Geld verdeelt de wereld

DICK KOOIMAN
KAPITALISME, KOLONISATIE EN CULTUUR, ARME EN RIJKE LANDEN IN HISTORISCH PERSPECTIEF
KIT Publishers, 293 blz., € 24,95

Sinds de Nederlandse identiteit een hot issue is geworden en er geen belangrijker intellectueel debat denkbaar lijkt dan over de exacte locatie van ons Nationaal Historisch Museum schijnt het hopeloos passé: de geschiedenis van niet-westerse volken. Dat is zó jaren zeventig, dat is een reservaat voor onverbeterlijke multiculturalisten die ongetwijfeld een fikse tik van de marxistische molen hebben gehad en die ons een volstrekt onverdiend schuldcomplex willen aanpraten. Laten die lui zich maar in stilte schamen en ons, die willen horen hoe geweldig wij Nederlanders het altijd al gedaan hebben, niet lastigvallen met hun van zelfhaat en linkse vooroordelen bolstaande kletspraatjes, aangezien wij al onze handen vol hebben aan de economische crisis en de haperende huizenmarkt.
Gezien in het licht van deze Zeitgeist is het zonder meer dapper te noemen dat Dick Kooiman, die bijna dertig jaar lang docent niet-westerse geschiedenis aan de Vrije Universiteit was, met een boek is gekomen dat een historisch overzicht wil geven van de enorme scheefgroei tussen rijke en arme landen. Want dat er in de afgelopen zeshonderd jaar sprake is geweest van een ongelijke economische ontwikkeling, en dat de kloof nog steeds groter wordt, kan niet worden ontkend. Wel lopen de meningen over de oorzaken van de verschillen sterk uiteen.
Kooiman begint zijn boek met het weergeven van drie visies op het ontstaan van de kloof tussen rijke en arme landen, om vervolgens bij zijn beschrijving van de economische ontwikkelingen te kijken welke elementen uit welke theorie het meest verhelderend zijn.
Om te beginnen is er de wereld-systeemtheorie, waarvan Immanuel Wallerstein de belangrijkste grondlegger is. Na de Tweede Wereldoorlog heerste de optimistische gedachte dat wanneer de zogenaamde ‘onderontwikkelde’ landen nu maar gewoon het voor het Westen zo kenmerkende moderniseringsproces zouden doormaken ze vanzelf hun achterstand zouden inhalen. Wallerstein en anderen wijzen erop dat dit veel te optimistisch gedacht was en dat de kloof alleen maar groter werd. Zij bestuderen de wereldgeschiedenis als één geheel, waarbij de economische ontwikkeling centraal staat. Met de opkomst van het kapitalisme in de vijftiende eeuw ontstond er een economisch centrum, dat zijn groei alleen kon verwezenlijken door steeds grotere delen van de periferie op te nemen. Hoewel het zwaartepunt van het centrum kan verschuiven, bijvoorbeeld van het Iberisch schiereiland naar noordwest-Europa naar Noord-Amerika, blijft het centrum profiteren van de exploitatie van de periferie.
Gaat Wallerstein dus vooral uit van de economische machtsongelijkheid, volgens David Landes is het verschil tussen rijke en arme landen vooral het gevolg van cultuurverschillen. Hoewel Landes van joodse afkomst is, noemt hij zich ‘een calvinist uit overtuiging’: ‘Wat telt is werk, spaarzaamheid, eerlijkheid, geduld, volharding.’ Het verschil tussen Saoedi-Arabië, dat ondanks de waanzinnige olierijkdom nog altijd een zwakke economie heeft, en China spreekt volgens Landes boekdelen.
Waar Wallerstein voortborduurt op Marx, werkt Landes de ideeën van Max Weber verder uit. Waar de eerste heel kritisch is over het kapitalisme, beschouwt de tweede het als een zegen.
Wat beiden echter bindt, is een sterk eurocentrische benadering. Hier in Europa is alles begonnen, en de hele wereld zal, of je het nu leuk vindt of niet, een soortgelijke ontwikkeling (moeten) doormaken.
Maar vijf jaar geleden verscheen The Eastern Origins of Western Civilisation van John Hobson, kleinzoon van J.A. Hobson, die in 1902 het fameuze en kritische Imperialism schreef. Volgens de jonge Hobson slaat het westerse superioriteitsgevoel nergens op. Het Oosten was al veel eerder een hoogstaande beschaving en vrijwel alle technologische en intellectuele verworvenheden waar het Westen zo prat op gaat zijn afkomstig uit het Oosten. ‘Alleen spaghetti lijkt nog een Europese uitvinding te zijn’ – aldus de visie van Hobson in de samenvatting van Kooiman. Bovendien is de westerse dominantie niet meer dan een intermezzo en zullen met name China en India de komende eeuw het Westen overvleugelen.
In zijn boek, dat begint met de economische ontwikkelingen in het middeleeuwse Europa en eindigt met de miraculeuze economische opmars van de ‘Aziatische tijgers’, kiest Kooiman niet voor één van deze visies, maar laat hij zien dat ze alledrie bepaalde elementen hebben die bruikbaar zijn. Het ontstaan van de transatlantische driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika – waarin de slavenhandel het centrale element vormde – laat zich goed analyseren met behulp van de ideeën van Wallerstein. Maar voor het duiden van de ondergang van de vroeg-Amerikaanse beschavingen en het stagneren van het Chinese rijk kan men niet om de culturele benadering van Landes heen, terwijl Hobson ondanks zijn overdrijvingen toch een nuttig tegenwicht biedt voor een al te eurocentrische benadering.
Kooiman mag dan niet met een geheel nieuwe, alles verklarende theorie komen, dat is geen probleem. Sterker nog, hij laat vrij overtuigend zien dat zo’n theorie zowel onmogelijk als onwenselijk is, en dat de economische wereldgeschiedenis juist vanuit zoveel mogelijk invalshoeken benaderd moet worden. Tegelijkertijd biedt zijn boek een handzaam en informatief overzicht van de economische ontwikkelingen gedurende de afgelopen zeshonderd jaar.
Voor studenten en docenten is Kapitalisme, kolonialisme en cultuur een nuttig boek, maar het kan ook worden aanbevolen aan een ieder wiens belangstelling wat verder reikt dan de vijftig ‘vensters’ van de Nederlandse geschiedeniscanon.