Ian Hacking

Gekke wandelaars

Ian Hacking beschrijft in ‘Mad Travellers’ de opkomst en bloei van de wandelziekte, een aandoening die Kees ’t Hart vervolgens op het spoor brengt van de verwilderde reiziger in de literatuur.

OP EEN DAG aan het einde van de negentiende eeuw kreeg Albert Dadas, ongeschoold arbeider bij een gasfabriek in Bordeaux, een eigenaardige aandrang om te gaan wandelen. Hij verliet de stad en verdween. Zijn broer vond hem een paar weken later terug in een stadje in de buurt, tikte hem op zijn schouder en Albert kwam met een schok tot zichzelf. Hij was er geweldig verbaasd over toen hij bemerkte dat hij leerlingverkoper was bij een parapluhandelaar met wie hij blijkbaar al een tijdje was opgetrokken. Waar hij de weken daarvoor precies geweest was, wist hij niet meer. Hij ging weer terug naar huis. Een paar dagen daarna hoorde hij zijn vader praten over een erfenis van een familielid uit een plaats honderd kilometer ten noorden van Bordeaux. Een maand later kwam Albert erachter dat hij zich in die plaats bevond, zonder dat hij wist hoe hij er gekomen was.


Ian Hacking schreef een fascinerend boek over deze eigenaardige wandelaar, die tijdens zijn oeverloze wandeltochten naar eigen zeggen zelfs in Moskou belandde, in Turkije, Algiers, Wenen, ja ook in Nederland. Die vaak wanneer hij ‘bijkwam’ niet meer wist hoe hij heette, geen papieren bezat en zich dan maar weer naar huis liet vervoeren en daar onder hypnose allerlei saillante details over de door hem bezochte landen wist te vertellen. Dadas was de eerste goed gedocumenteerde ‘fugueur’, compulsieve wandelaar, trekker, wandelgek, of hoe je het wilt noemen. Na hem ontstond in Europa een ware rage op dit terrein. Tussen 1886 en ongeveer 1910 verschenen vooral in Frankrijk en Duitsland (‘Wandertrieb’) honderden van dit soort wandelaars in het wilde weg, altijd mannen uit de lagere klassen, die niet wisten waar of waarom ze ergens waren of naartoe gingen en die zich vaak hun namen niet herinnerden. Voor zo iemand was het genoeg alleen maar de naam van een stad of een land, hoe ver weg ook, te horen noemen of hij ging al op weg ernaartoe en weken later, soms maanden, was hij er werkelijk, meestal zonder geld, vervuild en volledig aan lager wal.


‘Dissociatieve identiteitsstoornis’ heet dit verschijnsel tegenwoordig in de officiële handboeken. Het is sterk verwant met ziekteverschijnselen als die van de hysterie, ook zo’n merkwaardige, plotseling opduikende ziekte die aan het einde van de negentiende eeuw ontstond, zeer veel aandacht kreeg en in de loop van de twintigste eeuw verdween. Hacking probeert in zijn boek erachter te komen waarom dit compulsieve wandelen precies daar en toen ontstond en na een jaar of dertig weer voorbij was. In hoeverre bestond deze geestesziekte ‘werkelijk’? In hoeverre was ze tijd- en plaatsgebonden en misschien zelfs modieus? Wanneer je zo precies mogelijk weet hoe dit rare, doelloze gewandel ontstond, behandeld werd en vervolgens weer uitstierf, dan kun je, aldus Hacking, daarvan wellicht ook iets leren over ontstaan en behandeling van de meer actuele varianten ervan, zoals de tegenwoordig in Amerika fameuze ziekte van de ‘meervoudige persoonlijkheid’. Hacking laat zich niet ertoe verleiden de ziekteverschijnselen af te doen als ‘aanstellerij’, de compulsieve wandelaars uit die tijd leden werkelijk verschrikkelijk. Hij probeert te achterhalen onder welke omstandigheden ze konden bloeien.



