Geïllustreerd

Een gedicht dat afgedrukt staat naast een plaatje lijkt opzij te hellen. Twaalf jonge striptekenaars maakten werk op basis van gedichten van Slauerhoff, die ze integreerden in hun beeldverhalen.

Bij het grafisch werk van Cees Andriessen gebeurt het precies andersom. Het staat zo op zichzelf dat het zich eerder wegschrijft, het gedicht uit. Zeven dichters, onder wie Alfred Schaffer en Willem van Toorn, maakten gedichten voor hem. En Mark Insingels werk staat in verhouding tot alle Nederlandse gedichten nog het dichtst bij de typografie, in het wit, zonder enige mogelijke verbeelding.

Mark Insingel publiceert gedichten sinds 1963. In Hotel New Flanders is werk van hem opgenomen uit drie verschillende bundels en periodes. Zijn gedichten zijn niet wezenlijk veranderd. Ze zijn hoogstens kaler geworden, de dichter gebruikt steeds minder woorden. Dat gebeurde al in vroege bundels, maar het geheel is strakker geworden en in overeenstemming gebracht. Lang leven heet zijn nieuwe dichtbundel. Hij verschijnt tegelijk met een herdruk van de twee laatste bundels Niets (2005) en Iets (2007), samen gebundeld in een band. Het zijn lastige begrippen, iets en niets, en helemaal in poëzie. Ze staan zo'n beetje voor alles dat je maar kunt bedenken. Maar het worden bij Insingel gelukkig geen esoterische vingerwijzingen naar het ‘Al’. Eerder zijn het berichten. Het rare met die ingehouden, minimalistische en ogenschijnlijk rekenkundige gedichten van Mark Insingel is dat ze lijken te zingen. Door de herhalingen, het ostentatieve rijm, lijken ze wel een beetje op gebeden. Vaak is het rijm niets dan hetzelfde woord en tegelijk paradox: een enkel woord ervoor verandert de betekenis van een regel. Het lijken rekensommen, al blijft de uitkomst ongewis:

In het voorbijgaan heb ik het gezien,

toen ik het zag ging ik eraan voorbij.

Toen ik het niet meer zag was het voorbij.

Ben ik voorbij gegaan? Ging het voorbij?

De paradoxen staan zo open en bloot naast elkaar dat dit prevelen toch iets heeft van een schietgebed. Het werk is logisch. Ook gedichten van Hans Faverey kunnen een dergelijk effect hebben, een natuurlijke toon, maar zijn werk behoudt mysterie. Insingel lijkt juist niet voor mysterie te gaan, maar voor duidelijkheid, hoogstens voor het mysterie van het eenvoudige. Kijk maar naar de afbrekingen in het volgende gedicht:

Straks wordt het zo

laat dat het tijd wordt.

Ik wil dan nog blijven.

Zolang als mijn praten

niet stilvalt. Zolang

als ik zit en niet opkijk.

Zolang dat kan

duren.

Tweemaal een dubbele witregel, als wil de dichter de pauze rekken, letterlijk het voortduren lengen. Ergens langer blijven dan gepast is, met woorden een beetje tijd rekken, ook terwijl die woorden karig blijven. In andere gedichten is het rijm zo dwingend dat je even denkt aan een spreuk of een kinderliedje:

Wat is er slecht aan mij

als ik niet vecht?

Wat is er slecht aan mij

als ik wel vecht?

Wat wordt gezegd van mij,

is dat terecht?

Wat maakt men zo van mij:

meester of knecht?

Wat is er echt aan mij?

Wie ben ik echt?

Er klinkt even Kouwenaars gedicht Wie is de ware in door, uit de bundel Totaal witte kamer. Een vraag-en-antwoordspel in distichons, tweeregelige strofes. Maar ook daarmee vergeleken is Insingel uiterst ingehouden en duidelijk. Het heeft iets hulpeloos, de essentie die Mark Insingel zo onomwonden opzoekt en blootlegt. Hoe indringend het werk ook is, het maakt van dat karige tegelijk ook iets lichts.

