Hebzucht als psychiatrisch probleem

Geld maakt niet verstandig

De drang naar winst en steeds meer bezit kan mensen aanzetten tot gestoord en crimineel gedrag. Freud stelde dat geld een belangrijke functie heeft in het afweren van angst, verdriet of machteloze woede. Binnen de psychiatrie wordt er nu voor gepleit geld als drijfveer hoog op de agenda te plaatsen.

Enron, Tycon, Xerox en Worldcom — het ene Amerikaanse megaschandaal na het andere brengt aan het licht hoe op werkvloeren al manipulerend met winstcijfers en boekhoudingen collectief is meegewerkt aan het instandhouden van een grote illusie. De aandeelhouders hadden het kunnen zien aankomen, maar bleven tegen beter weten in massaal geloven in een droom, die met het verdampen van de vele miljarden uitliep op een totale ontgoocheling. Gedreven door hebzucht hebben zowel de daders als de slachtoffers van deze luchtbel in de jaren vóór de instorting geleden aan een soort bewustzijnsvernauwing. Een psychiater zal zulk gedrag betitelen als een vorm van waanzin, maar in de wereld van handel, beleggingen en beursspeculatie zal zelden een psycholoog of psychiater worden ingeroepen om bij een dergelijk uit de hand lopend proces te onderzoeken hoe het zo ver is gekomen en hoe het in de toekomst valt te voorkomen. Tegen een enkeling van de zichzelf verregaand verrijkende top van deze bedrijven lopen strafrechtelijke onderzoeken. Maar de meeste werknemers likken slechts hun wonden, terwijl van buitenaf aangetrokken boekhouders, accountants, schuldeisers en buy-outers de balans opmaken van de scherven van het ingestorte bedrijf. En de aandeelhouders, die hebben slechts pech gehad. De grote vermogensbeheerders overleven de klap moeiteloos, de kleine particuliere beleggers zijn werkelijk gedupeerd.

Dat geld alles te maken heeft met psychologie is een zwaar onderschat thema. Wie alleen al kijkt naar winkelende vrouwen tijdens de uitverkoop kan zien hoe financiële verlokkingen kunnen aanzetten tot onbeheerst gedrag. Keurige dames graaien met een bezeten blik, elkaar wegduwend, kinderen omverlopend in de bakken met aanbiedingen. Hoewel geld een ongekend machtige drijfveer is voor vrijwel ieder gedrag, normaal en abnormaal, blijft het een vreemd soort taboe. Praten over wat je precies verdient, is not done. Als iemand toegeeft een gat in zijn hand te hebben, wordt daarover meestal wat lacherig gedaan. Door geldkwesties raken vriendschappen, zakelijke relaties en huwelijken kapot. Geld kan verleiden tot onverstandig, onredelijk, onbehoorlijk en crimineel handelen, maar zelden zal iemand toegeven dramatisch in de knoei te zijn geraakt.

Binnen de forensische psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg wordt er daarom hard voor gepleit geld als serieus thema op te nemen binnen therapieën en behandelingsmethoden. «Want», zo stelden verscheidene vooraanstaande psychiaters en psychologen onlangs tijdens een symposium in het Amsterdamse Artis ter ere van het tienjarig jubileum van de Stichting Psychoanalyse en Psychiatrie, «geld bepaalt in grote mate de interactie tussen vrienden, familie, collega’s en partners. Het kan een bron zijn van veel diepe ellende of dwangmatig gedrag. Er niet over praten is dom en onlogisch, ja zelfs gevaarlijk.»

Bij tbs-klinieken is sinds ruim tien jaar een kentering te bespeuren. Het thema «geld» staat hoog op de agenda. Een van de voorvechtsters daarvan is psychologe Yvonne van den Berg-Lotz, die is verbonden aan een forensisch psychiatrische kliniek en dagelijks te maken krijgt met criminelen die in hun onvermogen met geld om te gaan zichzelf telkens in onverkwikkelijke situaties brengen. Van den Berg-Lotz: «Er kan sprake zijn van narcisme, geen veilig zelfgevoel, het overtrokken beeld op een troontje te zitten. Maar als je het terugbrengt tot dagelijkse realiteit blijkt dat niemand kan uitkomen met zijn geld. Dat is het geval bij 95 procent van onze patiënten. Daarnaast reageren zij vaak spanningen af door met geld te gaan smijten. Dat zie je zowel bij vermogens- als bij zedendelicten. En als je kijkt naar zo’n Enron-schandaal: dat zijn figuren die handelen volgens dezelfde gestoorde drijfveren. Alleen witteboordencriminelen zijn veel handiger en komen er meestal mee weg. In de tbs-klinieken zitten in feite de losers van de criminaliteit.»

