Discipline kan bevrijdend zijn

Gekelderde vrijheid

Uit de verhalen van Laura Dekker, Tanja Nijmeijer en Natascha Kampusch blijkt dat vrijheid eigenlijk helemaal niet zo vrij is. In eenzaamheid en afzondering werden deze vrouwen sterk en autonoom. En ze staken een middelvinger op naar de wereld.

VRIJHEID, internationalisering en autonomie zijn drie belangrijke waarden waarmee zo'n vijf decennia terug de grote emancipatiestrijd tussen de klassen en de seksen werd beslecht. Diezelfde waarden wisten zich in de jaren tachtig via het neoliberalisme in het hart van onze dagelijkse taal en zeden te nestelen. Denk aan centrale begrippen als markt, productiviteit, efficiëntie, consumentenkeuze, individuele autonomie en eigen verantwoordelijkheid. Het neoliberale gedachtegoed is dan ook geen exclusief economisch verhaal, maar een sociale en morele filosofie met repercussies voor ons gehele bestaan - zoals voor de opvoeding van onze kinderen.
Maar wat nu zo opmerkelijk is: juist wanneer jongeren zich autonoom gaan gedragen, de blik op de wereld richten en voor vrijheid gaan strijden, lijkt ons begrip voor hun keuzes op te houden. Het zal toch niet zo zijn dat het hedendaagse liberalisme zijn unique selling point - de individuele vrijheid die het pretendeert te kunnen brengen voor ons hele leven - niet eens kan waarmaken op eenvoudig opvoedingsniveau?
We mogen aannemen dat we met opvoeding en onderwijs in de eerste plaats het belang van het kind op het oog hebben. Maar hoe vanzelfsprekend ook, met opvoeden in het belang van het kind zijn grote problemen verbonden. Een van de belangrijkste problemen is hoe we het onderscheid blijven maken tussen opvoeden in het belang van het kind en opvoeden ‘vom Kinde aus’. Of heel concreet: het lijkt niet altijd in het belang van het kind om het kind altijd in het middelpunt van onze belangstelling te plaatsen. Maar waar trekken we die grens? Bepalend voor dit onderscheid is of we primair wensen op te voeden in vrijheid of tot vrijheid. Nu staan er recent drie jonge vrouwen in de belangstelling die hierin bij uitstek ervaringsdeskundig zijn. Elk van hun verhalen bevat een aantal elementen die ons helpen beter te begrijpen wat pedagogische vrijheid is en wat er op dit moment aan scheelt.
Het eerste meisje van wie we een lesje kunnen leren is Laura Dekker, ook wel het zeilmeisje, bekend van haar prestatie om als jongste rond de wereld te zeilen en om de commotie die ze daarmee veroorzaakte. Gerespecteerde Nederlandse pedagogen vertolkten tot op de BBC de opvatting dat Dekker niet mocht gaan zeilen omdat ze daarmee haar eigen welzijn zou schaden. Een helder argument. Maar het tegenargument was even helder: het ontbrak aan een ultiem fundament om de ouders van een tiener die gepassioneerd is van een betekenisvolle activiteit (het is niet dat ze van school wilde om alle concerten van Justin Bieber te kunnen bijwonen) uit hun ouderlijke macht te ontzetten. Dit soort radicale plannen die in meer overzichtelijke tijden ongezien waren bij tieners vragen misschien juist om een heroverweging van onze conventies hierover. Ook helder.
