken. Toch is het wat verder achter ons liggende verleden lang wel voornamelijk bestudeerd aan de hand van de belangrijke geschriften. Zo is de veel belangrijkere culturele revolutie van de Verlichting lange tijd bestudeerd aan de hand van een literaire en filosofische canon, waar door niet echt duidelijk werd hoe bepaalde denkbeelden nu eigenlijk konden doorwerken en algemeen geaccepteerd raakten. Dat bijvoorbeeld de Verlichting en de Franse Revolutie iets met elkaar te maken hadden, was evident, maar hoeveel mensen lazen in de achttiende eeuw nu eigenlijk Voltaire, Diderot of Rousseau? Hoeveel sansculottes hadden thuis de Encyclopédie in de kast staan?

In The Forbidden Bestsellers of Pre-revolutionary France (1996) heeft Robert Darnton daarom onderzoek gedaan naar de geschriften die in enorme aantallen «onder de toonbank» werden verkocht, en waarin op simpele, vaak banale wijze allerlei ideeën uit de Verlichting aan de man werden gebracht. Via talloze godslasterlijke pamfletten, schelmenromans en pornografische geschriften werden rationalistische en materialistische opvattingen gepopulariseerd. Zo werd de cartesiaanse dichotomie tussen geest en materie zeer aanschouwelijk gemaakt in de pornografische roman Thérèse philosophe, waarin een jezuïet een dienstmeisje leert dat het orgasme een goddelijke ervaring is, die niets met haar lichaam van doen heeft en waardoor ze ook niet bezoedeld kan worden. De beeldende wijze waarop de priester zijn «koord van Sint-Franciscus» bij dit godsdienstig onderricht hanteert, zal er de oorzaak van zijn geweest dat deze boodschap ook overkwam bij mensen die niet door Discours sur la méthode of La Mettrie’s L’homme machine heen kwamen.

Dat de denkbeelden uit de Verlichting zich ook in Nederland verspreidden door middel van vele populaire boeken en pamfletten blijkt heel duidelijk uit de recente essaybundel van de Nijmeegse hoogleraar oude letterkunde André Hanou, waarin veel aandacht wordt besteed aan toneelstukken, imaginaire reisverhalen, kunstenaarsbiografieën en dergelijke. De Nederlandse literatuur uit de achttiende eeuw is lang verwaarloosd, omdat zich in Nederland nu eenmaal geen auteurs van het formaat van Voltaire, Sterne of Goethe hebben gemanifesteerd. Hanou laat echter zien dat diezelfde literatuur als bron van kennis omtrent Nederland tijdens de Verlichting wel belangrijk kan zijn.

Niettemin blijft de Verlichting in de essays van Hanou wel zeer sterk een importartikel, iets dat op dikwijls nogal onbeholpen wijze vanuit het Frans in het Nederlands werd vertaald. De laatste tijd echter wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de rol die Nederland heeft gespeeld in de Verlichting. Zo verscheen vorig jaar het vuistdikke boek van Jonathan Israel over de Radical Enlightenment, die zich vanaf ongeveer 1670 zou hebben gemanifesteerd en waarvan de Republiek der Nederlanden het epicentrum zou hebben gevormd. Op het omslag van dit briljante boek zijn de portretjes afgedrukt van Ehrenfriend von Tschirnhaus, Gottfried Wilhelm Leibniz, René Descartes, Isaac Newton, Denis Diderot en John Locke. Maar boven hen uit staren de ogen van Spinoza ons indringend aan.

Het was immers Spinoza die, door een rücksichtslose toepassing van Descartes’ mechanistische redeneertrant, al veel langer bestaande naturalistische en materialistische opvattingen tot een coherent systeem wist te smeden, waarmee de aanval op de geopenbaarde religie en allerlei andere traditionele ideeën kon worden geopend. Lange tijd werd Spinoza gezien als een eenzame, grotendeels onbegrepen voorloper, wiens invloed pas een eeuw na zijn dood merkbaar was. Men ging er blijkbaar van uit dat de ongekend felle campagne die kerkelijke en wereldlijke autoriteiten tegen het spinozisme hadden ontketend, lange tijd succesvol was geweest. Israel toont echter overtuigend aan dat de radicale ideeën van Spinoza zich razendsnel verbreidden onder de intellectuele elite en in gepopulariseerde vorm konden doorsijpelen in de denkwereld van minder hoog opgeleide mensen.

