Gekwetste ego’s

Thomas Mann beschrijft in Buddenbrooks hoe hoogmoed en hebzucht tot de ondergang leiden. Heinrich Bresloer trapt met de verfilming van het boek in dezelfde val. Hij mislukt door zijn wil om iets groots te verrichten.

Welke bankier of ondernemer die door de kredietcrisis plotseling over veel vrije tijd beschikt, zal naar de boekenkast lopen om daar in de literatuur troost te zoeken voor zijn lot? Al te optimistisch hoeven we daar niet over te zijn. Een combinatie van onderwijs waarbij je vooral cijfers leert lezen en een invulling van de avonduren die de aanraking met cultuur heeft beperkt tot activiteiten waarbij te netwerken valt, zal de culturele horizon aanmerkelijk hebben beperkt. Maar laten we niet wanhopen: nu de cijfers tot nul zijn gereduceerd en ook het netwerken minder aangenaam zal zijn vanwege de vele koude schouders die de sorry-kapitalisten bij recepties in musea en muziekpaleizen worden toegedraaid, breken er mooie tijden aan voor alle cultuur die vooral in eenzaamheid gedijt. En dat is meer dan een goed boek. De perfecte audio-installaties en enorme flatscreens die voor steeds lagere prijzen worden aangeboden hebben van elke huiskamer een concertzaal annex bioscoop gemaakt. En voor wie er toch even uit wil, biedt de donkere zaal van de bioscoop altijd een veilig heenkomen.
Alhoewel de wereldliteratuur al eeuwen stand houdt als bron van kennis en als spiegel tijdens allerlei vormen van maatschappelijke turbulentie – menselijk falen is van alle tijden – moet de film nog altijd zoeken naar zo’n rol. Misschien komt het ervan bij deze recessie, want de eerste grote bloeiperiode van de film vond ook plaats na de Wall Street-crash van ’29. Dat biedt kansen. Toch zijn er hier en daar al wel pareltjes te vinden. En als ze er niet zijn, dan zijn ze bijzonder te maken. Want ruim honderd jaar cultuur die het publiek heeft aangespoord tot zelfwerkzaamheid en introspectie heeft er in ieder geval voor gezorgd dat zelfs over het meest banale product nog diepgaand te filosoferen valt. Ook in de eenzaamheid van de huiskamer. Het hangt er namelijk altijd van af hoe je ernaar kijkt.

