Sigmar Polke, Goldklumpen, 1981. Goudpigment, koperarseniet (Schweinfürter groen), verf op doek, 260 x 200 cm; © Peter Cox, Eindhoven / collectie Van Abbemuseum

Ik stel me voor: de schilder is aan het werk. Hij begon een schilderij te maken zoals hij dat vaker deed. Gewoon ergens beginnen. Naarmate hij verder kwam, werd geleidelijk duidelijk wat hij aan het maken was. Het was in 1969. In die tijd golden in de kunst nauwelijks nog vaste principes van stijl. Er was het avontuur van abstract-conceptuele kunst. Dat waren de termen voor dat kunstmaken. Die waren daarvoor bedacht. De kunstenaar ging zijn gang. Hij werkte aan het schilderij waar hij mee bezig was. Dat gebeurde instinctief. Wat hem bezighield was misschien de toonaard van een vertoning. Polke bijvoorbeeld, wilde toen de vormgeving eenvoudig houden. Abstract dus, dan kon de verbeelding alle kanten op, voorbij aan figuratie. Zo werd het een streng zwart en wit schilderij.

Het groen is eerder groenig, en het lispelt als een slang

Het staande vlak was witte lakverf, licht glimmend dus. De rechterbovenhoek had hij zwart geverfd. Die zwarte hoek was daar zo ontstaan misschien omdat de verhouding ervan ten opzichte van het witte vlak hem beviel. Hij was al met zwarte en witte verf aan het werk, toen het beeld zo tevoorschijn kwam. Het was een onbegrijpelijk wonderlijke vorm, net zo onbegrijpelijk eigenlijk als de plompe goudgele klodder verf in Goldklumpen. De zwarte punthoek was wel een stuk slanker. Mensen die bij hem kwamen en het schilderij zagen, vroegen wat de driehoek daar te betekenen had. Die vraag was goed bedoeld – maar wist hij veel. Zoiets sobers te schilderen was al moeilijk genoeg geweest, om de vormgeving strak te houden. Weet je, zei hij toen: hogere machten bevalen om de hoek boven rechts zwart te verven. Dat bleek tegelijk ook een goede titel. Als het beeldwezen van een schilderij ondoorgrondelijk blijft, kunnen de mensen in ieder geval de titel begrijpen. Daar zit ook conceptuele ironie in.

Intussen wilde ik nog een keer bij Goldklumpen uitkomen. Aandachtig en geduldig probeerde ik bijvoorbeeld te zien wat eigenlijk de herkomst was van de gele kleurvorm midden in het beeld. Dat wil zeggen: wat is er gaande met dat geel? De verf is vloeibaar en bewegelijk. Het lijkt of de vorm ontstaat uit de natte kleur die droogt terwijl ze langzaam opdroogt. Daarom is het niet een egaal glad geel. Er zit een geheimzinnig vlekkerig patroon in. Dat patroon is verrassend omdat het nergens op lijkt, niet op iets anders dan zichzelf. Er zit een geheim in.

Sigmar Polke, Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke schwarz malen!, 1969. Synthetische verf op doek, 151 x 126 © Peter Cox, Eindhoven / collectie Van Abbemuseum

Is het iets onbekends misschien wat we, in de kunst, moeten leren te verdragen? Er is een wonderschoon gedicht van Goethe (1813) dat Gefunden heet. Het loopt heel langzaam: Ich ging im Walde/ So für mich hin/ Und nichts zu suchen/ Das war mein Sinn. Toen zag hij daar, in de schaduw bijna verborgen, een plantje bloemen staan. Hij wilde niets zoeken maar daar stonden ze ineens, en ze bloeiden wie Sterne leuchtend/ wie Äuglein schön. Hij vond die omdat hij niets liep te zoeken. Had hij iets bijzonders lopen te zoeken, dan had hij daar naar gekeken.

Zo gaat dit gedicht over het vinden zelf, de verrassing daarvan. Hij vond het bij toeval. In zekere zin had, voorafgaand aan Goldklumpen, ook Sigmar Polke het toeval gezocht. Hij moest naar Australië om daar te zoeken naar nog onbekende kleuren die verborgen zaten in de geologische geheimen van de Australische woestijn. Zo hebben wij daarover gesproken.

De rusteloze kunstenaar Polke had die nieuwsgierigheid in zijn karakter. In 1981 was hij terug met dit grote schilderij dat een stug gewoel en een paar kleuren heeft. Het waren dun groen, een goud glanzend geel, en iets donkers dat eerst diep paars was en dan donkerrood zwart verkleurde. De kleuren in Goldklumpen leken alchemistisch. Nog nooit had ik zulke kleuren gezien. Het gedrag van kleur in zijn werk begon verregaand te veranderen. Kleuren lijken wel betoverd. Het leek tovenarij hoe ze zich gedroegen. De klodder goudgeel lijkt bijvoorbeeld ook op de stompe snuit van een kameleon. Die snuift en snuffelt naar voren. Het is de hoofdvorm hier. Het geel balanceert op giftig groen. Ik kan dat groen niet goed thuisbrengen. Het is een dun groen, de manier van schilderen is plakkerig. Het is eerder groenig, en het lispelt als een slang. In het schilderij is het de dunste van de kleuren, licht als nevel. Het veel zwaardere geel drijft als weke eierdooier in het groen.

Maar dat waren niet noodzakelijk gedachten of observaties van Polke. Ze zijn van mij. Ik kijk hier naar zijn schilderij. Ik zag die vormen ontstaan in hoe kleuren zich vermengen terwijl ze geverfd werden. Een kleur droogt terwijl die eerst nat was: opgedroogd werd het zwartpaars. Wij kijken ernaar en dat is wat wij in het schilderij zien gebeuren. Voor een schilder is de vormgeving van kleuren (in Goldklumpen) ook een grote verrassing. Die gele klodder in dun groen is onvoorspelbaar geheimzinnig als voor iedereen. We kunnen schilderijen steeds opnieuw en ook steeds weer anders proeven.