Van den Berg pleit na jarenlange ervaring met moordenaars, verkrachters en pedofielen voor een down-to-earth besef binnen de tbs. Volgens haar is de huidige tbs-wet niet in overeen stemming met wat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt: officieel wordt iemand ontoerekeningsvatbaar verklaard aan de hand van een analyse van de persoonlijkheidsstoornis, maar wat volgens haar veel méér telt, is het gedrag. Een groot deel van de cliënten zijn mannen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis en narcistische trekken. Van den Berg-Lotz: «Dat is taaie problematiek, nauwelijks behandelbaar. In de jaren zeventig werd gedacht dat daar door te sleutelen aan de persoonlijkheid mensen te genezen waren. Mijn conclusie is dat behandeling geen enkele garantie biedt voor recidief gedrag. Wat wij nu doen, is concreet kijken naar het patroon van de delicten. We zien dat geld daarin een enorm grote rol speelt.»

Met weinig verhullende felheid zegt Yvonne van den Berg-Lotz dat het ronduit beschamend is hoe jarenlang geld niet is meegenomen in de behandeling: «Vroeger ging het eindeloos over hoe iemand door een verstoorde moederband of een moeilijke jeugd of ‹de maatschappij› tot bepaald crimineel gedrag komt. Als ik advies geef aan de rechter maak ik een analyse over het hele traject van het delict zelf en probeer concreet aan te geven hoe het eventueel te voorkomen is. Ik ben meer ge richt op gedrags- dan op persoonlijkheidsverandering. Dat betekent dat we onder meer in onze behandeling proberen mensen ervan te doordringen dat ze vastlopen als ze hun budget niet beheersen. Als iemand in de kliniek iets kapot trapt, dan krijgt hij een rekening. Daarvan wordt hij overigens behoorlijk snel toerekeningsvatbaar.»

Ze geeft het voorbeeld van «pooier Paultje» die vanaf zijn negentiende handelde in harddrugs en tientallen prostituees voor zich liet werken, iedere maand een nieuwe auto aanschafte en er een groot genoegen in schiep maaltijden te bestellen zonder die op te eten. Hij heeft negen jaar gezeten, krijgt nu 150 euro per maand zakgeld, en moet als hij vrijkomt, zien rond te komen van een uitkering. Zonder opleiding en normale werkervaring zal hij geen kans zien om aan een goed betaalde baan te komen. Van den Berg-Lotz: «Je kunt hem helpen zijn jeugd te verwerken, maar dat heeft geen zin als hij niet bereid is met een beperkt budget om te gaan. Leer hem ook maar de dag een beetje door te zien komen, zonder te feesten en te beesten.»

Van den Berg-Lotz wordt soms moedeloos van hoe makkelijk in deze maatschappij met name jongeren worden gestimuleerd tot het maken van grote schulden. Ze wijst op een co lumn van een trendwatcher uit het maandblad Safe, dat wordt gesponsord door de Robecogroep en speciaal bestemd is voor (potentiële) klanten. Daarin staat: «De generatie geboren na 1975 beschouwt geld als een groots en indrukwekkend goed en niet iets dat met veel zweet wordt bemachtigd en zorgvuldig besteed dient te worden. Ze zijn opgevoed met de reclame. Jongeren steken zich zwaar in de schulden, volgens het Nibud is dat vanaf zestien jaar jaarlijks gemiddeld 4545 euro, maar dat is niet zorgelijk. Het tegendeel: onze denkbeelden over geld en werk zijn achterhaald!» Van den Berg-Lotz: «Dat is pas misdadig, wij zien dagelijks de gevolgen.»

Dat geld verleidt en bezit dwingt, zou volgens psychoanalytici een veel diepere oorzaak hebben. Volgens de vader van de psychiatrie, Sigmund Freud, heeft geld een belangrijke functie in het afweren van angst, verdriet of machteloze woede. Dwangmatig bezig zijn met geld — smijten dan wel oppotten — zou samenhangen met de wijze waarop iemand de anale ontwikkeling heeft doorlopen. In 1908 schreef Freud: «In sprookjes, mythes en bijgeloof, in het onbewuste denken, in dromen en in neuroses, is geld het meest innig in verband gebracht met smerigheid, vuil en poep. Het is bekend dat het goud dat de duivel zijn geliefde schenkt na zijn vertrek in drek verandert. De duivel is niets anders dan de personificatie van het verdrongen onbewuste driftleven.»

