Voordragende dichters

Geld en gratis drank

Er kan de laatste jaren geen evenement voorbijgaan of ergens staan wel dichters voor te dragen. De oprukkende festivalcultuur heeft ook de dichtkunst omhelsd. Maar hoeveel daglicht kan de poëzie verdragen?

Je zult maar dichter zijn.

Dat denk ik als ik op een volmaakt gezichtsloze zondagmiddag in de trein naar Utrecht zit. Wat ik daar moet doen? Twee keer tien minuten gedichten voorlezen. Voor wie? In ieder geval niet voor mensen die op een poëzievoordracht zitten te wachten. Met de moed der wanhoop rangschik ik een stuk of vier, vijf gedichten waarvan ik weet dat ze me tijdens eerdere voordrachten niet in de steek lieten.

Maar dat was op de Nacht van de Poëzie. Tijdens Dichter aan Huis. Op Poetry International.

Vanmiddag zal alles anders zijn.

Dat blijkt meteen al als ik bij bushalte 11 onder Utrecht Centraal de organisatie van het evenement begroet. Wat is de bedoeling? Samen met een aantal collega-dichters – en, zo blijkt nu pas, evenzoveel stand-up comedians – moet ik vanaf het station twee busritten lang gedichten voordragen. Het is geen gewone busrit, nee, de hele dag staat in het teken van het HOV. Het wat? Het Hoogwaardig Openbaar Vervoer. Voor zover ik begrepen heb een nieuw type bus. Maar ik kan me vergissen.

Ondertussen tref ik collega-dichter Ruben van Gogh, die een bus eerder moet «optreden». Zijn altijd wat dromerige gezicht staat bezorgd. Vreemd is dat niet: de enige geluidsversterking waar de organisatie aan heeft kunnen denken is een megafoon.

Langzaam stroomt er een groep oude, zeg maar gerust uitgedoofde huisvrouwen bij lijn 11 samen. «Maar dat is míjn publiek!» schmier ik nog. En dan zie ik hoe Van Gogh met megafoon en al de bus in stapt.

Daar ga je.

Ben ik aan de beurt, dan zit er nagenoeg hetzelfde soort publiek in mijn bus. Veel vrouwen met pagekapsels, duifgrijze regenjassen en moegezwoegde boezems. Ernaast wat ongeïnteresseerde echtgenoten. Ook mij is een megafoon meegegeven, en omdat ik even, heel even nooit heb willen leven – waarom zou ik deze mensen in godsnaam met mijn gedichten lastigvallen? – kan ik me eigenlijk alleen maar verontschuldigen voor mezelf. Dat doe ik dan ook, en na een of andere laffe introductie begin ik met een gedicht.

Door de megafoon.

Al na tien seconden klinkt er gemor. «Ach jongen», zegt een van de moegezwoegde, grijsgejaste vrouwen met haar handen op haar oren, «doe me een lol. Leg die megalofoon toch weg.»

Omdat ik hard, wat zeg ik, heel hard kan praten, leg ik mijn megalofoon bij de buschauffeur en ga ik op eigen kracht verder. Ondertussen vraag ik me af wat voor beeld de organisatie eigenlijk van dichters heeft. Denken ze nu echt dat dit publiek op poëzie zit te wachten? Dus houd ik het na een tweede gedicht voor gezien en begin ik maar wat te ouwehoeren. Over Utrecht. Over het verschil tussen treinmachinisten en buschauffeurs. En over het nieuwe bustoestel waar we nu in zitten. «Behoorlijk hoogwaardig, niet?»

Lachend legt de buschauffeur me uit dat we helemaal niet in een nieuw soort bus zitten. «We rijden vandaag voor het eerst over een gloednieuw wegdek. Dat is wat er bedoeld wordt met Hoogwaardig Openbaar Vervoer.» Mijn schaamte is compleet. Godzijdank – en daar is het mij natuurlijk om te doen – staat er over een paar weken duizend gulden op mijn bankrekening.

Als ik min of meer gekruisigd de eindhalte bereik, zie ik twee mededichters staan. En ook een stand-up comedian die het beduidend meer naar zijn zin heeft gehad. Na een minuut of tien begint mijn terugtocht. Olijk vraagt een vrouw: «Is dit de dichtbus of de lachbus?»

«De dichtbus, mevrouw.»

Nog net op tijd is ze de bus uit.

Wat is de functie van een voordracht? Daar ben ik, na ik weet niet hoeveel optredens, nog altijd niet achter. W.H. Auden, die zelf spookachtig mooi kon voordragen, zei ooit: «Het ideale publiek dat de dichter zich voorstelt bestaat uit personen van grote schoonheid die met hem naar bed gaan, mensen met macht die hem te eten vragen en staatsgeheimen vertellen, plus zijn mededichters. Zijn feitelijke publiek bestaat uit bijziende schooljuffrouwen, puistige jongelingen die eten in snackbars, plus zijn mededichters. Het komt er dus op neer dat hij schrijft voor zijn mededichters.»

Daar zit wat in. Het zijn vooral de opmerkingen van je mededichters die je bijblijven. En daarbij: poëzieliefhebbers, échte poëzieliefhebbers bestaan niet. Ze komen naar je kijken omdat ze stiekem zelf ook schrijven. Omdat ze het beter kunnen. Of konden. Het percentage poètes manqués is hoog.

Voordragen doe je, heel simpel, om er geld mee te verdienen. Zoals bekend kan geen dichter van de verkoop van zijn bundels leven – hier niet, in Engeland niet en al helemaal niet in Amerika, waar de gemiddelde oplage van een dichtbundel nog geen zevenhonderd exemplaren beslaat. Net iets minder dan in Nederland dus.

