Geliefde beestjes

Wanneer wij in winterdagen in het vroege donker thuiskwamen van school in Marokko (twaalf kilometer moest te voet worden afgelegd) kruisten veel blazende katten onze onverlichte wegen. We moesten ze vooral niet met stenen verjagen - een geliefde bezigheid van straatjongens, die overigens de voorkeur gaven aan straathonden. Katten, en niet alleen zwarte katten, waren in werkelijkheid djinns die, als je ze krenkte, je weg en leven konden versperren.

Van de profeet Mohammed wordt zelfs verteld dat hij zijn kat, Muezzin geheten, die op zijn mantel sliep, niet wilde wekken toen hij opstond en daarom het stukje mantel waarop het beestje sliep, wegscheurde om het niet te storen. Zoals het niet toegestaan is spinnen dood te trappen. Het was namelijk een spin die Mohammed eens het leven redde: hij had zich met een gezel verscholen in een grot voor achtervolgers die het op zijn bloed hadden gemunt. De moordenaars naderden de ingang van de grot, maar toen ze een ongeschonden spinneweb zagen trillen, besloten ze dat hij niet daar kon schuilen en keerden ze op hun schreden terug. Een andere overlevering voegt aan de spin nog een broedende duif toe.
Een hoofdstuk in de koran is naar de spin genoemd, en de spin en zijn web worden gebruikt als metafoor voor de ongelovigen die hun overdrachtelijke huizen op grond zonder fundament bouwen.
Het is overigens opvallend hoeveel hoofdstukken in de furqan (‘het onderscheid’, een bijnaam voor de koran) dierennamen dragen. Daar is De Koe, De Mier, De Spin, De Walvis. De kameel wordt in een vers aangehaald als een van de wonderen Gods, naast de hemel, de bergen en de vlakke aarde - allemaal bewijzen van gods creativiteit. Amusant is dat een Nederlandse vertaling het woord 'ibil’ ('kameel’) vervangt door 'wolken’, in de waan dat het hier om een metafoor gaat - hoewel ik in de Arabische literatuur geen aanwijzing kan vinden dat Arabieren kamelen zagen in wolken.
Een ander geliefd beestje in Marokko was de vleermuis. We kenden een jongen die ze ving en ze trots aan ons liet zien. Het waren kleine vlerkjes, die opgerold zaten in een lucifersdoosje. Hij ving ze als volgt: hij plaatste bij zonsondergang een gepelde ui op een doornige struik (hij beweerde dat ze aangetrokken werden door de geur van uien) en wachtte, al dan niet in zijn handen klappend, totdat er een neerstreek op de struik en met zijn vleugels verstrikt raakte in de doorns.
Een oud Arabisch boek vertelt mij dat hun hersentjes, als je die op je voetzolen smeert, bevorderend zijn voor het libido.