Het Medicigeld

Geld en verbeeldingskracht

Tim Parks
Het Medicigeld
De Arbeiderspers, 270 blz., € 18,95

Zou er een Italiaanse familie bestaan over wie de afgelopen zeshonderd jaar meer pagina’s zijn volgeschreven dan de Medici’s? Het lijkt onwaarschijnlijk. Tientallen boeken en honderden artikelen verschenen er over de Florentijnse bankiers. Over hun politieke machtsspelletjes, over hun boekhoudkundige praktijken, over hun patronaat, hun kleding, hun weeldewetten en handelsgaleien. De Medici-literatuur vormt een volwassen genre op zich. Je moet van goeden huize komen wil je daar nog iets nieuws aan toevoegen.

Dat er in academische kringen op Tim Parks’ nieuwe non-fictieboek Het Medicigeld gemopperd zal worden, daar twijfel ik kortom niet aan. Dat het buiten die academische kringen even gulzig zal worden verslonden, daaraan twijfel ik evenmin. En terecht: Het Medicigeld is een heerlijk boek dat ik iedereen die Florence aandoet (en eigenlijk ook iedereen die dat niet doet) van harte wil aanbevelen. Parks is niet alleen een bijzonder enthousiasmerende gids in de slangenkuil die het veertiende-eeuwse Florence was, hij weet ook van zijn verhaal over vijf generaties oerslimme maar aartslelijke mannen een parabel over het hedendaagse Italië te maken. Lorenzo Il Magnifico mag tegenwoordig dan Silvio Berlusconi heten en de propagandistische schilderingen van Sandro Botticelli op de buitenwanden van het Palazzo della Signoria mogen hebben plaatsgemaakt voor het betere tiet-en-beenwerk op Rai Uno, voor de rest is het nog altijd hetzelfde gepaai en gekonkelfoes dat de klok slaat. Eigenlijk ontbreken in dit boek alleen de omgekochte voetbalscheidsrechters, hoewel het gesjoemel in het Florentijnse stadsbestuur daar dicht bij in de buurt komt.

De vele larger than life-personages geven Het Medicigeld kleur. De ijverige Giovanni, de doortrapte Cosimo, de jichtige Piero (‘er waren dagen dat hij alleen zijn tong kon bewegen’, noteert Parks droogjes), de ijdele Lorenzo, de voetbalminnende Piero di Lorenzo – het zijn stuk voor stuk prachtige personages. Parks besteedt de meeste pagina’s aan Cosimo (1389-1464). Hij is de homo universalis pur sang: één been in de oude wereld, één been in de moderne tijd en wat daartussen hangt toevertrouwd aan de knuistjes van een ‘gezonde maagd zonder ziekten, van eenentwintig jaar oud’, natuurlijk afkomstig uit Noord-Afrika – want slavernij was de normaalste zaak van de wereld.

Cosimo was godsvruchtig en onmatig, nederig en ijdel, een vat vol tegenstrijdigheden, een wandelende paradox. Hij was ook listig en wreed – ‘je kunt geen staat besturen met onze vaders’, placht hij te zeggen wanneer hij weer een paar tegenstanders had laten verbannen of elimineren – en kunstminnend en genereus. Maar vóór alles was hij een politiek genie, een kei in het nemen van ad hoc beslissingen. Onder Cosimo groeit de Medici-bank uit tot een machtig imperium met filialen in Rome, Pisa, Napels, Venetië, Genève en worden kunst- en bouwwerken gemaakt – Donatello’s David, Brunelleschi’s duomo – die Florence tot op de dag van vandaag tot een geliefd toeristenoord maken. Onder Cosimo ontstaan echter ook de machtshonger en de hang naar politiek prestige die van de Medici’s niet alleen heersers over Florence zullen maken (achter de schermen), maar die uiteindelijk ook de neergang van de bank zullen betekenen.

Vergeleken met Cosimo is Lorenzo een wat meer eendimensionale figuur: de verwende kleinzoon terend op oud geld. Hij representeert een nieuw type vorst. Gecultiveerder, zelfbewuster. Lorenzo was geen bankdirecteur, hij spéélde dat hij er een was. Hij was ook een begaafd dichter die zowel thuis was in het genre van de hoogdravende platonische poëzie als in dat van het schunnige carnavalslied (‘we hebben komkommers, en grote/ hoewel ze wat raar en bobbelig ogen/ mondjes open en zuigen maar/ straks wil je vast niets anders’).

Als bankdirecteur had hij één handicap: hij interesseerde zich niet voor geld. Als hij de boel overneemt zit de klad al in de bank, en het zou alleen nog maar bergafwaarts gaan. Terwijl macht en aanzien toenamen slonk het kapitaal. Filiaaldirecteuren from hell leenden geld aan onkredietwaardige vorsten, of speelden zelf voor vorstje; een mislukte poging om een monopolie te krijgen op de aluinmarkt bracht de bank op het randje van het faillissement. Toen Lorenzo’s opvolger Piero de boel overnam, restten er van het familiefortuin slechts kruimels.

Tim Parks vertelt dit meeslepende verhaal van opkomst, bloei en ondergang op de toon die we kennen uit zijn fictie: koortsig, opgewonden, druk; de associaties en uitwijdingen stapelen zich op. In de romans werkt dat bedwelmend, hier is het dronken makend. De passages waarin de stadsstaten elkaar bevechten zijn naar mijn smaak de zwakste in het boek; ze doen amechtig aan, bezwijken onder de hoeveelheid feiten, jaartallen, intriges, machtswisselingen. Meer op zijn gemak is Parks wanneer hij zijn borende blik laat gaan over de curieuze Florentijnse zeden en gewoonten. Mooi is de uiteenzetting over de naast elkaar bestaande valuta’s. Zo was de lira a fiorino 20/29ste van een florijn waard, en kon ze verdeeld worden in twintig soldi a fiorino, die weer verdeeld konden worden in twaalf denari a fiorino, wat maakte dat er in één florijn 348 denari en 29 soldi gingen, hoewel die munten natuurlijk helemaal niet bestonden (Parks: ‘Wie zegt dat geld en verbeeldingskracht niet samen gaan’).

Nog mooier is de anekdote over de wetten die het plebs ervan moesten weerhouden om te veel geld over de balk te smijten, en die zo de natuurlijke orde (dat wil zeggen: de orde waarin de rijken rijk bleven) in stand hielden. Maaltijden van meer dan twee gangen waren verboden, net als kleding met meer dan één kleur, fijne stoffen voor kinderen, zachte leren zolen onder je witte linnen sokken (stel je voor!) en knopen op de jas op plaatsen elders dan tussen pols en elleboog. Vooral die laatste wet was kennelijk erg van belang, want er werd een speciale modepolitie ingesteld die erop toezag dat ze werd nageleefd. Die arme Florentijnse nouveau riche: hadden ze eindelijk geld gemaakt, mochten ze het niet tonen. In die zin verschilde de veertiende eeuw toch nog een beetje van onze tijd.