Jeroen Koch, Abraham Kuyper: Een biografie

Geliefd en gehaat, heroïsch en tragisch

Jeroen Koch
Abraham Kuyper: Een biografie
Boom, 665 blz., 39,50

Over Abraham Kuyper (1837-1920) moest altijd nog eens een «antibiografie» worden geschreven, verzuchtte Martin van Amerongen in Mijn leven, zijn leven (1993). Gezien de vernietigende recensie door de historicus A.Th. van Deursen in het Reformatorisch Dagblad van 17 mei zou je bijna denken dat de biografie van Abraham Kuyper door de Utrechtse historicus Jeroen Koch (1962) precies de «antibiografie» is waar Van Amerongen op zat te wachten. Dat is niet zo, ook al meent Van Deursen dat Koch de taal bezigt van een libertijns pamflet: «Een overbodig boek, even arm aan informatie als aan leesgenot.» Wie een boek wil schrijven over een onderwerp dat hem vreemd is maar helaas de tijd mist om er studie van te maken, heeft geen redelijke kans van slagen, aldus Van Deursen.

Weliswaar is Kuypers wereld de van huis uit katholieke biograaf Koch volstrekt vreemd, aan zijn biografie is af te lezen dat hij steeds meer geboeid raakte door de tomeloze energie van deze «klokkenist der kleine luyden». Het is niet eenvoudig om bij een persoon als Abraham Kuyper met nieuwe feiten te komen. Er bestaan veel deelstudies, onder meer van de VU-kerkhistoricus Jasper Vree. De laatste biografie, door Piet Kasteel – eveneens van katholieke huize – dateert echter van 1938. Kochs boek is met zichtbaar plezier geschreven, ook al weet de schrijver zijn irritatie over de exuberante en drammerige kant van Kuyper niet altijd even succesvol te beteugelen. Wat niet vreemd is. Niet voor niets portretteerde de socialistische tekenaar Albert Hahn hem in 1904 als Abraham de Geweldige. Kuyper liet niemand in zijn tijd onberoerd: door sommigen werd hij diep gehaat en door anderen afgodisch vereerd. Koch typeert hem als een man van overdrijving, al dwingt Kuypers verbijsterende daadkracht ook zijn bewondering af. Om niet volledig verzwolgen te worden, moet de biograaf wel enigszins afstandelijk blijven. De aangename, licht ironische toon maakt deze biografie juist een genot om te lezen.

Kochs biografie is geen poging de theologie van Kuyper te doorgronden, maar richt zich vooral op diens denkwereld en politieke wereldbeeld. In dat opzicht is hij meer dan geslaagd. Met verve tekent hij de geest van de Reformatie vanaf Luther – die met diens religieuze aanvechtingen volgens Koch uitstekend zou passen in de romans van Dostojevski – naar de Doleantie van 1886. Met niet minder genoegen beschrijft hij Kuypers plan Nederland te herkerstenen, alsof de lijn die na de Tachtigjarige Oorlog zo krachtig was ingezet moest worden voltooid. Kuyper had onmiskenbaar messiaanse trekken, maar was er tegelijkertijd van doordrongen dat hem deemoed paste. Je kunt hem vergelijken met de charismatische Domela Nieuwenhuis, de gewezen dominee en anarchist, die Kuyper op zijn zeventigste verjaardag feliciteerde: «Gij en ik, wij zijn buitengemeen geliefd en buitengewoon gehaat.»

Het optreden van Kuyper als predikant, kerkhistoricus, theoloog, journalist, politicus en kerkhervormer is ongetwijfeld imposant geweest. Met zijn niet-aflatende pogingen Nederland te herkerstenen, terug te voeren naar het «geloof der vaderen», ploegde hij zowat de hele samenleving om. Vanaf de oprichting van de Antirevolutionaire Partij in 1879 tot het ontslag van zijn kabinet in 1905 kon niemand om hem heen. Daarna was het afgelopen, ook al wilde Kuyper dat niet onder ogen zien. Aanstekelijk enthousiast verhaalt Koch van de grote reis die Kuyper daarna maakte naar de Krim, Constantinopel, Klein-Azië en het Heilige Land. Kuyper genoot met volle teugen. Het is het beste gedeelte van de biografie.