Dat een dichter toch graag enige beloning voor z'n werk ziet – wie kan hem dat verwijten? De vraag is alleen hoe ver je moet gaan. Zodra je een dichtbundel op je naam hebt staan, worden je de vreemdste voorstellen gedaan. Zo werd mij ooit gevraagd of ik het ook goed vond dat er tijdens mijn voordracht een action-painter op het podium stond. Of ik niet even een ritmebox kon meenemen. Of ik misschien ook een «videodagboek» wilde bijhouden, dan werd dat tijdens mijn voordracht geprojecteerd. Ik herinner me zelfs een redactrice van een radioprogramma die me twee dagen voor het radio-interview vroeg of ze misschien een microfoon met standaard moest huren.

«Hoezo?»
«Voor het geval dat je een gedicht gaat performen.»

Een jaar geleden werd ik plotseling zo tomeloos neerslachtig van al die festivals en voordrachtavonden dat ik sindsdien mijn burcht alleen nog verlaat als er waarlijk iets volwaardigs tegenover staat. Het dieptepunt was misschien wel een festival in Delft. Zoals wel vaker had de organisatie iets vaags over de telefoon meegedeeld, maar de vergoeding was goed en het was zomer, dus wat kon mij het schelen. Pas in Delft bleek wat me te wachten stond.

Waar ging het om? De organisatie had een twaalftal dichters uitgenodigd om buiten op een gracht een voordracht te houden. Niet op een podium, niet netjes na elkaar, maar elk afzonderlijk op een plek langs de gracht. Om het kwartier moest er van locatie gewisseld worden. Had iedereen twaalf keer voorgedragen, dan zat het programma erop.

Om redenen die mij onduidelijk waren, waren alle dichters gevraagd zich zo ludiek mogelijk uit te dossen, iets wat iedereen voor het gemak maar even vergeten was. Eén dichter niet. En ludiek was hij, met zijn lange zwarte cape en hoge tovenaarshoed. Om zijn nek hing een groot zwart boord met zijn credo: «Schrijven is toveren in je hoofd.»

Je moet er maar op komen.

Toen alle dichters om negen uur aan hun voordracht begonnen waren, stond ik vertwijfeld tegen een muur. Met geen mogelijkheid wist ik mijn schaamte te overwinnen. Pas na een half uur slaagde ik erin «spontaan» – wat haat ik dat woord toch – een gedicht voor te dragen. Verbaasd bleven wat mensen staan luisteren. Na afloop kreeg ik zowaar applaus. Op naar de volgende locatie. Nog drie gedichten. Dan begint het opeens te regenen. Niet even, niet zachtjes, maar hevig en hard, zo'n regen die je alleen ’s zomers hebt. Als ik naar Adriaan Bontebal loop, straalt zijn gezicht van opluchting. «Weet je wat ik doe? Ik kap ermee.»

Zo snel we kunnen lopen we naar het verzamelpunt en schenken een glas wijn in. Pas na een minuut of twintig druipt de volgende dichter binnen. Dan nog een, en nog een, stuk voor stuk met verregende A4'tjes in hun hand. Teleurgesteld dat hij niet nog een uur uit zijn Onsterfelijke Oeuvre heeft kunnen reciteren, roept een dichter: «Die regen! Die schijt regen! Ik haat Holland!»

Dit nooit meer, dacht ik in de trein terug.

Natuurlijk heeft het wel wat, al die aandacht die je als dichter ten deel valt, en brengt het zeker ook geld op, maar voor je het weet ben je in een kleinkunstenaar veranderd. Dat ligt niet zozeer aan het publiek als wel aan de organisatoren van al die ludieke evenementen. Steeds vaker lijken organisaties bezeten van de gedachte dat alle kunsten op het podium moeten samenvloeien, een verschijnsel dat ook de «gewone» voordrachtavond in zijn greep lijkt te krijgen. Dus word je inderdaad gevraagd of je «niet even een ritmebox kunt meenemen». Dus gaat een optreden niet door als je geen veejay achter je hebt staan. Dus ben je alleen welkom met muzikale begeleiding, house of strijkers, het maakt niet uit, als het maar ludiek is. Een voordracht op eigen kracht lijkt er niet meer bij.

Waarom eigenlijk niet? Waarom mogen de woorden, waar zo lang op gebroed is, het niet zelf doen? Dat een poëzievoordracht weleens saai kan zijn – ik zal het niet ontkennen. En wat dan nog? Poëzie is nu eenmaal niet hip en zal dat ook nooit worden. Juist daarom maken al die performancedichters met hun gitaren, synthesizers en didgeridoo’s soms zo'n krampachtige indruk op mij. Formeer een band, schrijf songteksten, maak echte muziek, maar denk niet dat je gedichten ook maar één seconde beter worden van al die afleidings manoeuvres.

Waarom ik dan toch voordraag? Omdat het mijn ijdelheid streelt als ik voor een mooi programma word uitgenodigd. Omdat mijn gedichten soms, heel soms, vleugels krijgen als ik ze met het juiste publiek deel. En omdat er geld mee te verdienen valt. In ieder geval genoeg om te vergeten hoe weinig mijn gedichten in druk opleveren.

Geld dus. En gratis drank. Zoals Anton Korteweg schreef:

Die avond las ik in
Groningen. Het
was weer eens herfst en
dan moet dat.

Dat liefde sterft, het
verstrijken van tijd,
onbereikbaarheid,
dat soort dingen.

Door wat werd aangericht,
bleek het publiek gesticht.
En ik kreeg à contant
mijn geld, en gratis drank.