JE HEBT BIJ het ontstaan van nieuwe geestesziekten in de eerste plaats artsen nodig die erin geïnteresseerd zijn. Is de ziekte belangwekkend genoeg? Kun je er als arts mee scoren? Dadas bofte; hij werd behandeld door Tissé, een zeer ambitieuze arts uit Bordeaux, die een boek over hem schreef. Zijn verschijnselen bleken heel goed te passen binnen een debat van die tijd over het verschil tussen hysterie en epilepsie. Was Dadas epileptisch of hysterisch? Tissé was sterk geïnteresseerd in de destijds in Frankrijk en vooral in Bordeaux opkomende wielersport, hij was een hartstochtelijk fietser en was een van de organisatoren van de wielerrace Bordeaux—Parijs, die voor het eerst in 1891 plaatsvond. Hacking legt zonder meer een verband tussen deze belangstelling voor sportieve prestaties en die voor de enorme wandeltochten van Dadas. Hij geeft een mooi beeld van de merkwaardige relatie tussen arts en patiënt, die goed te vergelijken valt met de relatie tussen aangever en afmaker bij een komisch duo. Patiënten hebben bij de ontplooiing en erkenning van een interessante geestesziekte nu eenmaal artsen nodig, maar andersom geldt dit ook. Dadas liet zich tijdens zijn behandeling dus maar wat graag hypnotiseren en hij was direct bereid alle hypothesen van de artsen te bevestigen. Bovendien ontwikkelde zich in Frankrijk en Duitsland een opvallende tegenstrijdigheid die volgens Hacking een belangrijke rol speelde bij de acceptatie van deze wandelziekte. De overheid stimuleerde in beide landen het opkomende toerisme maar bestreed met alle middelen de om zich heen grijpende landloperij. Principiële verschillen tussen de romantische leegloperij van de rijken en de landloperij van de armen vielen (en vallen) niet direct vast te stellen en in een dergelijke situatie kunnen zich merkwaardige geestelijke verschijnselen voordoen, zoals die van onze opgejaagde en tegelijkertijd in dromen verzonken wandelaars langs de wegen van Europa.


Waren er ook in Nederland dergelijke compulsieve wandelaars? Hacking noemt ze niet, maar een hardnekkige speurder in psychiatrische archieven kan ze volgens mij beslist boven tafel krijgen, omdat de omstandigheden in Nederland wat dit betreft met die in Frankrijk zijn te vergelijken. Ze zouden er dus moeten zijn, als Hackings theorie tenminste klopt: ook hier het opkomend toerisme en de belangstelling voor sportprestaties, veel belangstelling voor interessante geestesziekten en een sterk om zich heen grijpende landloperij. Je kunt overigens zonder al te veel moeite de opkomst van georganiseerde wandeltochten in het begin van de twintigste eeuw met Dadas’ ziekte in verband brengen. Ik herinner me nog heel goed mijn eigen enigszins getroebleerde verbazing toen ik als jongen — ik woonde tussen 1952 en 1968 in Nijmegen — voor het eerst getuige was van de Vierdaagse. Waren zíj nu gek of was ik het? Het laatste sloot ik zeker niet uit, maar hoe was het mogelijk dat je als volwassene geheel vrijwillig zulke zinloze en oeverloze wandeltochten ondernam, met als begin en startpunt Nijmegen en dat vier dagen aan een stuk?


Soms bracht Tissé Dadas onder hypnose en vroeg hem te beschrijven hoe hij keek en liep wanneer hij wandelde. Beschrijvingen daarvan vertonen verrassend sterke overeenkomsten met het uiterlijk van Vierdaagse-wandelaars. Er staan in dit boek een paar foto’s van de gehypnotiseerde Dadas, waarbij Hacking zich overigens wel afvraagt of hij, om de artsen en de fotograaf een lol te doen, hierbij niet een hypnose-pose aannam. Glazige blik, ernstige kop, rechtop staand of juist zo krom als een hoepel, niet om zich heen kijkend, je ziet hem voortstrompelen, net als die wandelaars over de wegen in de buurt van Nijmegen. Ja, zo zagen en zien ze eruit. Maar in Nijmegen is de wandelgekte sterk gereglementeerd, kun je tegenwerpen, en ze vindt plaats onder begeleiding van grootscheepse festiviteiten op een vast parcours. Dat kun je van Dadas’ tochten bepaald niet zeggen. Toch geeft het te denken dat de eerste Vierdaagse in 1916 was, dus vlak na het uitwoeden van de wandelziekte. Zou deze feestelijke en gereglementeerde wandeltocht dan toch in beginsel een poging zijn al te barre landloperij en gekte in goede banen te leiden?