Het onlangs verschenen proefschrift van Inger Leemans, Het woord is aan de onderkant, vormt een prachtige illustratie van en aanvulling op Israels these. Leemans heeft namelijk onderzoek gedaan naar een tiental Nederlandse pornografische romans, die zijn verschenen tussen 1670 en 1700. Na eerst te hebben onderzocht in welke mate deze pornografie oorspronkelijk was, welke plaats ze innam in de Europese literatuur en pornografie, hoe er in de Republiek op werd gereageerd en wie deze werkjes schreven, uitgaven en lazen, analyseerde Leemans in hoeverre ideeën uit de Radicale Verlichting doorwerkten in deze ogenschijnlijk banale en stompzinnige boekjes.

Voor de hedendaagse lezer vormen D’openhertige juffrouw, ’T Amsterdamsch hoerdom, De reukeloose pachters of De doorluchtige daden van Jan Stront geen bijzonder zinnenprikkelende lectuur. Evenmin lijken deze boeken iets te maken te hebben met de intellectuele aardverschuiving die door Descartes, Spinoza en achttiende-eeuwse Verlichtingsdenkers werd veroorzaakt. Evenals de verboden Franse romans die Darnton heeft geanalyseerd, blijken de Nederlandse pornoboeken wel degelijk doorspekt van hoogst moderne en subversieve gedachten.

Om te beginnen is daar de vaak antireligieuze strekking van de romans. Dat de boeken vaak uitgesproken antipapistisch zijn, en dat de misstanden in de katholieke kerk aanleiding geven tot sappige en scabreuze verhalen zal natuurlijk niet verbazen in een land dat deels is ontstaan uit verzet tegen de roomse hegemonie. Maar de godsdienst wordt ook aangevallen als levenshouding, als politiek systeem, als verklaringsmodel en als leidraad voor het zedelijk leven. Het feit dat alle kerken de neiging hebben de seksualiteit te onderdrukken, wordt als zeer funest ervaren. Als al die theologen er een gezond seksleven op zouden nahouden, dan zouden ze de tijd en energie niet hebben om zich onledig te houden met al die schriftgeleerde haarkloverijen, en zouden er minder kerkscheuringen zijn. Deze constatering lijkt de zeventiende-eeuwse voorloper van het provomotto: «Een tevreden roker is geen onruststoker».

Dat het filosofisch materialisme en pornografie hand in hand gingen, zoals ook bleek uit Thérèse philosophe, werd door tegenstanders al snel gezien. Zo concludeerde een bestrijder van Descartes al in 1656 dat in diens visie op de materie ook de menselijke geslachtsdrift autonoom en oncontroleerbaar zou zijn. Uit Descartes’ theorie zou immers volgen dat «de begeerlijckheyt des vleesches (…) ende de bewegingen, die den mensch tot dronckenschap, geylheyt, toorn en diergelijcke de fauten verlocken» niets anders zijn «uyrwercks-bewegingen». Descartes had nog wel een achterdeurtje naar een persoonlijke god opengehouden, door onderscheid te maken tussen God en de natuur, maar Spinoza had deze nooduitgang dichtgetimmerd. Volgens hem was er slechts één substantie, waardoor God en natuur identiek waren.

