Gekwetste zielen

Aartsvijanden waren het, de Franse schrijver Michel Houellebecq en de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy, maar nu even niet meer. Ze vatten in 2008 het plan op elkaar gedurende een half jaar brieven te schrijven, en zie: wat begon als een ordinaire scheldpartij eindigde in een broederlijke vriendschap.

Met name Houellebecq meende in de eerste brieven zijn naam en faam eer aan te moeten doen door Lévy voor ‘specialist in geflopte acties en schijnheilige mediaoptredens’ en ‘maker van de lachwekkendste film uit de geschiedenis’ uit te maken. Maar al gauw vinden de twee zwarte schapen van de Franse cultuur elkaar en delen ze hun diepe smart over onder meer het erbarmelijk lage niveau van de Franse pers, die hun talenten zo ernstig miskent en zoveel gif en modder in de dag- en weekbladen over hen uitstort. Ze voelen zich ‘gelyncht’ door de kritiek en zijn ‘de belangrijkste zondebokken van de Fransen’ geworden. Houellebecq deinst er zelfs niet voor terug de negatieve kritieken met de uitroeiingspolitiek van de nazi’s te vergelijken.

Het is bijna ontroerend om te lezen hoe beide schrijvers steeds meer woorden van troost vinden voor elkaars gekwetste zielen en hoe ze het uiteindelijk zelf ten diepste betreuren dat ze hun correspondentie na een half jaar reeds moeten staken. De uitgever staat namelijk te springen om hun briefwisseling onder de titel Ennemis publics als het grootste literaire evenement van het najaar te presenteren. Hetgeen dan ook gebeurt, in september 2008, en wel in de vorm van een groot media-offensief, waarbij tot op het laatst de namen van de schrijvers geheim worden gehouden.

De oplage was voor Franse begrippen uitzonderlijk: ruim 120.000 exemplaren werden er gedrukt. Maar ondanks alle televisie- en radio-optredens waarin de schrijvers soms bijna verliefd naar elkaar opkeken, was er na een half jaar nog geen kwart van verkocht. Gevreesd moet worden dat Houellebecq de grote verliezen die hij aan zijn eigen verfilming van zijn roman La possibilité d’une île leed met dit brievenboek niet goedgemaakt kunnen worden. Maar nu is er dan de Nederlandse vertaling, Publieke vijanden, dus er is nog hoop. Want beide auteurs zijn het er roerend over eens dat men in het buitenland wél oog en waardering heeft voor hun pennevruchten. De vraag is of dat terecht is.

De heren kunnen schrijven, dat staat buiten kijf. Maar hun brieven zijn, behalve eindeloze klaagzangen over de pers, vooral intellectuele excercities geworden die hun grote mate van eruditie moeten aantonen. Ze zijn duidelijk voor publicatie geschreven, dermate gepolijst is de stijl. De brieven zijn dan ook eerder essays over de bedroevende stand van zaken van de Franse cultuur en samenleving. Daarmee is dit brievenproject vooral een proeve van ijdelheid en van wraak op de pers geworden. Hoewel er ook over jeugdtrauma’s en ouder-zoon-verhoudingen wordt gesproken, durven beide auteurs zich zelden kwetsbaar op te stellen, laat staan zich bloot te geven, want ze weten dat er hopelijk vele duizenden met hen meelezen. Hierdoor krijgen de brieven iets gekunstelds en overheerst de indruk van een weloverwogen en weldoordacht beeld dat van henzelf geschapen wordt. Dat staat hen uiteraard vrij, maar het haalt juist de kracht en de charme van het brieven schrijven onderuit, dat nu eenmaal bij uitstek een genre is waarbij de kritische blik van de ander minder gevreesd hoeft te worden. Als je de brieven van Flaubert en Sand bijvoorbeeld leest, om twee Franse collega’s te noemen, zie je hoe deze de ruimte bieden om eens verder te tasten dan het bewust zelf geconstrueerde beeld. Een gemiste kans, dus? In zekere zin wel, maar dat neemt niet weg dat er passages in dit brievenboek staan die zeker de moeite van het lezen waard zijn.

Behalve enkele boeiende uitweidingen over literatuur en filosofie is het waarschijnlijk juist voor het Nederlandse lezerspubliek interessant om te lezen hoe Houellebecq en Lévy het in 2008 hartstochtelijk voor Ayaan Hirsi Ali opnamen, die naar Frankrijk was gevlucht omdat de Nederlandse staat haar veiligheid niet langer kon of wenste te waarborgen. Het is tevens een van de schaarse momenten waarbij Houellebecq eens niet aan zichzelf, maar aan een ander denkt. Lévy vertelt hem in een brief van 16 februari 2008 dat hij in Parijs een meeting rond Hirsi Ali heeft georganiseerd, die hij ‘een stralende jonge vrouw’ noemt, ‘die in Nederland ter dood is veroordeeld, omdat ze over de islam uitspraken heeft durven doen van hetzelfde type als de uitspraken die u, zeven of acht jaar geleden inmiddels, voor het gerecht hebben gebracht’. En hij voegt daaraan toe: ‘Ik vecht voor haar recht, voor uw recht, dat standpunt uit te dragen.’ Houellebecq, gevleid door het feit dat Lévy voor zijn rechten strijdt, antwoordt een paar dagen later: ‘Ik geloof niet dat de Franse politie in staat is Ayaan Hirsi Ali efficiënt te beschermen. Een moord op een publieke persoonlijkheid is niet makkelijk te voorkomen.’ Vervolgens raadt hij haar aan op een plek ‘met weinig moslims te gaan wonen, bijvoorbeeld in Praag of Warschau’ en de hulp van een ervaren informaticus in te roepen, die ‘haar echte IP-adres kan verbergen door middel van rerouting’. Hij heeft erover nagedacht, Houellebecq. Waarschijnlijk heeft hij zelf ook al eens zo’n ervaren informaticus geraadpleegd, om zich van de Franse jakhalzen te bevrijden die hem nog per mail op zijn vluchtadres in Ierland wisten te bereiken.