Zoals wel vaker kreeg de ontwikkelingspsychologie het laatste woord: voor een puber van die leeftijd is contact met leeftijdgenoten essentieel voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarmee leek de kous af: we zagen Laura al zitten, alleen in haar bootje op de oceaan: een puber wegkwijnend van eenzaamheid. Een sterk beeld dat velen wist te overtuigen. Maar het liep toch anders, tenminste als we afgaan op de berichtjes op haar weblog (zie www.lauradekker.nl). Zo schrijft ze op 7 december: 'Ik heb nu echt de passaatwind gevonden, of hij mij… Guppy loopt nu zo'n 6.5 a 7 kn., echt super lekker (…) Voor de rest niet zoveel beleefd vandaag, geen squals, geen boten en een eindeloos golvende mooie blauwe zee.’ En op 21 november: 'Ik lig nu al weer een paar dagen hier. Het is een prachtig eiland. De bevolking is erg aardig. Ook al versta ik de meesten niet. Samen met een paar Kaapverdiaanse meisjes van mijn leeftijd heb ik vandaag gevoetbald. Het leven is hier heel anders. (…) De meeste meisjes van mijn leeftijd hebben hier al gewoon kinderen!!! Die slepen ze dan de hele dag met zich mee. Echt ongelooflijk.’
Hier was duidelijk iemand bezig om haar passie te beleven en al doende te leren wat het is om nu eens autonoom te leven en dan weer aangewezen te zijn op anderen. En speciaal voor de ontwikkelingspsychologen had ze een prachtige set nieuwe media aan boord zodat contact met leeftijdgenoten verzekerd was. De geslaagde trip van Laura zou erop kunnen wijzen dat men misschien te snel geoordeeld heeft. Blijkbaar heeft men er baat bij om bepaalde claims op vrijheid niet te honoreren. Zelfs wanneer het een onschuldige tiener betreft die geen vlieg kwaad doet, is er blijkbaar een versie van vrijheid die haar aan wal moet houden.
Dat is des te opmerkelijker aangezien autonomie en internationalisering op papier de kern vormen van de individuele bevrijdingsideologie. In werkelijkheid lijkt het enkel te gaan om een autonomie in dienst van vrije tijd (Laura moet shoppen en consumeren, net als alle andere kids) en de globalisering (Laura’s droom moet productief zijn voor de mondiale markt). Voor geen van beide is een garantie te geven en daarom gooien we niet onze werkelijke redenen, maar het schadebeginsel in de strijd: 'Laura moet wachten want ze doet zichzelf hiermee te kort.’ Nu is het goed mogelijk dat zij inderdaad zichzelf tekortdoet, maar de neoliberale vrijheidsidee biedt ons geen adequaat fundament om dit voor haar uit te maken.

WAT ZIJN DAN WÉL duidelijke grenzen die ter wille van de individuele emancipatie aan een opgroeiend individu kunnen worden opgelegd? Een wat lastigere biografie is die van Tanja Nijmeijer. De voormalige Groningse studente sloot zich immers in 2002 aan bij de antigouvernementele beweging FARC (Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia) in Latijns-Amerika. In 2007 kreeg Nijmeijers deelname aan de beweging in de Colombiaanse jungle publieke bekendheid nadat het leger haar dagboek had gevonden. Nog afgezien van het extremistische karakter van de beweging waar ze zich bij aansloot, is de houding van Nijmeijer bijzonder radicaal te noemen voor een adolescent (ze was 24 toen ze naar Colombia trok om er tot de dag van vandaag te blijven). Het is een beslissing die maar zeer weinigen kunnen begrijpen en die men ook zonder te veel reflectie ondubbelzinnig kan afkeuren. Iemand die zich aansluit bij een groep terroristen heeft ons geen lessen te leren, zo zijn we geneigd te denken.
Maar dat ontslaat ons niet van de plicht om goed na te denken over wat hier op het niveau van de pedagogische vrijheid aan de hand is. Nijmeijer verklaart wel degelijk zelf (autonoom!) besloten te hebben om haar familie nooit meer te zien en zichzelf los te maken van haar comfortabele bestaan hier (vrij!) door onder te duiken in een totaal andere wereld (mondiaal!). Toch zien we haar niet als een vrij persoon, maar als iemand die misleid is en verkeerdelijk denkt dat ze een bevrijdende keuze heeft gemaakt. Zou het echter kunnen dat Tanja diep in de jungle is ondergedoken omdat het voor haar wel degelijk bevrijdend was? Eindelijk was daar die kans om, zoals ze zelf zegt, 'niet meer constant te moeten beantwoorden aan de roep om productiviteit, oppervlakkige vrije tijd en vooraf gedefinieerde moraliteit - zoals aan deze kant van de wereld van je wordt verwacht!’.