Op basis van deze gedachte kwam de Zeeuwse filoloog Hadrianus van Beverland, door sommigen «l’homme le plus libertin de son siècle» genoemd, tot een soort «erotisch pantheïsme». In de natuur was volgens hem namelijk één allesoverheersende kracht aan te wijzen, en dat was de eros. Wat volgens Spinoza nog een van de menselijke «aandoeningen» was, werd bij Beverland de overheersende drift, die sterker was dan de rede. In de pornografische romans die Leemans heeft bestudeerd, speelt dit erotisch pan theïsme een belangrijke rol, al is het niet duidelijk of de auteurs direct door Beverland zijn beïnvloed.

Ook in Engeland en Frankrijk doken nieuwerwetse filosofische inzichten op in pornografische romans. Volgens Leemans is er echter een opvallend verschil met de Nederlandse porno. In John Clelands Fanny Hill of in het werk van De Sade wordt seks op een volstrekt mechanistische wijze beschreven, alsof het gaat om de bewegingswetten waaraan atomen onderhevig zijn. Het is puur de aantrekkingskracht tussen deeltjes in een zielloos atomair universum. In de Nederlands pornografische romans is echter geen sprake van «zielloze materie», maar eerder van «bezield» vlees. Het voelen gaat vooraf aan het spreken en zelfs aan het denken. In plaats van het cartesiaanse cogito ergo sum geldt hier het senseo ergo sum — ik voel dus ik besta. En de meest gevoelige onderdelen van de mens zijn nu eenmaal de geslachtsdelen, die dus de dienst uitmaken. In De doorluchtige daden van Jan Stront worden deze dan ook voorgesteld als zelfstandige organismen, kleine mensjes die emoties kennen en hun eigen gang gaan. Hoezeer het gevoel hier de scepter zwaait over de ratio blijkt bijvoorbeeld uit de aanduiding voor het vrouwelijk geslachts orgaan: «redeloosje».

Een ander verschil met vooral de Franse pornografie uit de achttiende eeuw is dat de Nederlandse porno veel minder elitair is en een duidelijk emancipatoir karakter heeft. De boeken van De Sade en andere Franse libertijnen spelen zich altijd af in adellijke kringen en bovendien hebben vrouwen daarin een ondergeschikte rol. In de Nederlandse romans krijgen vrouwen veel meer de ruimte om hun lusten te bevredigen. In de hoerenautobiografie D’openhertige juffrouw heeft de hoofdpersoon de touwtjes in handen en gaat zij ervan uit dat mannen en vrouwen in gelijke mate onderhevig zijn aan seksuele lusten. Ook gaat zij tekeer tegen de dubbele moraal en de mannelijke obsessie met maagden. De hoer heeft een eerzaam beroep en geld en seks zijn geen onverenigbare zaken. De «juffer» maakt een kosten-batenanalyse van elke verhouding die zij aangaat, en een goede verhouding is die waarin de seksuele bevrediging en het geldelijk gewin maximaal zijn. Dit is helemaal niet schandalig, omdat het in het huwelijk niet anders geregeld is. Ook de getrouwde vrouw laat zich immers betalen voor haar seksuele diensten. Als haar man geldelijk teleurstelt, zal zij hem de seks onthouden; speelt hij in bed niets klaar, dan pleegt zij overspel.

Een telkens terugkerende opvatting in de pornografische romans is dat de theologen en andere schrijvers eens moeten ophouden de wereld mooier voor te stellen dan zij is, en de mensen met onhaalbare idealen op te zadelen. De mens is zwak en wordt door hartstochten geregeerd. Het toegeven aan die passies hoeft niet per definitie slecht te zijn, en kan de samenleving als geheel ten goede komen. Via deze genotsmoraal komen we vrijwel automatisch bij Bernard Mandeville terecht en diens «private vices, public benefits». Volgens Leemans is er nooit voldoende aandacht besteed aan de Nederlandse bronnen van Mandevilles opvattingen, en ze laat zien dat het onwaarschijnlijk is dat hij niet tenminste enkele van de pornografische romans gelezen heeft.

