Olga van Marion, Heldinnenbrieven

Gekwelde heldinnen

Olga van Marion

Heldinnenbrieven

Vantilt, 416 blz., € 24,90

Literatuurgeschiedschrijving is geen vanzelfsprekendheid meer. Hebben vorige generaties de Nederlandse literatuur leren kennen aan de hand van standaardwerken als de Ontwikkelingsgang van Te Winkel en Nederlandse letterkunde van Knuvelder, tegenwoordig moeten we ons behelpen met gespecialiseerde deelstudies. Er verschijnen prachtige studies over de Rederijkers, over het boekwezen in de achttiende eeuw en over tijdschriften in de jaren veertig van de twintigste eeuw, maar een synthese ontbreekt. Wel staat er een grote nieuwe literatuurgeschiedenis op stapel, waarvan het deel over de Middeleeuwen dit jaar verschijnt, maar geen mens zal het in zijn hoofd halen die hele serie echt te gaan lezen.

Olga van Marion, als historisch letterkundige werkzaam in Leiden en Amsterdam, heeft met Heldinnenbrieven een klein wonder verricht. Aan de hand van één betrekkelijk onbekend genre heeft ze kans gezien een beeld te schetsen van veranderende literatuuropvattingen in de Nederlanden tussen 1412 en 1823. Dat is een ontzagwekkende prestatie, omdat Van Marion zich met het grootste gemak beweegt op de meest uiteenlopende terreinen die gewoonlijk alleen door specialisten betreden worden.

Omstreeks het begin van onze jaartelling publiceerde Ovidius een bundel met vijftien gedichten onder de titel Heroïdes (heldinnen). Elk gedicht werd gepresenteerd als brief van een mythische vrouw aan haar geliefde, geschreven op een dramatisch moment in haar leven: Medea staat op het punt haar kinderen te vermoorden, Ariadne verwijt Theseus haar te hebben achtergelaten op het eiland Naxos. In een latere versie voegde Ovidius er nog drie brievenparen aan toe, waarin bijvoorbeeld Paris niet alleen aan Helena schrijft, maar ook antwoord krijgt. Omdat enkele personages op verschillende plekken in de Heroïdes een rol spelen, ontstaat een netwerk van relaties dat begint te lijken op een brief roman. Ovidius legt de dramatiek er dik bovenop, uiteraard met de humor, ironie en intertekstuele dubbele bodems die zijn handelsmerk vormen.

Na de verantwoording van haar onderzoeksvraag en een hoofdstuk waarin de kenmerken van de Heroïdes worden bloot gelegd, behandelt Van Marion achtereenvolgens zeven fasen uit de ontwikkeling van het genre in Noord- en Zuid-Nederland, inclusief de Neolatijnse traditie, waarbij niet alleen vele grote namen de revue passeren, maar ook tientallen tegenwoordig volstrekt obscure auteurs. De receptie van de Heroïdes begint in de vijftiende eeuw met bewerkingen van afzonderlijke brieven, waarbij direct opvalt dat men moeite heeft met ofwel de immorele, ofwel de expliciet erotische kanten van Ovidius’ werk. Passages die minder geschikt lijken voor de christelijke lezer worden voorafgegaan door een waarschuwing, weggelaten of herschreven. De Antwerpse Rederijker Van Ghistele kwam bovendien met iets verrassends: hij schreef brieven waarin de heldinnen antwoord kregen van hun onfortuinlijke of onbetrouwbare vrienden, en hij introduceerde als eerste een nieuw personage.

Een volgende fase werd ingeluid door de Leidse neolatinist Janus Dousa, die een historisch personage aan het woord liet. Zijn brief van Jacoba van Beieren aan haar oom Jan werd weer beantwoord door Hugo de Groot. Interessant is dat in deze briefwisseling politieke motieven een rol speelden. De Hollandse gravin had zich immers verzet tegen de macht van de Bourgondische hertog, zoals de Republiek zich had afgescheiden van het Spaanse rijk.

In de zeventiende en achttiende eeuw werden, zowel in het Latijn als in het Nederlands, tientallen heldinnenbrieven geschreven die beschouwd kunnen worden als spiegel van het geestelijk leven van hun tijd. Bij Vondel lezen we brieven van vroeg -chris telijke heiligen vlak voor hun marteldood, na 1760 worden de brieven ingezet in de polemiek tussen patriotten en prinsgezinden, terwijl dan ook stevig gedebatteerd wordt over het evenwicht tussen rede en emotie. Maar aan het begin van de negentiende eeuw is de rek eruit, misschien doordat de historische roman, al of niet in briefvorm, schrijvers meer armslag biedt om zich in te leven in karakters van opmerkelijke vrouwen.

Tegen dit boek zijn vier kleine bezwaren in te brengen. Grenzen tussen literaire genres zijn altijd enigszins arbitrair. Door de definitie die Van Marion hanteert, vallen gefingeerde brieven in proza en brieven van anonieme of niet-beroemde vrouwen buiten de boot, terwijl anderzijds veel brieven van beroemde mannen wél tot het genre worden gerekend. In de tweede plaats brengt de aard van het onderzoek met zich mee dat Van Marion vaak verwijzingen naar Ovidius ziet waar ze niet behoeven te zijn. Bezorgde vrouwen die zich voorstellen hoe hun echtgenoten op het slagveld te keer gaan, treffen we bijvoorbeeld niet alleen in de Heroïdes aan, maar ook in alle klassieke epische gedichten. In de derde plaats vestigt Van Marion weliswaar de aandacht op het feit dat het genre ook interessant is vanwege de genderproblematiek, aangezien het merendeel van de heldinnenbrieven door mannen is geschreven, maar dit aspect komt in het boek niet echt uit de verf.

En ten slotte lijkt het Van Marion geheel te zijn ontgaan dat Ovidius’ Heroïdes het moeten hebben van hun absurde humor – maar de honderden navolgers die zij behandelt, hebben het genre ook veel te serieus opgevat. Bilderdijk is de eerste die zich er vrolijk over maakt, wanneer hij Helena laat antwoorden op de brief van Menelaus, zoals geschreven door P.C. Hooft: «Uw brief, mijn goede man, was zoo verschriklijk lang,/ En teemde en kermde zoo in éénen koekoekszang,/ Dat reeds op ’t eerste blad de vaak my had bekropen».

Misschien is het tijd voor een nieuwe opleving van het genre.

Van mij mag de bundel Paviljoenen van Willem Jan Otten, waarin Penelope uitvoerig aan het woord komt, als recente bijdrage worden beschouwd. En ik kijk uit naar poëtische brieven van Ayaan Hirsi Ali aan Theo van Gogh en van Neelie Kroes aan Bram Peper.