In het licht van deze laatste verklaring is het te gemakzuchtig om ons alleen maar op haar vermeende naïviteit of kwaadwillendheid te focussen. Want gaan we dan niet voorbij aan de mogelijkheid dat zij oprecht politiek geïnspireerd is geraakt door een beweging die door liberale en vooral neoliberale bril gezien onvrij maakt, maar juist daarom een bevrijdende werking had op deze jonge westerse?
Het is niet de bedoeling om die vragen hier te beantwoorden, maar het moge duidelijk zijn dat de biografie van Nijmeijer ook over ons gaat. Net zoals bij Dekker (schade aan zichzelf) zien we dat bij Nijmeijer (schade aan anderen) het schadebeginsel de doorslag geeft in ons oordeel, hetgeen het ware fundament van onze uitspraak (onze selectief-liberale invulling van vrijheid) aan het zicht onttrekt.
Op het spoor van de onttovering van de liberale ontvoogding belanden we bij een derde jonge vrouw. Dit is het laatste en veruit het lastigste verhaal, want van Natascha Kampusch. De moeilijkheid begint al met de context waarin we haar hier ter sprake brengen: is zij geen heldin die we vreselijk onrecht doen door haar in een rijtje met de bijdehante Nederlandse opgeschoten pubers Nijmeijer en Dekker te plaatsen? Ja. Daar doen we haar groot onrecht mee. Maar neen, hoe onvoorstelbaar triest en verschrikkelijk haar ervaringen ook waren, het is niet volledig ongepast om haar in deze zoektocht naar een adequater vrijheidsbegrip op te voeren. Daarvoor moeten we terug naar 23 augustus 2006, de dag dat ze zichzelf uit de klauwen van haar ontvoerder wist te bevrijden. Daarvoor had zij van haar tiende tot haar achttiende levensjaar gevangen gezeten in een Oostenrijkse kelder van vijf vierkante meter waar zij dagelijks vernederd en mishandeld werd door een meedogenloze psychopaat. De langste kidnapping uit de hedendaagse geschiedenis.
Maar wat bleek toen ze nauwelijks enkele weken later een massaal bekeken interview gaf op de Oostenrijkse tv? Zij had zich in die meest onterende omstandigheden weten te ontwikkelen tot een volwassen, schijnbaar evenwichtige adolescent. En wat was onze reactie? Wij konden simpelweg niet geloven dat ze gezond was. Het kon niet waar zijn dat hier een autonoom wezen zo volwassen sprak, dat ze er niet alleen goed uitzag maar ook nog eens bij haar gezond verstand leek. Daarvoor moest zij te zeer getekend zijn.
Michiel Hegener stelde hierover in een opiniestuk in NRC Handelsblad met de veelzeggende titel 'Natascha Kampusch opnieuw gekidnapt’: 'Voor onze samenleving is het onacceptabel dat Kampusch geen slachtoffer zou zijn, dat ze haar eventuele trauma’s al grotendeels heeft verwerkt tijdens haar gevangenschap. Of dat ze misschien wel een paar trauma’s mist die ze volgens de handboeken had moeten oplopen (…) Alles wijst erop dat psychiaters hebben besloten dat Kampusch hulp nodig had, en dat dat psychiatrische hulp moest zijn. Opdat de psychiatrie niet gestoord wordt.’
