Geld, gitaren en generaties

Italië. Op het terras buiten staat een televisietoestel. Daarvoor zitten zo’n twaalf mannen waaronder misschien drie vrouwen. Ze kijken naar een zangprogramma, een soort Idols of The Voice, voor kinderen.

Medium opheffer 31 2012 italy

Het programma wordt regelmatig onderbroken voor reclame, maar soms ook voor andere programma’s. Daaronder een programma over Europa en de euro.

Dat programma wordt niet met grote aandacht gevolgd.

Dan vraagt een jonge man aan mij: ‘Waar komt u vandaan?’

‘Uit Nederland.’

‘Is daar werk?’

Ik schud mijn hoofd en vertel dat bij ons de crisis ook toeslaat.

Dan vraagt hij mij iets wat ik niet direct begrijp. Ik vraag hem de vraag te herhalen en mijn vriendin vertaalt dan: ‘Hij vraagt wanneer je gelukkig bent.’

‘Vraagt hij óf ik gelukkig ben, of wannéér ik gelukkig ben?’ vraag ik op mijn beurt aan mijn vriendin.

‘Hij wil weten wanneer je gelukkig bent.’

Een grappige vraag en ik probeer eerlijk te antwoorden: ‘Zeg hem maar: als ik bij jou ben, als ik lekker aan het eten en drinken ben, en… als ik mijn kleinzoon zie.’

Dan zegt de man: ‘Dat kost niet veel.’ En hij gaat door: ‘Alles wat echt leuk is, is gratis. Vrijen met de buurvrouw, in de zon liggen, praten met vrienden, naar voetbal kijken, naar zingende kinderen kijken, lachen, dat kost allemaal niets, daar heb je geen geld voor nodig. Maar als mensen geen geld hebben, zijn ze toch ongelukkig.’

‘Omdat als je ziek wordt, kun je geen dokter betalen’, zeg ik.

‘De dokter helpt je wel.’

‘Maar je kunt geen medicijnen betalen. Straks heb je een nieuw hart nodig.’

‘Als je er zo erg aan toe bent dat je een nieuw hart nodig hebt, dan moet je maar sterven’, zegt de man.

‘Maar als je kind nou een nieuw hart nodig heeft? En je hebt geen geld?’

‘Dan steel ik dat geld’, antwoordt hij snel.

Ik lach, maar besluit niet op te geven: ‘Bij wie steelt u dat geld dan als niemand geld heeft?’

‘Dan ga ik met mijn geweer naar het ziekenhuis en dan bedreig ik de directeur en zeg: “Geef dat kind een nieuw hart of ik geef hem het jouwe.”’

Omdat ik vermoedelijk de rijkste ben van ons beiden trakteer ik op drank. De man vertelt dat hij geen werk heeft. Dat is te zeggen: hij werkt hard, maar het is geen betaald werk. Hij helpt ’s ochtends bij zijn broer die een pizzeria heeft, dan helpt hij ’s middags zijn vader op het land en soms helpt hij een ander familielid. Hij is getrouwd en heeft een vrouw die zwanger is. Ze helpt haar eigen moeder. Dan zegt hij: ‘Mijn vader heeft een Argentijns rund gekocht, dat gaan we morgen roosteren. Dan komt de hele familie. Zo’n veertig mensen. Mijn vrouw gaat een tomatensla maken.’

‘Als u mocht kiezen, wat zou u dan voor beroep willen hebben?’ vraag ik.

Hij moet er lang over nadenken en zegt dan: ‘Ik zou graag gitaarbouwer willen zijn. Van elektrische gitaren. Je kunt op internet voor nog geen honderd euro een bouwpakket bestellen waarmee je je eigen elektrische Fender kunt maken. Ik wil zulke gitaren maken maar met een heel speciaal geluid. En dan zou Eric Clapton met mijn gitaar moeten spelen.’

Als hij mij om die honderd euro gaat vragen, geef ik het, denk ik in een sentimentele, paranoïde bui, want zelfs als dit een opzetje is om mij geld afhandig te maken heb ik er respect voor. Maar hij vraagt niets. Hij gaat nog even door over het geluid van een elektrische gitaar.

‘Van alle instrumenten vind ik dat een elektrische gitaar het best kan laten horen hoe mijn generatie huilt.’

Dan begint het Idols voor kinderen-programma weer.