Kuyper was systeembouwer en een groot organisator. De door Kuyper in 1870 verwachte spontane revolte van het gelovige volk tegen de liberalen bleef uit, maar de op zijn initiatief verrezen organisaties van omstreeks 1880 bleken geen eendagsvliegen. Tot ver in de twintigste eeuw bleken De Standaard, de arp, de Vrije Universiteit en de Gereformeerde Kerken in Nederland levenskrachtige organisaties.

In het slotbetoog komt de biograaf met een gewaagde psychiatrische diagnose: Kuyper was manisch-depressief. Het werd meteen als nieuws gepresenteerd in het tv-programma Netwerk. Nu moet je erg uitkijken met deze diagnose, want tegenwoordig wordt alles en iedereen manisch-depressief genoemd. Het is dan ook jammer dat de auteur de symptomen van Kuypers aandoening niet heeft voorgelegd aan een praktiserend psychiater. Kuyper had zijn manische gedrag meer in de hand dan gebruikelijk is bij de klassieke manisch-depressieve ziekte. In de praktijk zie je veelal dat een manische patiënt ontspoort, de draad volledig kwijt raakt en psychotisch wordt. Dat laatste overkomt Kuyper alleen als hij in Engeland in contact komt met een opwekkingsbeweging. Wat betreft de depressie: tot op hoge leeftijd ging Kuyper jaarlijks naar Duitsland – ook tijdens de Eerste Wereldoorlog – om te kuren voor wat in die tijd door psychiaters neurasthenie werd genoemd. Kuypers neerslachtige periodes worden gekenmerkt door zijn «ostentatieve zwelgen in ziekte en zonde; dan was het steevast de Heere geweest, die hem beproefde», schrijft Koch. Dat zelfbeklag, gelamenteer, schuldgevoel en getob over zijn geloof zegt niets over de oorzaak van zijn depressies, en heeft evenmin veel te maken met zijn egocentrische of theatrale karakter. Schuldgevoel vormt tezamen met sombere stemming de kern van een depressie. De theatraliteit is de kleuring van het ziektebeeld, die verdwijnt als de depressie geweken is. Over Kuypers «bekering» door Pietje Baltus, het gemeentelid uit Beesd, schrijft Koch: Kuyper voelde zich niet alleen een herboren christen, hij speelde het ook.

Helaas heeft Koch zich beperkt tot The Varieties of Religious Experience (1902) van de Amerikaanse psycholoog/filosoof William James om Kuypers bekering en religieuze getob te kunnen verklaren. Hij had zijn voordeel kunnen doen met Exuberance: The Passion for Life (2004) van de Amerikaanse psycholoog Kay Redfield Jamison. Kuyper is een schoolvoorbeeld van een gedreven man die risico’s neemt en ergernis oproept door zijn streven de wereld te veranderen.

Kochs verdienste is dat hij Kuyper voor niet-ingewijden dichterbij heeft gebracht. Het slot van de biografie is shakespeareaans tragisch. In Kuypers hart was geen plaats voor een opvolger, al herkende hij in Colijn onmiddellijk de man met daadkracht. Hij had liever Idenburg als opvolger gezien, die gouverneur was in Indië, maar die te voorzichtig was, en ziek bovendien. Zowel Heemskerk als De Savornin Lohman, met wie het tot een breuk was gekomen, zocht op het laatst toenadering tot Kuyper. Zijn ongehuwd gebleven dochters bestierden zijn archief. Zoon Frederik, de tandarts die eerst naar de Verenigde Staten was gegaan en zich later in Bandoeng op Java vestigde, viel van zijn geloof: «Een ziel die verdord is», schreef Kuyper op 26 april 1911 aan zijn trouwe vriend Idenburg. En op 29 september 1912: «Mijn arme jongen blijft in zijn Indische phantasie omdolen. Het smart me zoo diep-innig.»

De laatste alinea is te mooi om onvermeld te blijven: «Zoals Mozes het volk Israël door de woestijn naar het beloofde land had geleid, zo gidste Kuyper de antirevolutionairen tot voor de poorten van de nieuwe tijd. Zelf betreden zou Kuyper het nieuwe land niet, en ook daarmee leek hij op zijn oudtestamentische voorbeeld. De mannenbroeders moesten het voortaan zelf doen. Kuyper had zijn heroïsche tocht volbracht.»