Bijzonder is ook hoe Houellebecq, die in het verleden toch geen gelegenheid voorbij liet gaan om zijn totale minachting voor de mens en de wereld te laten blijken, langzamerhand door het sociaal-politieke engagement van Lévy wordt aangestoken. Naarmate de briefwisseling vordert, verzacht zijn wereldbeeld, en waagt hij het zelfs over een ‘religie zonder een god’ te spreken, die ‘geen ander doel zou hebben dan mensen onderling te verbinden, en gemeenschappelijke waarden aan te reiken’. Een dergelijke filosofie kan volgens hem echter nooit overtuigen ‘zonder ook een geloof in het eeuwige leven’ te bieden, teneinde de mens in te bedden in een betekenisvolle tijd, ‘die anders is dan de materiële tijd van zijn veroudering en zijn verval’. Het is een interessante kwestie die Houellebecq hier aansnijdt, en die wellicht ook zijn hoop op de gekloonde, niet meer aan fysiek verval onderhevige mens verklaart, waarvan hij in enkele romans heeft blijkgegeven. We zouden de mens meer ‘vanuit het gezichtspunt van de bacterie’ moeten beschouwen, meent de voormalige biochemicus dan ook, waarvan we de fouten moeten inventariseren ‘en op grond van de resultaten de koers moeten bijstellen’. Ziektes en andere ‘fouten’ uit het DNA verwijderen, et voilà, de nieuwe, onsterfelijke ‘en meer tot samenwerking geneigde intelligente soort’ is op komst.

Hoewel het niet meer kunnen sterven mij een weinig aanlokkelijk vooruitzicht lijkt, voert Houellebecq hier een actueel gedachte-experiment uit, dat bij de humanistische denker Lévy echter op weinig bijval hoeft te rekenen. ‘De hele boel terugsturen naar het laboratorium en uit het reageerbuisje een iets beter product te voorschijn toveren?’, antwoordt hij verbolgen. Waarna de discussie helaas al snel onderbroken wordt, omdat er ‘iets vreselijks’, ‘iets waanzinnigs is gebeurd’. Dat ‘waanzinnige’ is het boek dat de moeder van Houellebecq, Lucie Ceccaldi, in het voorjaar van 2008 over haar zoon publiceerde, en dat een weinig rooskleurig beeld van de schrijver schetst. Maar goed, denk je dan, hij heeft zijn moeder zelf ook niet gespaard in Elementaire deeltjes. Tot een dergelijke, nuchtere constatering zijn de auteurs echter niet in staat. Beide mannen putten zich uit in de meest gruwelijke vergelijkingen van Ceccaldi met ‘monsterlijke, kannibalistische moeders die hun eigen kroost opvreten’, en plengen dikke broederlijke tranen over zoveel vrouwelijke verderfelijkheid. U moet ‘vol afgrijzen zijn, beschaamd, woedend, wanhopig’ door ‘zo’n blok geweld en haat’, schrijft Lévy invoelend aan de gekwelde zoon, die het natuurlijk allemaal beaamt. Het is ongehoord, het is van ‘een radicale boosaardigheid’, zijn moeder is, och arme, een van de meest ‘weerzinwekkende schepselen uit de krochten van de Griekse mythologie’. Een monsterlijke ‘Baba Jaga, die de schedel van zuigelingen openbreekt om hun hersenen te verslinden’. De beide auteurs kunnen niet genoeg gruwelijke metaforen aandragen om de vrouw te typeren die het gewaagd heeft eens iets terug te zeggen.

Zonder hier verder uitvoerig op de kwestie van de door de moeder verlaten zoon in te gaan, is het toch legitiem, lijkt me, je af te vragen wie er is begonnen met modder te smijten? Een vraag die overigens niet alleen op de moeder van Houellebecq van toepassing is, maar ook op zovele anderen die hij in boeken, interviews en artikelen beschimpt en vernederd heeft. ‘Waarom zoveel haat?’ vraagt Lévy zich bijna wanhopig af. Waarom wordt er toch zoveel haat over ons uitgestort? Een tamelijk eenvoudig antwoord op die vraag is blijkbaar toch nog net iets te ingewikkeld voor Houellebecq. Wie haat zaait, zal haat oogsten. En dus kan dit brievenboek eerder worden beschouwd als een bewuste versteviging van het pantser dat beide auteurs om hun ego hebben gebouwd dan als een oprechte poging dat te doorbreken.