De Utrechtse psychoanalyticus dr. Van Thiel zegt daarover: «De ontlasting die dieven in het huis achterlaten, lijkt, behalve hoon, een regressieve uitdrukking te zijn van schadeloos stellen. Geld is het slijk der aarde. We spreken van een een ‹rijke stinkerd› of van iemand die ‹stinkend rijk› is. Het zou kunnen zijn dat de tegenstelling tussen het waardevolste dat de mens heeft leren kennen, het goud, en het meest waardeloze dat hij als afval weggooit, tot deze identificatie van goud en uitwerpselen heeft geleid.

Van meer gewicht is echter de zienswijze dat poep voor het kleine kind een zeer belangrijke substantie is. Het is deel van het eigen lichaam en wordt in de po aan moeder gegeven. Het is het eerste geschenk, een offer van tederheid. Als nu het uitscheiden en eveneens het product ervan zelf voor een kind zo belangrijk is, dan is het begrijpelijk dat de zindelijkheidstraining van grote invloed kan zijn op latere karaktertrekken met name wat betreft het uitgeven en vasthouden van geld.»

Van Thiel moet toegeven dat het van een al te simplistische visie zou getuigen om een vroege of te rigoureuze zindelijkheidstraining als belangrijkste oorzaak aan te wijzen van «afwijkend» volwassen geldgedrag. Minstens zo belangrijk is het feit dat geld niet alleen staat voor ontlasting maar ook voor voedsel, dat verwijst naar de moederborst. Van Thiel: «Onbewust kan zo later steeds worden gezocht naar een onuitputtelijke goede moeder. Er is dan sprake van het najagen van een illusie, een droombeeld, als ware er een land van melk en honing waarin behoeften onmiddellijk en automatisch worden bevredigd. Deze onbewuste ideaalbeeldvorming kan bijdragen tot het toekennen van magische kwaliteiten aan geld. Een grote hoeveelheid geld symboliseert dan de paradijselijke twee-eenheid van moeder en kind van het eerste levensjaar. Dwangmatig bezig zijn met geld kan onderhevig zijn aan deze illusie. In therapieën proberen we mensen zich ervan bewust te maken dat zij met hun gedrag eigenlijk het tegenovergestelde doen van wat ze willen.»

Terwijl psychoanalytici menen dat allerlei onbewuste verlangens geprojecteerd op geld mensen kunnen aanzetten tot obsessief gedrag is er, net als bij tbs-klinieken, in de psycho wetenschap een sterke tendens om minder te psychologiseren en meer te verklaren vanuit neurobiologische stoornissen. Zo zou bij beursfreaks die met pompende nieren gefixeerd staren naar de snel veranderende cijfertjes of bij huisvaders die kraakjes plegen zonder bang te zijn voor wat ze op het spel zetten, geld een katalysator kunnen zijn voor latent aanwezige psychopathie. De Utrechtse psycholoog dr. Jack van Honk heeft aan de hand van onderzoek van de zogenaamde prefontale cortex (een deel van de hersenen dat de emoties reguleert) aangetoond dat factoren als testosteron en neuroanatomische stoornissen kunnen leiden tot onverantwoord risicovol gedrag. Dat zou onder meer kunnen verklaren waarom managers en types als Cor Boonstra geen remmingen meer kennen in de zucht naar almaar méér en niet schromen hun toch al kolossale vermogen verder te willen vergroten door ongekend risicovol gedrag te vertonen.

«Normaal gesproken geeft een balans tussen straf en beloning, of tussen winst en verlies sturing aan het nemen van beslissingen. Bij bepaalde emotionele stoornissen in de hersenen is deze sturing zwaar gestoord. Ze wéten dat ze verlies lijden, maar zijn niet gevoelig voor ‹straf›. Ze hebben een onvermijdelijke drang om risicovolle nadelige keuzes te blijven maken», vertelt Van Honk. Uit testen met de zogenaamde IOWA Gambling Task blijkt dat mensen met aan psychopathie gerelateerde persoonlijkheidstrekken dit gedrag aan de dag leggen. Van Honk: «Bij een echte psychopaat gaat het om een ongevoeligheid voor straf gepaard aan een sterke drive voor beloning. Hij is een roofdier zonder empathie en angst, uitzonderlijk gevoelig voor snelle beloningen en geen rekening houdend met de toekomstige gevolgen van zijn gedrag. Deze groep, gemiddeld zo’n één procent van de bevolking, is nauwelijks behandelbaar. Mensen met aan psychopathie gerelateerde trekken zijn echter wel in staat tot leergedrag.»

