Geldwolf Reve

In de reacties op het twee weken geleden verschenen derde deel van Nop Maas’ biografie van Gerard Reve valt vooral de verontwaardiging op over wat men Reves en Schafthuizens ‘roversgedrag’ noemt. Men spreekt schande van de hoge bedragen die zij vroegen voor interviews in kranten en op televisie, terwijl men de reeks brievenboeken die Reve tijdens de ‘late jaren’ publiceerde ziet als ordinaire geldklopperij.

Medium nop maass

Elsbeth Etty noemt hun geldzucht ‘schokkend’ (NRC Handelsblad, 31 okt.), Jeroen Vullings spreekt in Vrij Nederland laatdunkend van hun 'commerciële exploitatiedrift’ (Vrij Nederland, 3 nov.) en Xandra Schutte laakt in De Groene Amsterdammer de 'roverij’ en 'eindeloze herexploitatie’ (De Groene Amsterdammer, 8 nov.). Steeds opnieuw wordt dan Renate Rubinstein aangehaald, die na een bezoek aan Reve en Schafthuizen in Frankrijk schreef: 'Dat duo, het is een roverspaar. Zoals die centen tellen, het heeft iets vooroorlogs.’

De geschokte reacties en verontwaardiging van de recensenten hebben op hun beurt echter ook iets vooroorlogs, om niet te zeggen romantisch. Het ouderwetse romantische beeld van de kunstenaar als een soort bohemien die zich niet met zoiets vulgairs en aards als geld dient bezig te houden, spreekt door in de woorden van de recensenten. Juist Gerard Reve heeft zich altijd fel tegen dit beeld verzet, zoals onder meer te lezen is in de 'Brief uit Schrijversland’ uit Op Weg Naar Het Einde, waarin hij zegt dat het zijn 'onwrikbare overtuiging’ is geworden dat Geld de enige eerlijke en fatsoenlijke drijfveer tot schrijven is. Reve heeft steeds benadrukt dat hij 'een winkel’ draaiende te houden had. Waarom de critici nu vallen over zijn commerciële instelling, is dan ook een raadsel.

Het is bovendien een misvatting dat geld zonder meer de integriteit en autonomie van het kunstenaarschap in gevaar brengt. Sterker nog, historisch gezien is precies het omgekeerde het geval. Een van de belangrijkste voorwaarden voor het autonoom worden van de kunsten in de achttiende en negentiende eeuw was nu juist de opkomende markt van lezers uit de geletterde middenklasse. Dit nieuwe publiek stond het kunstenaars en literatoren eerst toe om zich te ontworstelen aan hun traditionele opdrachtgevers, kerk en staat, en te experimenteren met nieuwe vormen. De kunstmarkt was met andere woorden de voorwaarde voor de autonomie van de kunst en van de kunstenaar.
Dat is goed te zien bij een figuur als Beethoven, die na zijn ontslag bij de Keurvorst van Bonn nooit meer in dienst was van een werkgever. Wie zijn correspondentie leest, merkt dat Beethoven voortdurend met geld bezig was: net als Reve probeerde hij uitgevers tegen elkaar te laten opbieden, en net als Reve kon Beethoven zich verschrikkelijk boos maken over roofdrukken. Niet omdat hij geld zo verschrikkelijke belangrijk vond, maar omdat hij verzekerd wilde zijn van de mogelijkheid om in vrijheid te kunnen blijven werken. Zelfs Vincent van Gogh, die vaak als het prototype van de romantische kunstenaar beschouwd wordt, zat zijn broer voortdurend aan diens kop te jengelen om weer wat geld op te sturen, en hij werd nijdig als het een paar dagen op zich liet wachten.
In Nederland zijn er maar heel weinig schrijvers die kunnen leven van de pen. De gelukkigen die geen baan naast hun schrijverschap hebben, racen het land door van zaaltje naar zaaltje, en proberen stukken te slijten aan kranten en tijdschriften. Precies om die reden staan onze kranten dagelijks vol met leuke en minder leuke stukjes van romanciers en dichters als Arnon Grunberg, Ilja Pfeijffer, Leon de Winter en Christiaan Weijts. Hoogstwaarschijnlijk beschouwen deze schrijvers deze stukken vooral als een aardige inkomstenbron, die hun de vrijheid geeft om in alle rust aan hun 'echte’ oeuvre verder te bouwen. Dat is vanzelfsprekend niets om je voor te schamen, en in de tijd van Hermans, Mulisch en Reve was het niet anders.

Zoals Maas vertelt in zijn biografie, heeft ook Reve zich wel eens gewaagd aan een wekelijkse column. Het lukte hem echter niet om volgens die strakke regelmaat werk af te leveren waar hij zelf tevreden over was. Reve was geen veelschrijver, en kon eindeloos blijven sleutelen aan zijn zinnen. Wel schreef hij brieven, vele, vele brieven, die - en ook daar maakte hij nooit een geheim van - eerder als schrijfoefeningen fungeerden, dan dat ze de intentie hadden een werkelijk serieuze correspondentie op gang te brengen.

Op welke gronden zou men hem dan verwijten aan deze brieven vervolgens geld te willen verdienen? Waarom is Grunberg, die voor zijn korte bijdrages op de cover van De Volkskrant ongetwijfeld een aardig honorarium opstrijkt, geen graaier, rover of schraper, maar Reve, die met zijn brieven en door het geven van interviews in zijn levensonderhoud probeert te voorzien, wel? De term 'rover’ van Renate Rubinstein slaat kant noch wal, want wie wordt er beroofd? De lezer soms? Maar die kon zelf afwegen of hij het zoveelste brievenboek wenste aan te schaffen. De uitgevers? Die draaiden soms inderdaad verlies, omdat ze het uitgekeerde voorschot nooit terugverdienden, maar dat is het risico van het vak. De kranten en televisieprogramma’s die fors betaalden voor interviews? Maar als zij hiermee geen extra lezers of kijkers hadden getrokken, hadden zij er zeker geen geld ingestoken.

Hooguit zou men kunnen beweren dat Reve roofbouw pleegde op zijn eigen werk, door zoveel brievenboeken zo kort na elkaar uit te geven. Xandra Schutte beweert zelfs dat Reve zichzelf tenslotte ook artistiek in de uitverkoop gooide. Hierover kan men van mening verschillen. Late romans als Bezorgde ouders en Het boek van violet en dood halen allicht niet het niveau van Nader tot U, maar doen niet onder voor romans uit de middenperiode, zoals Taal der liefde of Oud en eenzaam.

Kunst en geld, het blijft een ongemakkelijk huwelijk. Een kunstenaarsbiografie toont ons de 'achterkant’ van het kunstenaarschap; de aardse zaken die een groots oeuvre mede mogelijk hebben gemaakt. Dat is niet altijd een prettig gezicht, want kunstenaars leven nu eenmaal niet van ambrozijn. Maar het is naïef om daarover te klagen, en het geeft zeker geen pas om Reve voor 'rover’ uit te maken. Want zoals hij zelf schrijft in Het hijgend hert: 'Voor niks ging de zon op, nog niet eens onder.’


Thijs Lijster is filosoof en verbonden aan het expertisecentrum Arts in Society van de Rijksuniversiteit Groningen.