In de Republiek waren volgens Leemans rond 1700 pornografie en filosofie gebieden die elkaar overlapten. Via materialistische en naturalistische theorieën kwamen filosofen tot de ontdekking van het libido, terwijl pornografen filosofische, politieke en sociologische ideeën in hun teksten verwerkten. Zo konden inzichten van een handjevol geleerden worden verspreid in een veel bredere kring dan die van Latijn lezende, welgestelde mannen. Zo belandden theorieën uit de studeerkamer op straat, in de kroeg, en in bed.

Inger Leemans

Het woord is aan de onderkant: Radicale ideeën in Nederlandse pornografische romans 1670-1700

Uitg. Vantilt, 411 blz., € 25,-

André Hanou

Nederlandse literatuur van de Verlichting (1670-1830)

Uitg. Vantilt, 287 blz., € 22,50

_____________________________

Eddy Put & Craig Harline

Verloren schapen, schurftige herders

Sinds 1559 stond de aartsbisschop van Mechelen aan het hoofd van de zeventien bisdommen in de Nederlanden. Een topfunctie dus, waarvoor alleen geestelijken van adellijke afkomst in aanmerking kwamen. Maar tijdens de Reformatie en de godsdienstoorlogen holde de status van het aartsbisdom achteruit. In 1572 en 1580 werd Mechelen dagenlang geplunderd, waarbij duizenden inwoners de dood vonden en vele anderen vluchtten. Daarna lag de verarmde en grotendeels leeggelopen stad in de frontlinie. De in 1595 tot aartsbisschop benoemde Mathias van Hove was van eenvoudige afkomst en zag zich voor de onmogelijke taak gesteld de contrareformatie ter hand te nemen, hierbij stevig tegengewerkt door Rome. Dit op dagboeken en archiefstukken gebaseerde boek beschrijft zeer indringend de problemen die Hovius had met ketters, pauselijke nuntii, geile en/of drankzuchtige pastoors, en godsdienstwaan zinnigen.

Uitg. SUN, € 24,50

Vibeke Roeper & Roelof van Gelder In dienst van de Compagnie

Het feit dat het dit jaar vierhonderd jaar geleden was dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd opgericht, mocht niet «gevierd» maar moest «herdacht» worden. Niettemin was het voor historici en uitgevers natuurlijk een uitstekende aanleiding om eens flink uit te pakken. In de enorme stapel nieuwe voc-literatuur is dit een zeer aardig boekje, omdat het middels honderd ooggetuigenverslagen licht werpt op het dagelijks leven van de zeelui, soldaten, kooplieden en het overige personeel in dienst van de voc. Zo lezen we hoe een ruim vol scheurbuikpatiënten eruitzag, hoe aan de Kaap de bloemetjes buiten werden gezet, en hoe in 1769 in Batavia een van moord verdachte slaaf werd gespietst en er vervolgens anderhalve dag over deed om te sterven.

Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep,

€ 19,95

Richard Hamblyn

De taal van de wolken

Dat ik regelmatig kletsnat regen of loop te zweten in een veel te dikke jas is mijn eigen schuld, aangezien ik altijd wegzap als het weerbericht begint. Dat de meteorologie toch een uiterst boeiende wetenschap is, met een zeer interessante geschiedenis, wordt duidelijk uit dit boek. Voor het grootste deel gaat het over Luke Howard, de man die als eerste een classificatie van wolken maakte. Wetenschap en romantiek gaan hier samen, aangezien wolken altijd al sterk tot de verbeelding van kunstenaars, schrijvers en wetenschappers hebben gesproken. Daarom in dit boekje niet alleen aandacht voor de schaal van Beaufort, maar ook voor de contacten van Howard met Goethe en Constable.