Net zoals bij Dekker en Nijmeijer vonden professionals het gepast om voor Kampusch te beslissen of zij wel echt vrij was. De reden in dit geval is niet ver te zoeken: als we de mogelijkheid openlaten dat zij in deze afschuwelijke omstandigheden zich heeft kunnen ontwikkelen tot een evenwichtig, vrij persoon, dan moeten er verregaande consequenties uit worden getrokken, zoals voor de opvoedprogramma’s die kinderen wel de vrije ruimte bieden om op te groeien en succesvol te worden. Kampusch moest wel 'onvrij’ verklaard worden om de altijd zo vanzelfsprekend geachte relevantie van ons pedagogisch apparaat te redden. Dus ook hier meenden wij dat onze opvatting van vrijheid en hoe daartoe te komen de enige geldige was om haar verder te helpen.
Nog een keer Hegener: 'De welbespraaktheid, het ontwikkelingsniveau en het altruïsme van Kampusch vormen een opvoedkundig anathema waar de westerse samenleving niet van terug heeft. Acht jaar zonder ouders, opvoeders en onderwijzers hadden haar, volgens de vigerende vooronderstellingen over opgroeien en volwassen worden, moeten reduceren tot een zielige puinhoop. Door ontwikkeld en eloquent te zijn zonder scholing, evenwichtig en onderscheidend zonder opvoeders, door zich liefdevol uit te drukken na acht jaar zonder ouderliefde, plaatst ze een groot vraagteken bij de kernideeën over opgroeien. Hier klopt iets niet.’
In haar zeer lezenswaardige autobiografie geeft Kampusch zelf enkele hints waarom het voor haar in elk geval wel klopt. Zo noteert ze vrij abrupt, na weer eens tientallen bladzijden waarin ze enkel afgesnauwd, geschopt en geslagen wordt, de volgende uitspraken: 'In de schaduw van die macht, die mijn hele bestaan bepaalde, kon ik paradoxaal genoeg voor het eerst in mijn leven mezelf zijn.’ En: 'Er waren ook goede momenten, en die koester ik. Momenten waarop hij me bij het tekenen, schilderen of knutselen hielp en me aanmoedigde opnieuw te beginnen als het niet lukte. Ook het kwaad kent korte ogenblikken waarop een normaal bestaan en zelfs een gelijkwaardige verhouding mogelijk is.’
Hoe is het mogelijk om tot een evenwichtige volwassene op te groeien zonder zelf keuzes te kunnen maken? Dat is voor de geëmancipeerde liberaal totaal onbegrijpelijk. Daar kunnen we alleen bij als we afstand doen van de idee dat vrijheid de enige weg naar vrijheid is. Want wat is hier aan de hand? Welk stuk van de puzzel ontbreekt? Behalve door de angst, de fysieke dwang en de psychologische terreur werd haar gevangenschap gedomineerd door discipline. Een zelfdiscipline die haar achteraf niet menselijk lijkt maar een discipline die ze wel degelijk aan de dag moest leggen om met de ontberingen om te gaan en te vermijden dat ze helemaal ontmenselijkt werd. Discipline omvat in dit geval het vasthouden aan familieherinneringen, vastberadenheid om slimmer te worden en het bijhouden van een dagboek. Het staat dan ook tegenover 'om het even wat doen’. Maar discipline staat niet tegenover vrijheid. Dankzij deze discipline, in combinatie met haar enorme verbeeldingskracht, heeft Natascha Kampusch zich weten te redden uit situaties die zij, wanneer ze enkel gefocust was geweest op instant vrijheid, wellicht nooit te boven was gekomen.
Is het niet tekenend voor de impasse van de neoliberale bevrijdingsideologie dat nota bene een perverseling zoals haar ontvoerder Wolfgang Priklopil ons moet laten zien dat een meisje zich in dergelijke omstandigheden kan ontwikkelen tot een meer dan gemiddeld ontwikkelde, vrije vrouw? De getuigenis van Natascha Kampusch in gevangenschap laat zien dat men gebaat kan zijn bij een letterlijke omkering (pervertering) van het vrijheidsbegrip om tot ontwikkeling te komen.