JE KUNT JE ook afvragen in hoeverre de grote emigratiebewegingen naar Amerika, Canada, Australië et cetera, die vanaf het einde van de negentiende eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog in Europa plaatsvonden, iets te maken hebben met deze verplaatsingsziekte. Wat bezielde mensen om hun hele bestaan in Nederland op te geven en te verhuizen naar verre en onbekende landen waarover alleen uitermate onbetrouwbare berichten tot hier waren doorgedrongen? Echt noodzakelijk was emigratie niet, van systematische uitroeiing of vervolging was in Nederland toch werkelijk geen sprake. Ging het zo dat je als toekomstige emigrant ergens over goudzoekers las, of over ruime prairies, of over onbegrijpelijk lege en mooie gebieden, waar het altijd heet was en waar sommige mensen heel rijk en gelukkig werden? En raakte je dan helemaal in de ban van deze wel erg rooskleurige voorstellingen? Of kreeg je familie een brief van een oom die schreef dat het hem heel goed ging in Amerika, waarbij niemand besefte dat hij dit alleen maar schreef om bij zichzelf de moed erin te houden? En ging je dan haastig op weg? Over de duizenden mislukkingen, de doden en het onverdraaglijke heimwee las je natuurlijk niks of daar wilde je niks over lezen.


Veel later is over deze halve volksverhuizing uiteraard het nodige aan verantwoord sociologisch en historisch onderzoek gepubliceerd, en je kunt de rationalisaties wel zo ongeveer uittekenen: het waren barre tijden hier, er was werkloosheid, er was een gevoel van algehele malaise. Maar dan nog. Wat was het dat de mensen in die tijd zelf zo gek kreeg? Onder welke omstandigheden zei iemand ineens: weet je wat, we gaan naar Amerika. Een land waar niemand een klap van afwist. En dan bevond een man of een heel gezin zich een paar maanden later plotseling, vrijwel zonder geld en ook nog afgezet voor de overtocht, aan boord van een boot, samen met honderden anderen. Het blijft raadselachtig.


In It wrede paradys schrijft voormalig hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant Hylke Speerstra hier zeer indringend over. Hij bezocht over de hele wereld oude Friese emigranten, of nazaten daarvan en liet ze aan het woord over de barre begintijd en wat er daarna gebeurde. Waarom gingen ze weg? Terwijl ik het las, moest ik aan Dadas denken. Want vaak genoeg gingen de boerenzoons uit Friesland volkomen onvoorbereid op pad, ze wisten niets over wat ze te wachten stond, kenden niemand, maar wel wisten ze zeker dat het in Friesland niks was. Maar waarom dat dan zo was, bleef ook voor henzelf een raadsel, daar vertellen ze ook nu nog vage en in onze ogen ongefundeerde verhalen bij over ruimtegebrek, mensoverschot en benepen godsdienstige ruzies in hun geboortedorpen. Amerika, Canada of Nieuw-Zeeland had een magische klank, daar was het goed, daar moest je heen, veel meer komt er eigenlijk niet uit.


Diep ontroerend is bijvoorbeeld het verhaal van Rommert Boonstra, die in 1948 op de terugweg uit Indië naar zijn geboortedorp Garijp plotseling op de Afsluitdijk denkt: ‘wat moat ik eins yn Garyp’ (wat moet ik eigenlijk in Garijp) en dan volstrekt impulsief het besluit neemt te vertrekken, zomaar, wat er ook gebeurt. En kort daarop bevindt hij zich werkelijk in Canada, geen rooie cent op zak, totaal overgeleverd aan de plaatselijke bevolking en de vreselijkste weersomstandigheden. Speerstra vertelt een hele rij van deze geschiedenissen, waaruit zonneklaar blijkt dat de besluitvorming rond emigratie bepaald niet op rationele wijze tot stand kwam. Men wilde nu eenmaal op reis, het maakte niet eens veel uit waarheen, men wilde weg, dat was het en dus ging men gewoon op weg, onvoorbereid, zonder een cent op zak, opgejaagd door een voor ons nauwelijks meer te begrijpen waan. Net als Dadas.



