Perquin

Geld

Omdat ik een nogal forse hoeveelheid kleingeld had gespaard, ging ik met een plastic zak vol muntjes naar een bankfiliaal in de buurt. Lang geleden heb ik een echte geldtelmachine gezien: een grote kast met een blinkende mond en verspringende cijfertjes.

Het maakte een geweldig kabaal. Zulke machines hebben ze nu niet meer. Het kantoor van de bank waar ik binnenstapte had überhaupt niet zo veel, begreep ik. Alleen een tafel en een computer. Een jonge vrouw met heel strak achterovergekamd haar en heel rode lippenstift legde mij dat uit. Ze droeg een naambordje waar ‘Kitty’ op stond en zag eruit alsof ze ergens boos over was. 'Wij zijn een kasloos kantoor’, zei ze. Ik vond dat echt een zin om over na te denken. En om zelf ook een keer te gebruiken. 'U bent een kasloos kantoor’, zei ik dus. Kitty knikte. Inderdaad. Ze keek naar mijn plastic zak alsof ze vermoedde dat er vuil ondergoed in zat. 'Maar’, zei ik, 'mag ik u misschien vragen wat u dan zoal doet, qua bankzaken?’
Kitty streek over haar gladde haar en zuchtte diep. 'Wij doen de dienstverlening’, zei ze. Natuurlijk, dacht ik. Stomme vraag. Hier doen ze de dienstverlening. Wat zouden ze anders moeten, in een kasloos kantoor? Er ging wel een zekere overzichtelijkheid vanuit, vond ik, om taken zo duidelijk uit te splitsen. Wie weet was het een formule met toekomst. Boekloze boekhandels. Partnerloze echtparen. Zandloze stranden. Broodloze bakkers. 'Nee mevrouw, hier doen we alleen de klant-gesprekken, voor het brood moet u in de andere vestiging zijn.’ Ik bleef peinzend voor me uit kijken, tot Kitty dienstverlenend bij de deur ging staan om mij uit te laten.
'Nog een prettige dag’, zei ze. Ze keek nog bozer dan eerst. Misschien had ze liever bij een echte bank gewerkt, dacht ik. Een bank waar mensen geld kunnen storten. Maar ja. Ze is een kasloos kantoor. Ik keek even om, toen ik met mijn zak kleingeld de straat overstak. Kitty stond nog bij de deur. Ze hield me in de gaten. Ik wilde zwaaien, maar ik durfde niet.