Dit jaar werd de Nederlandse graficus Cees Andriessen zeventig jaar. Andriessen maakt houtsneden, linosneden en tekeningen. Het is werk dat goed op zichzelf staat en zich heel mooi in druk laat zetten. Toch houdt Andriessen blijkbaar veel van gedichten bij zijn werk. Eerder bracht hij op groot formaat de bundel Contrapunten uit, met werk van Andriessen bij een reeks gedichten van Willem van Toorn, die zich op zijn beurt liet inspireren door Die Kunst der Fuge van Bach. Het werk begeleidt of illustreert zichzelf nergens en toch vullen de uitvergrootte uitsnedes uit tekeningen en uitgesneden dichtregels elkaar goed aan. Voor zijn verjaardag maakten zeven dichters een gedicht over een Duits klooster, net over de grens bij Enschede. Kloster Bentlage in Rheine figureert in de gedichten van Frans Budé, Anna Enquist en opnieuw Willem van Toorn. ‘U blijft hier buiten beeld en ongezegd’, dicht de laatste. Treffend is dat de twee jongste dichters, Alfred Schaffer en Mischa Andriessen, zoon van de graficus, autonomer te werk gaan. In het gedicht van Mischa komt alleen een spreuk voor die op het klooster staat. Schaffers gedicht Wat de natuur vergat hebben we aangebracht is geschreven in de wij-vorm. Die lijkt voor niet minder dan de hele mensheid te staan. De bundel Stufen der Stille is tweetalig uitgegeven, er staan ook gedichten in van Andreas Altmann en Jan Röhnert, jongere auteurs die ook eerder van een beschrijving van de plek uitgaan. Vreemd is dat alle gedichten als Duitse gedichten worden gepresenteerd en het Nederlands achterin als vertaling. Voor de zeven teksten maakte Cees Andriessen zeven houtsneden. Geen illustratie, maar de graficus heeft zich wel door de woorden laten leiden, naar hij schrijft. Ze hebben de prenten hun vorm en hun richting gegeven, ze ‘verkloonden met de geschreven woorden’.

Wel illustratief is de bundel Verbeelde gedichten van J.J. Slauerhoff, geïllustreerd door tien jonge Nederlandse en Belgische striptekenaars. De gedichten zijn in compartimenten gehakt en in of rond de afbeeldingen geplaatst, als uitspraken van de getekende karakters, tussenteksten, en soms om de blokjes met plaatjes heen. Het is misschien vloeken in de kerk voor de Slauerhoff-liefhebber of de purist aangaande beeld en taal, maar het boekje is wel grappig. Iedere striptekenaar maakt totaal zijn eigen verhaal van het gedicht, brengt het in een dwingende want uitgetekende interpretatie. En de gedichten passen wonderwel. De strips variëren van pentekeningen, fotocollage, manga of impressionistische krijttekening tot felgekleurde strips voor kinderen. Ze zijn telkens maar een pagina of vijf, de gedichten van Slauerhoff zijn niet lang en staan voor de verstripping afgedrukt. Ook is er telkens een zwart blok met uiterst toegankelijk informatie over Slauerhoffs werk en leven. Die neutraliseren de interpretatie van de afzonderlijke striptekenaars, die juist van de auteur wegdrijven en hun eigen verhaal maken. Het opvallende is, waarschijnlijk door de directheid van Slauerhoffs gedichten en mogelijk ook de meeslepende romantiek, dat zijn dichtregels als tekstballonnetjes in een strip blijken te werken. Niet alle tekeningen zijn even goed of naar mijn smaak. Maar in alle pogingen die worden ondernomen poëzie buiten haar gebruikelijke verschijningsvorm aan de man te brengen, vindt ik de Verbeelde gedichten van Slauerhoff op een doeltreffende manier grappig.

Mark Insingel, Lang leven. Poëziecentrum, 40 blz., € 22,50

Cees Andriessen, Stufen der Stille / Trappen van stilte. De Witte Mier, 64 blz., € 25,- www.ceesandriessen.nl

J.J. Slauerhoff, Verbeelde gedichten. Met beeldverhalen van Merel Barends, Udo Prinsen, Gerco Hiddink & Kaponga, Bert Dekker, Gerolf Van de Perre, Marc Legendre, Flos Vingerhoets, Jelle van der Ster, Judith Vanistendael en Flip Leemans. Atlas, 72 blz., € 18,50