Geldjungle

Gerrit Krol, Okoka’s wonderpark. Uitgeverij Querido, 171 blz., f27,50
De nieuwe roman van Gerrit Krol, Okoka’s wonderpark, speelt in de werelddelen Afrika en Europa - en daarmee ook in totaal verschillende werelden. Het zwaartepunt van het boek ligt in de verhouding tussen blank en zwart. Krol probeert te registreren wat er ongemakkelijk is aan die band en waar het knelt aan de hand van enkele flarden mensenlevens, voor het grootste deel gesitueerd in de voormalige kolonie Nigeria; slechts het laatste hoofdstuk reserveert hij voor het oude moederland, Engeland.

Nigeria wordt beschreven als een staat waar het lachen je vergaat. Blanken begrijpen nauwelijks iets van het land. Ze kwamen er om in de olie te verdienen en dolen er enigszins verblind en verveeld rond in hun eigen wereldje. Hun belangrijkste zorgen zijn hun eigen zorgen en probleempjes, ze sluiten zich af van de corruptie, het bedrog en het geweld.
Toch is er voor wie daar oog voor heeft, wel degelijk een orde aanwezig: een ‘uiterst delicaat geheel’ waarin geld de onmisbare katalysator is. Geld dat onterecht wordt geind, geld dat verdwijnt, dat wordt beloofd maar niet verschijnt, gebedeld geld, geld waarmee wordt omgekocht of dat wordt ingezameld voor zo iets onnozels als een wonderpark. Met al die verschillende rollen van het geld krijgt John White te maken, de hoofdrolspeler uit het boek. Hij is een Engelsman en geoloog die op vleugels van wat vage, romantische ideeen de sprong vanuit zijn vaderland naar deze 'provincie van Europa’ heeft gewaagd, een kans die hem werd geboden door een wegenbouwbedrijf waar de zwarte prins Okoka de pr voor zijn rekening neemt.
White loopt aanvankelijk wat verwonderd rond in deze exotische wereld, krijgt al snel in de gaten dat hij eigen werk moet zoeken wil hij de dagen doorkomen, maar blijft ook nieuwsgierig. Die laatste houding wordt hem noodlottig als hij zich wat al te stevig vastbijt in een corruptie-affaire. Hij wroet in een al jaren oud publiek geheim en wordt ontslagen. Okoka ondergaat om een andere reden hetzelfde lot. Met wat kunst en vliegwerk - letterlijk en figuurlijk - bouwt hij aan een ander bestaan, het wonderpark, aanvankelijk in Nigeria en later in Engeland.
Keihard zijn, dat is de enige manier om in de jungle van het leven overeind te blijven. Elke zwarte weet dat. Waar de blanke vervalt in melancholie en eenzaamheid, vergaat de zwarte het lachen nooit - 'Wie huilt heeft verloren.’
Wit en zwart - Okoka en White - komen elkaar in het slot van het boek in Engeland tegen. Gelouterd door het leven in Afrika weet de Nigeriaan perfect wat hem te doen staat. Hij bespeelt alle charitatieve gevoelens die hij bij de blanken aantreft, bang als ze zijn om te discrimineren, en in een even koddige als wervelende televisieinzamelingsshow waar Linda de Mol met jaloerse blikken naar zou hebben gekeken, gaart hij voldoende geld bijeen voor zijn 'Okoka’s Wonderpark’. Een project waarvan je kunt veronderstellen dat het is bedoeld als eerbetoon aan het eigen volk, maar dat ongetwijfeld vooral een niet te versmaden bron van inkomsten voor hem zal worden.
Krol registreert de zwart-wit-ambivalentie waar zoveel ongemakkelijks in zit in flitsende dialogen, scherpe observaties en terloopse opmerkingen. Die toon geeft oppervlaktespanning aan het boek, houdt er de vaart in en maakt zijn relaas uiterst leesbaar. Maar dat heeft ook een schaduwzijde. De verhaaldraden zijn wat dun, en er zijn te veel losse eindjes om deze complexe problematiek op een overtuigende manier diepte te geven.
Te midden van alle fiddlededee, van alle koeterwaals dat Alice over zich heen krijgt en alle nonsensfiguren die ze tegenkomt in de wereld waarin ze rondstapt, is zij zelf eerst en vooral het toonbeeld van nuchtere onbevangenheid en gewoonheid. Ze is het modelkind dat beleefd knicksend en met twee woorden sprekend haar weg zoekt maar toch ook wel haar gang gaat. Ze raakt zelden van haar stuk door al het kwetsend en zwetsend gedoe om haar heen. Alle onwelvoeglijkheden die de dieren en andere figuren haar aandoen, hun grauwen, snauwen en klauwen pareert ze voorbeeldig; zelfs met de Koningin uit het kaartspel die iedereen een kopje kleiner wil maken, weet ze wel raad. Van alles en iedereen probeert ze te leren, maar veel wijzer wordt ze uiteraard nergens van. Daarvoor is de wondere wereld om haar heen te grillig.