Geld is stront

Wees op uw hoede voor mensen die urenlang op de wc doorbrengen! Het zijn schrapers, vrekken, gierigaards. Freud en zijn collegae psychoanalytici hebben daar een theorie over. Maar het is in feite een oeroude wijsheid.
DE ROMEINSE KEIZER Vespasianus liet de uitwerpselen van zijn onderdanen inzamelen, voor welke dienst hij de burgers belasting liet betalen. Van die mensenmest maakte hij ammoniak, die in wasserijen werd gebruikt. Dat was dubbel verdienen voor de keizer. Zijn zoon Titus verweet hem dat hij geld sloeg uit menselijke drek. Waarop Vespasianus hem een munt onder de neus duwde en hem vroeg wat hij rook. ‘Niets’, zei Titus. ‘Zie je wel’, riep Vespasianus, ‘pecunia non olet!’ - ‘Geld stinkt niet.’

Wat Titus heeft geantwoord, vermeldt de geschiedenis niet. Besefte hij dat hij een waarheid op het spoor was die een van de pijlers vormt van de menselijke beschaving? In het collectieve onbewuste der mensheid staat geld gelijk aan stront. Niet voor niets noemden Babyloniers hun goudstukken ‘de uitwerpselen van de hel’, de Azteken hun munten 'de uitwerpselen van de goden’ en de Melanesiers hun schelpengeld 'de uitwerpselen van de zee’. En hoeveel dukaten worden er niet in sprookjes gescheten? En hoeveel gouden eieren worden er niet gelegd? Wie kent niet dat sprookje van de duivel die zijn liefjes goud schonk, dat in drek veranderde zodra hij hen verliet? En wat te denken van het volksgeloof dat een vogel die op je kop schijt fortuin brengt? En van dieven die voor de door hen ontvreemde goederen 'betalen’ door op de plaats van het misdrijf een drol achter te laten?
Ook het beroemdste sprookje van de twintigste eeuw, Freuds theorie der psychoanalyse, vertelt ons dat er een innige band is tussen geld en stront. Er was eens een baby, zo begint dat sprookje, en die baby moest op de pot. Die baby kon twee dingen doen. Hij kon zijn moeder plezieren, haar zijn onvoorwaardelijke liefde bewijzen, door haar een drol te schenken, het waardevolste wat hij had. Maar hij kon haar ook treiteren, hij kon de billen samenknijpen en koppig weigeren zich op haar bevel te ontlasten. De sprookjesbaby deed dat laatste en beleefde er tot zijn verbazing nog plezier aan ook. Het ophouden van zijn drukwerk begon een obsessie voor hem te worden, alles wat met ontlasting te maken had, hield hem zijn hele jeugd lang hevig bezig. Toen hij later groot was, bewonderden de mensen hem om zijn ordelijkheid en spaarzaamheid, al vonden ze hem ook een tikje eigenzinnig. Zijn naasten leerden hem echter kennen als een gierigaard en een huistiran, met wie geen land viel te bezeilen. Maar hoe dan ook: hij leefde in grote welstand.
TYPISCH EEN 'anaal-erotisch karakter’, oordeelde dokter Freud. Daar hadden hij en zijn collega’s er in hun praktijk wel meer van gezien. De miljonair die zijn kinderen leerde hun eten zo lang mogelijk binnen te houden, zodat ze er zo veel mogelijk 'rente’ van zouden trekken; of die andere rijke stinkerd die licht op de wc maar een overbodige luxe vond en die woedend werd als zijn gezinsleden te veel toiletpapier gebruikten; of de wanbetaler die, wanneer de dokter hem op openstaande rekeningen wees, antwoordde met een harde scheet; of de manische depressieveling, die in zijn manische fase dacht zijn therapeut met stront te kunnen betalen en in zijn depressieve fase de rekeningen door de wc spoelde - de heren en dames psychoanalytici zijn ze allemaal in hun praktijk wel eens tegengekomen.
Een heel beroemde was de 'Rattenman’, een patient die door Freud zo genoemd werd vanwege de lugubere geschiedenis die hij, liggend op de divan, vertelde. In dienst had een Tsjechische kapitein hem verteld van de zogeheten 'rattenstraf’: de gestrafte werd op zijn buik vastgebonden, waarna er een emmer met ratten omgekeerd op zijn achterste werd geplaatst. Die ratten… boorden zich… 'In zijn anus’, vulde Freud de van afgrijzen verstijfde patient aan. Waarna het voor de Weense wonderdokter nog maar een koud kunstje was om de financiele trauma’s (gokken, schulden, angst voor armoe) die achter dit anale verhaal schuilgingen, naar boven te kietelen. Hij schreef er een van zijn triomfantelijkste ziektegeschiedenissen over, waarin hij nota bene bekent de uiteindelijke genezing te hebben bezegeld met een gezamenlijk etentje - een hoofdzonde voor een psychotherapeut, zoiets als met je patient naar bed gaan.
