Ingmar Heytze, Utrechtse gedichten (met Utrechtse prenten van Dick van Luijn)

Geketend aan zijn stad

Ingmar Heytze
Utrechtse gedichten (met Utrechtse prenten van Dick van Luijn)
Bijleveld, 32 blz., 14,95
Scooterdagboek
Podium, 112 blz., 12,50
Schaduwboekhouding
Podium, 80 blz., 13,90

In zijn Scooterdagboek schrijft de dichter Ingmar Heyzte (1970) over zijn pogingen om zijn geboortestad Utrecht te verlaten. Hij schrijft hoe zijn Vespa Granturismo hem in staat stelt steeds langere uitstapjes te maken, met alle paniek van dien. «Reiswee» noemt de dichter zijn angst en de daarmee gepaard gaande pijn om te reizen. Opgewekt beschrijft hij zijn pogingen te ontkomen aan de lamleggende paniek. Hoewel de reisangst van Heytze geen geheim was voordat het Scooterdagboek werd gepubliceerd, aarzelde ik of ik deze geestestoestand als laag moest zien in zijn werk. Ik kon me voorstellen dat de dichter juist in zijn werk kon ontsnappen aan een beperkte leefruimte en alles behalve een lezing van zijn werk wilde in een kader waaraan hijzelf nu juist wilde ontsnappen. Plaatsvervangende ongemakkelijkheid weerhield me ervan de autobiografie van Heytze te betrekken in zijn werk.

Maar met het Scooterdagboek rekent de dichter af met gissingen naar de invloed van zijn reisangst op zijn werk. Hij maakt duidelijk dat zijn angst om te reizen levens- en werkbepalend is. Hoe goedmoedig en optimistisch het Scooterdagboek ook van toon is, het blijkt gedreven te zijn door wanhoop. Er is geen twijfel meer mogelijk: de bundel Utrechtse gedichten is geschreven door iemand die aan zijn onderwerp is geketend. Het werpt een nieuw licht op het oudere en het nieuwe werk van Heytze en het laadt de gedichten – die vaak transparant lijken en helder zijn van taal – met een nieuwe spanning.

Utrechtse gedichten is een verzameling gedichten uit eerdere bundels van Heytze, geïllustreerd met tekeningen en etsen van Dick van Luijn. Zowel de gedichten als de illustraties maken een lichte eerste indruk. Tot je je realiseert dat dat hoort bij het bezweren van angst: doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Maar de torens in de tekeningen van Van Luijn staan bij nader inzien scheef, en het water is te zwart. De grijze dame die Utrecht is in het gedicht Utrecht 2001 heeft een kapot hart.

Heytze doet denken aan een moderne kluizenaar, met de stad Utrecht als ruime cel. Hij spiegelt zich aan een kluizenares in het gedicht De kluizenares van ’t Wed.

Zij schuifelt door een kloostergang.

De gang bestaat alleen voor haar.

Een heilige die is verdwaald,

abdis van een vergeten orde

dwaalt ze langs de uitklapborden

of staat stil, midden op straat,

alsof er iemand tot haar spreekt –

dan gaat het verder, stap voor stap.

De straat is de kloostergang waar de kluizenares zich in waant. Of is de lezer hier deelgenoot van een waanvoorstelling van de dichter? Het wordt naarmate het gedicht vordert aannemelijker dat de dichter zich een voorstelling maakt van het verleden. De kluizenares die hij beschrijft doet denken aan zuster Bertken, die in 1426 of 1427 geboren is in Utrecht en op 87-jarige leeftijd werd begraven in de kluis waar ze zich 57 jaar had laten opsluiten. In haar biografie staat vermeld dat ze zich vrijwillig heeft laten opsluiten, maar wat vrijwillig is, is in verband met het gedicht van Heytze belangrijk.

Zoals je zou kunnen beweren dat haar extreme geloof zuster Bertken dwong tot opsluiting, zo dwingt angst de dichter tot een vergelijkbare situatie. En ook als de dichter zich een andere kluizenares voorstelde dan zuster Bertken, blijft de implicatie dat geloof en angst inwisselbaar zijn overeind.

Zo loopt ze elke dag opnieuw

over een koord dat niemand ziet

langs het café waar ik te werken zit.

Soms trekt een huiver door me heen;

wie van ons twee verloren loopt

en wie dit schrijft – ik weet het niet.

Of de dichter de kluizenares ziet in een dagdroom doet er niet meer toe. In zijn beleving is zij deel van de stad, deel van de straat en uiteindelijk ook deel van hem. Ze is zelfs in zo’n mate deel van hem dat hij haar wordt en niet meer weet wie wie is. Wie schrijft het gedicht: de dichter of de geheimzinnige heilige, die elke dag als over een onzichtbaar koord haar pad aflegt? Ik weet het niet, schrijft Heytze, Nijhoff indachtig. Maar ondertussen legt hij alle mogelijkheden op een rijtje, en laat de lezer in huivering achter, omdat die zelf moet kiezen en geconfronteerd wordt met de mogelijkheid dat het de lezer is die het gedicht schrijft.

De dichter ziet schrijven als het afleggen van een pad. Het is de sensatie die elke zinnenschrijver kent: de woorden banen zich een weg van A die onvermijdelijk naar B moet leiden. Het zou me niet verbazen als het de wetmatigheid van taal is die zovelen aan het schrijven zet en houdt. De regels scheppen orde en kunnen leiden tot rustige gedachten. Regels van Ingmar Heytze kunnen als een huiver door je heen trekken omdat voor hem het afleggen van een pad niet vanzelfsprekend is. Zijn woorden zouden zich wel eens kunnen ophouden bij A, omdat het idee van B angstaanjagend is.

In zijn laatste bundel Schaduwboekhouding beschrijft Heytze in Witte plek wat hij uiteindelijk bang is te treffen op reis: het einde van die reis, waarin de dood zich makkelijk laat herkennen. Hij kneedt van het onbeheersbare een vorm waarmee hij kan leven – «Als de sirene gaat/ wil ik een witte plek om ongestoord/ het grote donker in te gaan» – een plek die hij inricht met taal.