Uitg. Anthos, € 19,-

Charles Darwin

De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse

Nadat hij in 1836 was teruggekeerd van zijn vijfjarige wereldreis met de Beagle had Darwin zijn theorie in grote lijnen helemaal rond. Hij besefte dat zijn ideeën, waarin geen fundamenteel onderscheid wordt gemaakt tussen mens en dier, zeer veel weerstand zouden opwekken. Daarom besloot hij die zeer zorgvuldig en gefaseerd op het publiek los te laten. In On the Origin of Species (1859) komt de mens vrijwel niet voor. Nadat de eerste storm naar aanleiding van de evolutietheorie was geluwd, kwam hij in 1871 met The Descent of Man. Een ongehoord invloedrijk boek, geschreven in het prachtige «ongehaaste Victoriaanse proza», waarvan nu een nieuwe, fraaie vertaling is. Ook de voor dames shockerende voetnoten, die Darwin in het Latijn schreef, zijn nu vertaald.

Uitg. Nieuwezijds, € 29,90

Richard Overy

De verhoren: De nazi-elite ondervraagd

Als het gaat om de vraag in welke mate individuele nazi’s bekend waren met en verantwoordelijk waren voor de misdaden van het regime, vormden de protocollen van de Neurenbergse processen altijd een belangrijke rol. Overy heeft zich echter verdiept in de verslagen van de verhoren die voorafgingen aan het proces. Het boek bestaat voor het grootste deel uit een thematische selectie uit deze verhoren, voorafgegaan door een zeer uitvoerige en uitstekende inleiding. Hierin wordt veel aandacht besteed aan de problemen die de geallieerden tegenkwamen bij de voorbereidingen van het proces, en die sterke gelijkenis vertonen met het huidige Joegoslavië-tribunaal.

Uitg. Bezige Bij, € 37,50

Conny Kristel (red.)

Binnenskamers en Polderschouw

Vorig jaar werden de eerste twee delen gepresenteerd van het grootscheepse onderzoek naar de terugkeer en opvang van oorlogsslachtoffers na de Tweede Wereldoorlog. Nu zijn de twee overige delen verschenen. In Binnenskamers staat het overheids beleid, en de uitvoering hiervan, centraal. Tevens wordt aandacht besteed aan de rol van allerlei organisaties als het Rode Kruis, de kerken, en verschillende joodse organisaties. In Polderschouw komen regionale verschillen aan de orde en wordt ingegaan op zaken als antisemitisme, de weerslag van de gebeurtenissen in romans en de berichtgeving in de weekbladpers.

Uitg. Bert Bakker, € 31,- per deel

Ilja van den Broek

Heimwee naar de politiek

Als we rechtse politici en publicisten moeten geloven, heeft het kabinet-Den Uyl voor een economische en maatschappelijke ontwrichting gezorgd waarbij vergeleken «de puinhopen van acht jaar Paars» niet méér zijn dan enkele molshoopjes op een gladgeschoren gazon. Als we linkse politici en publicisten moeten geloven, was toen de verbeelding aan de macht, werd er een visionaire politiek gevoerd, was er bezieling en elan. In haar proefschrift onderzoekt de in 1971 geboren historicus Van den Broek alle mogelijke mythes die over dit kabinet de ronde deden en doen, en analyseert welke functie die legendes hebben. Evenals De Gaulle in Frankrijk is Den Uyl vooral een lieu de mémoire geworden.

Uitg. Wereldbibliotheek, € 29,90

Robert Kaplan

Krijgspolitiek

Kaplan is een bestsellerauteur die het ene boek na het andere publiceert, en die zich met veel Schwung presenteert als onafhankelijk politiek denker. De boodschap in dit boekje doet echter nogal belegen aan, en behelst niet meer dan de overtuiging dat politiek nooit gebaseerd moet zijn op hoogstaand idealisme. Uiteraard worden Machiavelli, Hobbes en Churchill in stelling gebracht. Wat Kaplan over hen te zeggen heeft, is echter allesbehalve origineel en vaak op belangrijke punten ook aanvechtbaar. Zo was bijvoorbeeld Machiavelli niet uitsluitend een ondogmatische Realpolitiker, maar was ook zijn visie sterk ideologisch gekleurd. Maar misschien is het toch handig om dit boekje nog snel even te lezen voordat de 82ste U.S. Airborne Division bij Den Haag landt.

Uitg. Het Spectrum, € 16,-