Uit Van Honks onderzoek kwam ook naar voren dat er duidelijk sprake is van sekseverschillen. Angst en depressie komen meer voor bij vrouwen, psychopathie zie je veel meer bij mannen. Dat zou volgens Van Honk deels gekoppeld kunnen zijn aan neurochemie, zoals de hoeveelheid testosteron.

Hoe dit mannelijke hormoon een grote rol speelt bij het nemen van (financiële) risico’s toonde hij aan in een placebo-gecontroleerd onderzoek onder gewone studenten. Mannelijke en vrouwelijke deelnemers van de IOWA-test kregen ook testosteron. Het hormoon veroorzaakt een vermindering van angst. Wat er gebeurde, was dat het mannelijk hormoon tijdelijk een gedragspatroon genereerde dat vergelijkbaar is met de karakteristiek van een psychopaat: een totaal gebrek aan gevoel, in dit geval in de vorm van angst en wroeging over het verlies.

Van Honk zegt dat op den duur door middel van klinische toepassingen, zoals selectieve magnetische stimulatie van bepaalde hersendelen, neuroanatomische stoornissen tijdelijk kunnen worden hersteld.

Toch is het hoogst onwaarschijnlijk dat frauderende managers en topmannen uit het bedrijfsleven ooit op de divan belanden of zich laten behandelen met magnetische stimulatie. Net zo goed beweren filosofen dat al die hebzucht niet zal verdwijnen als niet eerst de maatschappij zelf verandert. Nergens worden immers mensen zo gedreven door geld, met alle gruwelijke gevolgen van dien, als in het superkapitalistische Amerika.

Als een van de morele grondleggers van het grote geld verdienen geldt de theoloog Johannes Calvijn, die de stelling verdedigde dat winst uit handel een terechte vergoeding is voor de arbeid van de koopman. Daarbij propageerde het calvinisme een sober en geregeld leven. Sinds die tijd stroomt geld almaar sneller, breder en, zoals nu door het plastic betalingsverkeer, abstracter. Al in de achttiende eeuw sprak de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau daar zijn grote zorgen over uit. Bezit maakt mensen niet alleen ontevreden, maar ook slecht. Rousseau zei: «Iedereen wordt uiteindelijk verteerd door het verlangen het vermogen te vermeerderen, niet vanuit echte behoeften, maar om zichzelf boven een ander te verheffen. Dit verleidt mensen ertoe anderen te schaden.» En in de negentiende eeuw stelde Karl Marx: «Geld is een tastbare god die alle natuurlijke eigenschappen in hun tegendeel kan veranderen. Het brengt geen geluk, maar een voortdurende kwelling net-iets-meer-status-dan-een-ander te ambiëren.»

Meer geld leidt inderdaad niet tot meer geluk, zo heeft Ruut Veenhoven, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam onderzocht. Hij concludeert dat extra inkomen aanvankelijk extra welbevinden veroorzaakt, maar dat het effect ophoudt bij een gemiddeld jaarinkomen van zo’n tienduizend euro per hoofd van de bevolking in een land. Hij geeft aan dat een correlatie tussen inkomen en geluk in een rijk land als Nederland piepklein is en dat veranderingen in ons welbevinden nauwelijks zijn toe te schrijven aan een inkomensstijging of -daling.

Met andere woorden, zegt econoom en adviseur in persoonlijke geldzaken drs. H. Verdegaal, hebzucht is energieverspilling: «We dénken dat we er onze grootste verlangens mee kunnen vervullen. De een hoopt er veiligheid mee te kopen, anderen denken met geld vrijheid, absolute veiligheid, macht, respect of liefde te veroveren. Mijn advies aan mensen die zich zorgen maken om geld is tamelijk eenvoudig: inzicht krijgen in wat je werkelijk wilt bereiken met geld. Dat geeft enorme rust. En: zorg dat er genoeg is, maar blijf er de baas over.» Een ontzettend open deur, geeft ze toe. Maar haar brede ervaring met jongeren met torenhoge schulden, vrouwen die verslaafd zijn aan winkelen en managers die wakker liggen van dalende aandelenkoersen laat zien dat geld een uiterst emotioneel en complex onderwerp is. Verdegaal: «Door iemand inzicht te geven in zijn ware beweegredenen, kun je ontzettend veel ellende voorkomen.»