M.J. Brusseprijs

Gekleurd door wierook en processies

‘Slim, braaf, gezond en godsdienstig’ moesten ze zijn, de jongens die na de oorlog werden toegelaten op het kleinseminarie Rolduc. Ze zouden een nieuwe stoottroep voor de katholieke zuil in Limburg gaan vormen. Bisschop Lemmens van Roermond had het persoonlijk aan de paus beloofd. Lemmens vreesde een totale zedenverwildering onder invloed van de Amerikaanse bevrijders: ‘De duivel is in Limburg losgebarsten.’ De provincie moest als het ware heroverd worden. Voor de oorlog was de eeuwenoude abdijkerk, nabij Kerkrade op de grens met Duitsland, een internaat voor de Nederlandse rooms-katholieke elite geweest. Politieke voormannen als Nolens en Cals, maar ook Lodewijk van Deyssel (die zijn herinneringen eraan in De kleine republiek boekstaafde) en de Brenninkmeijertjes (van C&A) gingen school achter de imposante façades. Vanaf 1946 werden de zalen met hun gewrongen marmerpilaren, gewelfde plafonds en fresco’s bevolkt door boerenjongens en slagerszoons met een priesterroeping. Het Limburgs was zelfs een tijd de voertaal op school. ‘Wij blijven zitten met de boerenklungels’, aldus een leraar.

Een van die ‘boerenklungels’ was Twan Geurts uit het rivierdorp Velden. Hij schreef een boek over zijn internaatstijd in de jaren zestig, toen in Rome het Vaticaans Concilie woedde en de moderne geest vaardig werd over Rolduc in plaats van andersom zoals de bisschop wenste: ‘Aan het begin van het decennium liepen alle priesterleraren nog in hun zwarte toog te brevieren door de gangen van de abdij. Tien jaar later waren veel van hen uitgetreden of samen gaan wonen met een vriendin.’ Zijn verslag van die ‘kleine revolutie’ is een goed doordacht en knap geschreven tijdsdocument.

Net als de meeste pupillen had Geurts een vage voorstelling van het priesterschap, gekleurd door zijn ervaringen als koorknaap en misdienaar, door wierook, processies, heel die ‘roomse romantiek’ waarvan het Limburgse leven doordesemd was. Sommige jongens hielden het al na een dag voor gezien op Rolduc. Slechts drie van zijn jaargenoten werden priester. Niettemin was het roomse internaatsleven in bepaalde opzichten werkelijk rijk, niet uitgedrukt in geld, maar in rust, medemenselijkheid en geborgenheid, zij het binnen nauwe geestelijke grenzen. Veel docenten en surveillanten (toezichthouders in het internaatsdeel) waren geliefd en de sfeer was ontspannen. Door de ogen van Geurts zie je de jongens uitgelaten voetballen op de stoffige ‘cour’ of in de lentezon een sigaretje roken op de monumentale trappen, maar ook elkaar in de bosjes of ‘s nachts in bed opzoeken voor troost en erotische exploratie, een verschijnsel waarvoor meer dan één surveillant een oogje dichtkneep.

Maar als ze zich opstelden bij de ronkende dieselbussen die hen voor de vakantie naar huis zouden brengen, kwam het voor dat één of meer jongens te horen kregen dat ze niet meer terug hoefden te komen vanwege hun onzedelijk gedrag. Die ‘heksenjacht’ was het werk van de latere bisschop van Roermond Jo Gijsen, een oud-Rolducien die uit alle macht de verandering in kerk en samenleving trachtte te stuiten. Hij was het prototype van de rancuneuze, seksueel geremde prelaat die gedijt in een gesloten wereldje zoals Rolduc. Gijsen hield niet van mensen. Als scholier was hij al ‘een hark van een jongen’ die zich altijd afzonderde. Als surveillant was hij ‘een collega met een kleine c’ die de koffiekamer meed en vroeger dan de anderen dineerde om maar niemand te hoeven ontmoeten.

Gaandeweg voorziet Geurts zijn portret van veelbetekenende details. Gijsen had eigenlijk willen studeren, maar daarvoor waren zijn schoolcijfers niet toereikend. Zijn priesteropleiding was tweede keus. Toen hij vanuit Rolduc uiteindelijk toch kon gaan studeren, deed hij dat in Bonn bij de orthodoxe Joseph Ratzinger, de huidige paus. Hij moest er om vijf uur ’s ochtends voor opstaan en te voet naar het station gaan, maar wat hij in Bonn leerde heeft hem definitief gevormd. ‘Daar waren ze heel kritisch over de Nederlandse kerkprovincie, daar is hij in de conservatieve hoek gepusht’, aldus een oud-collega. ‘Rome heeft dat goed gezien, zijn gehoorzaamheid kwam het leergezag goed van pas.’

Behalve star en vergeestelijkt – hij stond ‘bleek als een kaars’ voor de klas – was Gijsen ook onbetrouwbaar: ‘Je telde je vingers na als je zijn kamer verliet.’ Hij intrigeerde tegen collega’s, meldde zich ziek wanneer het uitkwam en haalde graag een wit voetje bij de bisschop. En ook hij kneep een oogje toe, niet voor de spelletjes van de jongens, maar voor ten minste één geval van jarenlang, systematisch seksueel misbruik. Dat de dader uitgerekend de populaire geschiedenisleraar was, slaat achteraf menige oud-leerling met stomheid. Dat Gijsen hem dekte, verbaast niemand. Geurts beschrijft het allemaal met groot gevoel voor nuance, helaas een zeldzame kwaliteit in deze tijd die hysterisch reageert op iedere zweem van seksueel misbruik. Rolduc is een mooie, ronde vertelling waarin de pijnlijke episoden niet worden geschuwd maar ook niet overdreven ten koste van de waardevolste les: het leven zegeviert altijd over de leer.

Twan Geurts. _Rolduc: De laatste dagen van een ­kleinseminarie. _Balans, 288 blz.,€ 19,95