Deze inleiding op de bespreking van de film Buddenbrooks van de Duitse regisseur Heinrich Bresloer, naar het gelijknamige boek van Thomas Mann, lijkt misschien overbodig, maar als je je zou beperken tot het treurige resultaat, dan waren we erg snel klaar. En dat zou jammer zijn. In de eerste plaats zal er niet gauw weer een poging worden ondernomen om dit meesterwerk uit de Duitse literatuur te verfilmen (‘Thomas Mann hebben we in 2009 al gedaan’). Bovendien geeft zo’n verfilming aanleiding om nog eens terug te grijpen naar het werk van Mann zelf en de filosofen die hem hebben gevormd, zoals Schopenhauer. Dan wordt ook duidelijk hoe actueel sommige teksten kunnen blijven, ondanks de linten en strikken waarmee ze kunnen worden ‘geperiodiseerd’.
Buddenbrooks: Het verval van een familie is de eerste roman van Thomas Mann (1875-1955) en verscheen in 1901. Samen met Dood in Venetië (1912) en De Toverberg (1924) is dat genoeg voor de Nobelprijs voor de literatuur, die hem in 1929 wordt toegekend.
In Buddenbrooks beschrijft Mann het totale verval van een aanzienlijk koopmansgeslacht uit de havenstad Lübeck. Men verliest aanzien, fortuin, gezondheid en ten slotte ook de laatste stamhouder die de familie-eer had kunnen redden. Waarom dit allemaal zo gebeurt, wordt verklaard uit een redeloos streven naar succes dat altijd en onontkoombaar tot de ondergang, tot ongeluk moet leiden. Lees Schopenhauer. Aan de allesvernietigende levenswil kan niemand ontsnappen. Je kunt er hoogstens een beperkte tijd afstand van nemen als filosoof of kunstenaar, in het bijzonder door de muziek. Mann laat zijn hoofdfiguur, Thomas Buddenbrook, hierin berusten door hem aan het eind van zijn leven de pessimistische filosofie van de rond 1900 bij kunstenaars populaire filosoof te laten ontdekken. Buddenbrooks is echter ook te lezen als een kritiek op de burgerlijke, Pruisische maatschappij en het kapitalisme in het algemeen. Dat is ook met enige kracht gebeurd door marxistische critici als Georg Lukács. Die gaat zelfs zo ver te stellen dat Mann eigenlijk zelf de revolutionaire dimensie van zijn eigen werk niet begreep. Ook is er een feministische lezing mogelijk, waarbij het verval te wijten is aan de manier waarop in dit patriarchale milieu vrouwen in gearrangeerde huwelijken worden gekoppeld aan vermogende mannen van aanzien zodat het familiekapitaal behouden blijft en de reputatie geen schade oploopt, want die twee gaan hand in hand. Het lijdelijke verzet tegen deze praktijk van de belangrijkste vrouwen in het verhaal, Thomas’ zuster Antonia en Gerda, de Amsterdamse vrouw van Thomas, een begaafd violiste, versnelt het proces van verval. Want de beloftes van voornaamheid en onbesproken gedrag blijken makkelijk te breken. Geen man is te vertrouwen.
Een vierde interpretatie is te vinden in de tegenstelling tussen zelfbeheersing en emotionaliteit, bohème en standenmaatschappij, een nogal actueel thema rond de vorige eeuwwisseling, toen het vrije leven van schrijvers, schilders, musici en acteurs steeds vaker werd geromantiseerd en afgezet tegen mensen die op gezette tijden werkten voor hun brood. In boek en film wordt dit verbeeld in de tegenstelling tussen de broers Thomas en Christian, en de muzikale aspiraties van de laatste stamhouder, Hanno, de zoon van Thomas en Gerda. En dan is er nog de verborgen homo-erotiek, een belangrijk thema in Dood in Venetië, maar toch ook aanwezig in Buddenbrooks, vooral in de uitvoerige beschrijvingen van het fraaie uiterlijk van Thomas, die als een dandy wordt afgeschilderd, en de typering van Morten Schwarzkopf, de eerste liefde van Antonia, die met zijn blonde jongensachtige schoonheid, getekend aan het strand in de badplaats Travemünde aan de Oostzee, een voorbode is van Tadzio aan het Lido-strand uit Dood in Venetië. In de complexe verhouding tussen Hanno en zijn jeugdvriend Kai komt dit thema nog explicieter aan bod.

Wat doet Heinrich Bresloer, de regisseur van deze film, met dit geweldige materiaal? De man die in de persmap van deze film laat optekenen hoeveel prijzen en medailles hij wel niet heeft gewonnen in zijn lange carrière, hoe intiem bekend hij wel niet is met de familie Mann, hoeveel televisiefilms hij wel niet heeft gemaakt, zodat hij de vanzelfsprekende regisseur van Buddenbrooks werd? Om te beginnen, en dit ter verontschuldiging, is Bresloer geen Visconti. En van dat kaliber zou je toch eigenlijk wel moeten zijn als je je waagt aan wereldliteratuur. Helaas voor hem is hiermee in 1971, bij de première van Dood in Venetië, een standaard gezet die moeilijk te overtreffen valt. Enkele van de weinige gelukte bewerkingen van wereldliteratuur zijn bovendien van Bresloers landgenoot Fassbinder, die zowel Effi Briest van Theodor Fontane als Döblins Berlin Alexanderplatz indrukwekkend verfilmde. Maar ook hij maakte van de laatste roman uiteindelijk een televisieserie.
Dat is het tweede grote manco van deze film. Bresloer heeft geprobeerd om de meer dan vijfhonderd pagina’s die Buddenbrooks dik is in een bioscoopfilm van tweeënhalf uur te proppen. Daardoor moest hij in zijn scenario voortdurend capriolen met de tijd uithalen om alle hoogtepunten uit de roman toch nog logisch met elkaar te verbinden. Hij laat van alles door en naast elkaar plaatsvinden waar Thomas Mann duidelijke scheidingen aanbrengt. Wie het boek niet gelezen heeft, kan er vaak geen touw aan vastknopen.
Familiegeschiedenissen hebben tijd nodig. Dat had hij kunnen leren van Ingmar Bergman (Fanny en Alexander) en Francis Ford Coppola (The Godfather). En dat zijn dan nog niet eens verfilmde negentiende-eeuwse romans. Maar ja, dan had hij moeten kiezen voor een televisieserie.