HET IS EEN uitermate aantrekkelijk idee het beeld van de Gekke, Dromerige en Opgejaagde Wandelaar te verplaatsen naar het schrijven van literatuur. Wat is het dat schrijvers zo eens in de paar jaar ertoe brengt een krankzinnige hoeveelheid papier met teksttekens te gaan besmeuren en daar dan later de term ‘roman’ op te laten plakken? Welke rare impulsen drijven zo iemand voort? Er is absoluut niemand die op hun boeken zit te wachten, maar op een dag hebben zij een plan, van horen zeggen, of iemand vertelde iets, of er was op straat een merkwaardig gesprek en plotseling bevinden zij zich achter een bureau waaraan ze iedere dag drie of vijf of meer bladzijden schrijven, onophoudelijk, een paar maanden lang, op het laatst zo gek als een deur, het schuim nog net niet rond de lippen, vrouw en kinderen verwaarloosd. Blijkbaar gaat het bij het schrijven net zoals het Albert Dadas ruim een eeuw geleden bij het wandelen verging — en later vertellen schrijvers in interviews allerlei merkwaardige en meestal onhoudbare verhalen over hun schrijfwerk — net als Dadas aan zijn artsen over zijn wandelingen vertelde, met als enige verschil dat schrijvers daarbij, voor zover ik weet, niet onder hypnose zijn gebracht.


Af en toe geeft Hacking tussen neus en lippen door een paar verwijzingen naar obsessieve reizigers in literatuur, in de Ilias bijvoorbeeld , of de Aeneas of in het verhaal van Jason en de Argonauten. Veel principiële verschillen tussen Odysseus en Dadas ziet hij niet, hij noemt Dadas een parodist van de reizen van Odysseus. Het zijn in ieder geval allebei obsessionele reizigers: bij Dadas is de obsessie het reizen zelf waarvan genezing niet mogelijk is, bij Odysseus is de obsessionele reis een geslaagd voorwendsel om thuis te komen en zich dus van het reizen te bevrijden. Een eindeloze stoet van gestoorde reizigers doemt nu op: Sinbad de Zeeman, Sint Brandaan, Marco Polo, Koning Arthur et cetera.


Maar mij komt ook het beeld voor ogen van Jean Jacques Rousseau, die halverwege de achttiende eeuw werkelijk eindeloze en nauwelijks gemotiveerde wandelingen door Frankrijk ondernam, van Genève naar Parijs, daarna naar Lyon en vervolgens weer naar Parijs, dit alles binnen een tijdsbestek van een half jaar. En die daar in Confessions schitterend over schreef. Wat te denken van Arthur Rimbaud, die als jongen van Charleville in het noorden van Frankrijk binnen zeer korte tijd naar Parijs wandelde en weer terug? En van de reizen van Jack Kerouac in On the Road?


Het grote opsommen kan beginnen. Wie eenmaal op het spoor van de verwilderde reiziger in de literatuur is gebracht, ziet plotseling hoe diep deze metafoor in literatuur van tegenwoordig is verankerd. De hele literatuur barst uit haar voegen van de compulsief reizende personages. Melville, Kafka, Faulkner, Hermans — de rij laat zich moeiteloos aanvullen. Vrijwel alle literatuur is sinds het einde van de negentiende eeuw de enscenering van een vergeefse reis, een hopeloze queeste. Helden en heldinnen hebben een obsessioneel doel voor ogen, ze gaan op zoek naar hun eigen duistere verleden, hun identiteit, hun ware aard, de echte liefde of wat dan ook, ze gaan op pad ter bestrijding van verveling, verlossing van obsessies en depressies, redding van de wereld of alleen maar om op weg te zijn. Om niet stil te hoeven staan. De reis is voorwendsel om tot genezing te raken. Dadas ging ze allen voor.



Ian Hacking, Mad Travellers: Reflection on the Reality of Transient Mental Illness, 239 blz., $27,95. Hylke Speerstra, It wrede paradys: Libbensferhalen fan Fryske folksferhuzers, 456 blz., ƒ39,50