Beeldende kunst: Koempel

Gekoloniseerd Limburg

In haar boek Het geluk van Limburg beschrijft Marcia Luyten de ongelukkige geschiedenis van Zuid-Limburg en de mijnindustrie. Zij noemt de snelle ontwikkeling van die industrie in de eerste helft van de twintigste eeuw ‘een totalitair project’ waarin patroons en kerk nauw samenwerkten. De Limburgse arbeiders werden klein gehouden en uitgebuit, maar het systeem voorzag ook in geborgenheid en ‘identiteit’.

Medium kunst

De conservatieve geest strekte zich uit tot het kunstonderwijs, gedomineerd door Charles Eyck en zijn Limburgse of ‘Maastrichtse’ School – sterk figuratief, sterk gericht op oudere, lokale, katholieke vormen.

Het verbaast niet dat direct na de Tweede Wereldoorlog een flink aantal getalenteerde jonge kunstenaars – Diederen, Lataster, Defesche, van Soest, Nols, Molin – de trein nam naar Amsterdam, om daar te studeren. Willem Sandberg nam enkelen van hen op in zijn tentoonstelling Jonge schilders in het Stedelijk in 1950, hij organiseerde ook een expositie van hun werk in Heerlen, en daarmee werd het paraplubegrip ‘Amsterdamse Limburgers’ geboren. In doorsnee waren zij net als hun neefjes in de Cobra-groep enthousiaste expressionisten, geneigd tot het grote, abstracte en vooral kleurrijke gebaar, waarmee ze kennelijk de beroete misère van het zuiden achter zich wilden laten.

Het is interessant dat de jonge presentatie-instelling Framer Framed dat omvangrijke (kunst)historische complex heeft opgerakeld voor een tentoonstelling van hedendaagse kunstenaars die ook in zekere mate door Limburg zijn gevormd. Framer Framed wil ‘de ontwikkeling van kennis en expertise op het gebied van interculturele processen in hedendaagse kunst bevorderen’; de expositie omvat dan ook een vitrine met documentatie over de oude Amsterdamse Limburgers en verbindt een en ander aan de geschiedenis van de ‘kolonisatie’ van het zuiden door het noorden.

Het is geen grote tentoonstelling, maar de keuze is afgewogen en heeft, alleen al in kleur, stijl en tint, een zekere consistentie. Er is een fraaie tekening van een vaderloos gezin, Parts, van Sidi El Karchi (Sittard, 1975) en er zijn mooie, ogenschijnlijk eenvoudige maar gelaagde schilderijen van Fons Haagmans (Schinnen, 1948), waarmee meteen de enige twee zijn genoemd die ook echt in de streek geboren en getogen zijn.

De andere vijf – Bas de Wit, Keetje Mans, Joan van Barneveld, Hadassah Emmerich en Rik Meijers – hebben allemaal in Maastricht gestudeerd, maar hun achtergrond is sterk verschillend. Mans groeide bijvoorbeeld op in Curaçao. Je mag ze best ‘koempels’ noemen maar in het ensemble van hun werk zie ik nauwelijks een gemeenschappelijk ‘Limburgs’ karakter (maar goed, ik kom dan ook uit de kop van Noord-Holland). Sommige van de uitgerekte menselijke vormen van Bas de Wit dragen een werkhelm, sommige een schep, daar zit iets van noeste arbeid aan vast. Fons Haagmans is het meest direct verbonden met het koempelverleden, met een mooi schilderij met een twijg in bronsgroen eikenhout, en een doek in zwart en wit dat Mijnlandschap heet en in de titel verwijst naar Henri Jonas (1878-1944), met Eyck een van de aartsvaders van de Limburgse School. Daar is een langere geschiedenis te herkennen, maar geschiedenis is nog geen traditie en traditie is nog geen identiteit, natuurlijk. Het is een ‘ambivalent statement’ zeggen de curatoren. Waarvan akte.

Koempels. Framer Framed, Tolhuistuin Amsterdam, t/m 6 december; framerframed.nl


Beeld: Bas de Wit, Hardcore Handshake, 2015. Foto Framer Framed