Zo trapte Bresloer in een val die Thomas Mann voor hem klaar had kunnen zetten. Hij mislukt door zijn wil om iets groots te verrichten. Zoals veel televisieregisseurs wil Bresloer namelijk te graag filmregisseur zijn. Hij doet daarvoor concessie op concessie: aan de verhaallijn, aan de filosofische interpretatie, aan de politieke dimensie en ten slotte aan de psychologie van de afzonderlijke karakters en hun rol in het geheel. Zijn belangrijkste ingreep is immers een perspectiefwisseling. Waar Thomas Mann de universele erfgenaam, koopman en politicus Thomas Buddenbrook de hoofdrol laat spelen, kiest Bresloer voor de charmes van zijn lichtzinnige zuster Antonia, en maakt haar, en daarmee actrice Jessica Schwarze, een Romy Schneider-look-alike, tot de ster van deze film. De onaangenamere kanten van haar karakter, zoals haar behoefte om zich te onderscheiden van de nieuwe rijken in Lübeck, de Hagenströms, zijn daartoe verzacht. Dat ze haar tweede man verlaat alleen omdat hij haar tijdens een ruzie ‘kakmadam’ noemt, blijft onvermeld.
Zo blijft een rijk gestoffeerd filmverhaal over met veel bals en diners, waar de scènes in een sneltreinvaart aan elkaar zijn geknoopt. En dan nog valt het op dat steeds dezelfde historische locaties in het oude Lübeck gebruikt zijn, en het hier verbeelde Amsterdam er wel erg Oost-Europees uitziet. In plaats van een spiegel voor het noodlot dat iedereen treft, werd Buddenbrooks-de-film onschuldig vermaak, met als belangrijkste boodschap dat geld niet gelukkig maakt. Het is de basis voor het succes van zoveel ander verfilmd kostuumdrama, zoals het verzameld werk van Jane Austen.
Thomas Mann beschrijft hoe slechte beleggingen, natuurrampen en menselijke zwakheden als hoogmoed, hebzucht, verleiding, jaloezie en bedrog in een ijzeren ritme tot de ondergang leiden. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. De reactie daarop echter wordt bepaald door de tijdgeest. Thomas Mann kiest voor een gelaten pessimisme – en enige troost in de muziek. Bresloer biedt zelfs dat laatste niet. Moet het hedendaagse slachtoffer van de kredietcrisis dan maar naar Mann en Schopenhauer grijpen, of toch die eenzame voettocht naar Santiago de Compostela gaan maken? In ieder geval heeft hij weinig houvast aan deze film waarin uitsluitend gekwetste ego’s te zien zijn, die, niet gehinderd door twijfel en zelfonderzoek, voortdurend worden getest of ze het uithouden onder de duizend-watt-lampen van de openbaarheid. Dát actuele tijdsbeeld heeft Bresloer met Buddenbrooks in ieder geval uitstekend verbeeld.

Buddenbrooks gaat op 9 april in première