Opheffer

Geld moet rollen

Wat doe je wel en wat doe je niet? Wij vonden vroeger veel geld verdienen eigenlijk niet in de haak. Zo ken ik familieleden die heel rijk waren — Indisch plan tage geld — die het grootste deel van hun omvangrijke vermogen vrijwillig hebben afgestaan aan de overheid. (Ondergetekende had dus ongelooflijk rijk kunnen zijn, verdomme!)

Men vond echter het streven naar rijkdom geoorloofd, maar niet het aanwenden ten eigen bate. Sterker, ik ben opgevoed in het besef dat je diende af te zien van luxe. Je ging dus niet uit eten, je nam zelf brood mee. Je ging niet met de auto, maar met de fiets. Je las een boek en je studeerde, en slechts bij hoge uitzondering ging je naar de bioscoop. De manier van leven was: afzien. Het doel: rijk worden teneinde de gemeenschap daarmee te helpen.

Die mentaliteit kom je alleen nog in vreemde sektes tegen, geloof ik. Ik zit er wel eens aan te denken. Stel, dat ik veertig miljoen euro had, wat zou ik daarmee doen? Het antwoord is simpel: hetzelfde als wat ik nu doe. En inderdaad: anderen zouden ervan profiteren. Maar niet ik.

Vroeger dacht ik: ik begin een uitgeverijtje om mijn eigen boeken uit te geven. Of ik ga mijn eigen film maken. Maar dat hoort dus niet. Het beste is, in vertrouwen, domweg je geld te geven aan iets wat je nuttig lijkt. Waarom is dat beter, en waarom is het slecht alles voor mezelf uit te geven?

Je schrijft een boek. Dan kun je, als je rijk bent, dat boek wel zelf uitgeven, maar beter is het om een goed boek te schrijven, waarvoor de uitgever graag een risico neemt, en vervolgens met je geld een boek te ondersteunen dat iemand anders heeft gemaakt en waarvoor de uitgever net geen geld heeft. Je werk bestaat namelijk pas als de ander er verantwoordelijkheid voor neemt. Zo zit het met alles. Je zelf geproduceerde film bestaat eigenlijk niet echt. Niemand heeft er verantwoordelijkheid voor genomen. Het is beter dat een producent er iets in ziet en dat hij dan die film maakt. En dat jij vervolgens investeert in de dure film van je vriend.

Dat is ook de reden waarom de maakbaarheid van de wereld in feite beperkt is. Je kunt een droomstad bouwen naar eigen inzicht, maar als niemand erin wil wonen, bestaat die stad eigenlijk niet. Er is altijd een groep die iets moet willen — en je kunt wel die groep steunen. Enkele vrienden kunnen een nieuwe uitgeverij oprichten, of een nieuwe krant, of een vereniging tot behoud van de natuur. Maar als je rijk bent zoiets met je eigen geld doen, heeft geen zin. Je bestaat pas door de ander. Zo bestaan ook denkbeelden alleen als je ze met anderen deelt.

Alle eenmansinitiatieven zijn dan ook tot mislukken gedoemd, of bestaan alleen tijdelijk. Al zijn ze wel leuk. Eenmanstijdschriften, eenmansuitgeverijen, eenmansbedrijven… Het is beter snel een tweede man aan te trekken.

Elk verhaal, elk product van creativiteit heeft minimaal een tweede man nodig. Namelijk: iemand die er iets in ziet. Ik interviewde ooit een man die boeken schreef maar ze niet naar «de grote uitgevers» opstuurde, want die namen toch alleen maar beroemde namen aan. Ik kreeg het die man niet uit zijn hoofd gepraat dat die beroemde namen ooit niet beroemd waren. Toch wilde hij zijn eigen werk ook niet zelf uitgeven, terwijl hij vrij rijk was. Hij schreef dus boeken, en daar bleef het bij. Niemand mocht ze lezen. Hij was ervan overtuigd dat hij pas na zijn dood beroemd zou worden, want iemand zou zijn boeken vinden en lezen en denken: wat een geweldige werken, dit moet uitgegeven worden. Leidde deze man nu een vergeefs leven of niet? Daar ben ik nooit achter gekomen.

Geld moet rollen, dat weten we, maar eigenlijk is het zelfs verboden het voor jezelf te houden.