Ordelijkheid, spaarzaamheid en eigenzinnigheid, de eigenschappen die te zamen het anaal-erotische karakter vormen - ze doen wel erg burgerlijk, kapitalistisch en patriarchaal aan. Dat kon de maatschappijcritici onder de psychoanalytici natuurlijk niet ontgaan. Wilhelm Reich wees er al vroeg op. Maar het was de jonge Erich Fromm die als eerste een heuse theorie erover ontvouwde. Het kapitalisme, schrijft hij in 1932 in het prestigieuze Zeitschrift fur Sozialforschung, drijft voor een belangrijk deel op anaal gefixeerde lieden. Wie de psychoanalytische literatuur erop naslaat moet het volgens Fromm wel opvallen hoe veel gevallen er bekend zijn van faeces-fetisjistische schrapers, vrekken en spaarders. Allemaal hebben ze het hun moeder vroeger knap lastig gemaakt, toen die hun op de pot wilde leren poepen. Allemaal hebben ze een beeld overgehouden van een strenge, straffende moeder. Allemaal hebben ze op die moeder wraak genomen door later hun medemensen op te lichten, uit te zuigen en het vel over de oren te halen. En allemaal hebben ze de belasting opgelicht, omdat de staat voor hen een soort namaakmoeder was op wie ze hun gram wilden halen. Nee, dan de proletarier, droomt Fromm verder. Die is niet met harde hand tot zindelijkheid gedrild, die houdt nog echt van zijn moeder, die is nog tot ware mensenliefde in staat. Die is, kortom, de hoop voor de toekomst.
Het is een gedachtengang die, hoe kon het ook anders, in de jaren zestig en zeventig weer machtig populair werd. Reich werd herontdekt, Fromm werd herontdekt, de anti-autoritaire opvoeding werd herontdekt, en in creches mochten kinderen in hun eigen poep roeren. O, wat was iedereen giechelig geschokt over de scene in de recente documentaire De creche waarin peuters - het was begin jaren zeventig - vrolijk met kak in de weer waren. En wat was er van die peuters twintig, vijfentwintig jaar later terecht gekomen? Krakers, eco- softies, zachte vaders. Geld verdienen was er niet bij.
Nee, ouders die willen dat hun kinderen later, na de ineenstorting van de AOW, garant staan voor een plezierige oude dag, doen er goed aan hun kroost een streng potregime op te leggen. Hoe hardhandiger ze hun peuter leren zijn drukje op te houden, des te spaarzamer hij later wordt en des te meer rijkdommen hij zal vergaren. Voor ouders begint het investeren in de toekomst bij de zindelijkheidstraining van hun nakomelingen.
EEN EXTRA BEWIJS voor de innige verwantschap van geld en drek is de gelijke mate waarin beide buiten de openbaarheid worden gehouden. Het zijn de nummers een en twee op de lijst van resterende taboes. Op ruime afstand van seks, waarover veel en openlijk wordt gesproken, behalve, veelzeggend genoeg, over de varianten die met geld en drek te maken hebben. Toegeven dat je naar de hoeren gaat of aan plas- en poepseks doet, het geeft nog altijd geen pas.
Het was Gerrit Komrij die in de reeks taboe-lezingen, vorig jaar in de Amsterdamse Balie, de vinger op de drol legde. 'Seksuele wapenfeiten of aberraties, we verslinden ze of lopen ermee te koop. Maar over iemands prestaties op de pot of juist zijn vergeefs broeden op dezelve, met gekwelde blik en uren achtereen, geen talkshow snijdt het aan.’ Ook Komrij is de inwisselbaarheid van geld en stront niet ontgaan. 'Het is net zo “not done” om over je drol te spreken als over je inkomsten of je banksaldo’, stelt hij vast, en hij voegt er nog een opmerkelijke analogie aan toe: 'Geld heeft met stront gemeen dat het, wil er iets uit groeien, verspreid moet worden. Het ene moet in de economie gepompt, het andere over de akkers verstrooid.’
Dat we geld en stront, zoals het taboes betaamt, met een mengeling van angst en achting behandelen, bewijst de moderne gewoonte om ze in marmeren paleizen op te sluiten. Toiletten en banken, het is een en al glanzende pracht vandaag de dag. Nogmaals Komrij: 'Hoe rijker en hoogmoediger we werden, hoe sjieker onze banken en kleine kamertjes er uit gingen zien. Hoe stinkender rijk de maatschappij werd, hoe meer de stank moest worden uitgebannen.’
Want, zo mag de slotsom luiden: geld stinkt niet, maar er zit wel een luchtje aan.