UIT BOVENSTAANDE summiere biografieën blijkt heel concreet wat men al wel kon vermoeden, maar zelden zo duidelijk kon aanwijzen: dat vrijheid sinds de neoliberale incorporatie van het begrip eigenlijk helemaal niet zo vrij is, dat mondialisering iets heel anders is dan globalisering en dat individuele autonomie, waarvan we al wisten dat het een soort fictie is, niet zelden een karikatuur is van wat zelfbeslissingsrecht zou kunnen zijn. Telkens is de vrijheid in de ogen van de volwassene omgeslagen in haar tegendeel, terwijl het voor de jongere juist het summum van bevrijding betekent. Voor deze drie jongeren biedt niet de bevrijde keuze maar discipline het meeste uitzicht op vrijheid. Wie zich verdiept in de politiek van een land ver weg, zeiluren maakt om steeds beter te worden, of in totale deprivatie droomt over ontsnapping - beantwoordt aan een noodzaak die mogelijkheden inperkt. Maar deze beperkingen, het 'even niets anders kunnen’, leveren wel de meest authentieke biografieën op. Opvoeden zien als disciplineren heeft dus niks van doen met machtsmisbruik of misplaatste hiërarchie, laat staan met fysieke bestraffing (zo mag het gebruik van de biografie van Kampusch hier geenszins worden begrepen). Toch zijn dergelijke negatieve associaties de eerste die bij veel Nederlanders opkomen wanneer het woord discipline of gezag valt. Voor de zelfbevrijde babyboomer zijn ze erfenis uit een ver verleden waar men zich door eigen verdienste aan had ontworsteld. In deze ontvoogding werd wellicht wel meer bevrijding gerealiseerd maar niet de discussie over de invulling van het begrip vrijheid beslecht.
Het neoliberalisme ging met deze overwinning van de vrijheid aan de haal door te stellen: 'Alles moet altijd mogelijk zijn. Dan pas is er sprake van vrijheid.’ Neoliberale vrijheid verdraagt geen discipline. Discipline vraagt om afzondering, versterving. De jongeren die de meeste discipline aan de dag leggen zijn in onze ogen de grootste anomalieën. Zij zijn de grootste radicalen van onze tijd. Zij brengen ons veilige vrijheidsbegrip aan het wankelen en gaan op hun beurt aan de haal met wat wij al die tijd dachten onder pedagogische vrijheid te verstaan.
Het ontvoogdende opvoedingsmodel heeft in zijn neoliberale variant kinderen voortgebracht die entertainend en multitaskend de dag doorbrengen en in volle vrijheid maar met verdeelde aandacht opgroeien. Een pleidooi naar aanleiding van dit type vrijheid zou kunnen zijn: trek af en toe de stekker uit hun digitale apparatuur en laat ze ervaren wat het is om met beperkingen te leven en hoe het voelt om even onvrij te zijn. En dan natuurlijk niet onvrij als opgesloten op een koude plek waar mishandeling of verwaarlozing plaatsvindt, maar wel onvrij als in afzondering waar disciplinering wortel kan schieten en men kan leren zich - op eigen gezag - ergens aan te committeren en dus te disciplineren.
Alle drie de jonge vrouwen zeggen eigenlijk: 'De rest van de wereld is niet langer mijn wereld.’
Het citaat komt letterlijk van Natascha Kampusch toen ze in gevangenschap zat, maar het geldt voor de drie verhalen. Alle drie drukken ze daarmee een deel van de essentie uit van wat pedagogische vrijheid kan zijn nadat de liberale variant failliet is verklaard: dat vrijheid buiten het neoliberale kader om een radicale daad veronderstelt. Een daad die de rest van de wereld in zijn hemd zet. Een daad ook die we vanuit ons vermeend bevrijde denkkader nooit kunnen goedkeuren - al zouden we dat misschien nog zo graag willen.


Stijn Sieckelinck (Duffel, 1980) is sociaal en wijsgerig pedagoog. Dit artikel verschijnt in de bundel Vrijheid? Voor wie?, die in april uitkomt bij uitgeverij IJzer