Profiel: Kim Jong-Il

Geliefde Leider met Bom

Kim Jong-il is gek, schrijft de halve wereldpers; en als hij niet gek is, dan is hij op z’n minst «wereldvreemd», een «politieke kluizenaar» of een «rabiate zonderling». Bij gebrek aan biografische gegevens over de Noord-Koreaanse president projecteert men het isolement van zijn land, de staatsideologie van juche («zelfvoorzienendheid») en de ongeremde persoonsverheerlijking van vader en zoon Kim als «Grote» respectievelijk «Geliefde Leider» op zijn persoon. En hoe minder je van iemand weet, hoe meer je op hem kunt projecteren. In de Amerikaanse media, die gretig putten uit de roddels die de Zuid-Koreaanse geheime dienst sinds jaar en dag over Kim verspreidt, wordt hij vaak afgeschilderd als een waanzinnige heremiet, een soort laatcommunistische Michael Jackson die zijn onooglijke verschijning compenseert met torenhoge toneelhakken en geavanceerde brilmonturen, roekeloos rijgedrag en de ontvoering van Japanse schoolmeisjes ter aanvulling van zijn harem.

Dankzij de oorlogszuchtige pose die hij bij tijd en wijle aanneemt, is het beeld van Kim als waanzinnige nucleaire afperser ook voor de kwaliteitspers onweerstaanbaar. Nu Noord-Korea heeft aangekondigd een oude kerncentrale uit de mottenballen te halen en daarbij geen inspecties van het Internationaal Atoomagentschap te dulden, prijkt zijn bitse hoofd op het omslag van The Economist, gemonteerd in het dak van een nucleaire paddestoel en voorzien van het bijschrift: «De explosieve meneer Kim (alsof Saddam nog niet genoeg was)». In werkelijkheid is hij echter verre van gek, schrijft de Britse Azië-specialist David Wall: «Zijn geestestoestand is vanzelfsprekend reden tot zorg in een tijd dat Noord-Korea streeft naar de verwerving of uitbreiding van een nucleair potentieel. En er hangt natuurlijk een geur van waanzin rond de juche-gedachte waarover de ‹Geliefde Leider› zoveel schrijft (volgens de laatste telling circa negenhonderd boeken en artikelen). Maar die verschilt niet wezenlijk van de religieuze poeha waarmee Amerikaanse en andere leiders zich omgeven.»

Wie Kims beleid onder de loep neemt, vindt volgens Wall geen enkele aanwijzing voor zijn veronderstelde waanzin: «Er gaat geen maand voorbij zonder een of andere hervorming van de stalinistische economie die hij van zijn vader erfde. Elke Noord-Koreaan weet dat er fouten zijn gemaakt, met name op landbouwgebied, maar wie moet de eerste steen gooien? Noord-Korea heeft geen behoefte aan vernedering, maar aan hulp. Het smeekt om internationale technische bijstand op zowat ieder gebied en de duizend functionarissen die voor studie naar het buitenland zijn gestuurd, hebben bijna allemaal opdracht gekregen om westerse economie te studeren. En wat zijn buitenlandbeleid betreft: zoals Kim zelf al eens heeft gezegd, is de wereld één en al aandacht voor hem en de problemen van zijn land, dus zo slecht doet hij het nu ook weer niet.»

De onomstreden feiten omtrent Kims leven zijn buitengewoon mager. Op het Noord- Koreaanse platteland gaat het verhaal dat hij is geboren op de top van de eerbiedwaardige berg Paektu. De officiële versie laat hem ter wereld komen in een guerrillakamp in Noord-Korea van waaruit zijn vader Kim Il Sung de strijd met de Japanse bezetter had aangebonden. In werkelijkheid werd hij geboren op 15 februari in de betrekkelijke veiligheid van een legerkamp buiten de stad Chabarovsk in de voormalige Sovjet-Unie. Zijn jeugd speelde zich af in Pyongyang, met een onderbreking van enkele jaren tijdens de Koreaanse burgeroorlog toen hij in China verbleef.

Sindsdien is hij door zijn vader systematisch opgekweekt tot opvolger en reeds in 1974 werd hij daartoe officieel aangewezen. Binnen de Koreaanse Arbeiderspartij kreeg hij de verantwoordelijkheid voor de afdeling Propaganda en in het bijzonder voor operaties in Zuid-Korea. Bij dat laatste ging het hem om meer dan de distributie van pamfletten en het organiseren van studentenopstootjes. Diverse veiligheidsdiensten stellen Kim verantwoordelijk voor een reeks grote en kleine terroristische aanslagen, waaronder een bomaanslag op een Zuid-Koreaanse delegatie in Birma in 1983 die zeventien doden eiste en een explosie aan boord van een toestel van Korean Airlines in 1987 waarbij alle 115 inzittenden omkwamen. Het leverde hem in elk geval een prominente plaats in het Centraal Comité van de partij op. In 1991 verwierf hij ook nog het opperbevel over het Volksleger en toen de oude Kim in 1994 overleed, bevond Kim Jong-il zich in een ideale positie om alle macht naar zich toe te trekken.

Net als heel Noord-Korea was ook de jonge Kim belast met de erfenis van zijn vader, die niet zo eenvoudig aan de kant kon worden geschoven. De gesloten Noord-Koreaanse samenleving is meer dan een sinistere uitwerking van George Orwells 1984, althans voor wie de moeite neemt zich te verdiepen in de Koreaanse geschiedenis en traditie. Zo is de staatsleer een mengeling van confucianisme, communisme en christelijk messianisme, drie stromingen die het land de afgelopen honderd jaar diepgaand hebben beïnvloed. In de zeldzame leesbare alinea’s uit het werk van Kim Il Sung vloeien die elementen bijna vanzelfsprekend in elkaar over, zoals in de volgende passage over de plichten van de communist: «Communisten houden van hun eigen ouders, vrouwen, kinderen en kameraden, ze respecteren ouderen, leiden een sober leven en stellen zich altijd bescheiden op.» De persoonlijkheidscultus van vader Kim was ontleend aan die van Stalin, Mao en Ceausescu, maar bevatte ook veel typisch Koreaanse elementen, zoals de nadruk op Kims grootmoedigheid en de complementaire plicht van elke onderdaan tot onvoorwaardelijke loyaliteit aan zijn gezag. Typisch confucianistisch is de verbinding van samenleving en natuur, waarbij maatschappelijke harmonie de garantie is voor harmonie in de natuur en omgekeerd. Belangrijke gebeurtenissen in de Noord-Koreaanse politiek worden in de media en de volkscultuur altijd verbonden met opmerkelijke natuurverschijnselen.

De keerzijde van die officiële harmonie is keiharde repressie. Noord-Korea is een politiestaat die zijn weerga niet kent, zelfs niet in de voormalige DDR. Een onlangs naar het buitenland gesmokkeld intern telefoonboek van de partij vermeldt tientallen kliklijnen die burgers rond de klok kunnen bellen om hun buren of collega’s aan te geven. De draconische rechtspraak en het bestaan van honderden werkkampen in het land zijn uitvoerig gedocumenteerd.

De beperkingen van de Noord-Koreaanse economie en politieke cultuur in aanmerking genomen doet Kim het inderdaad nog niet zo slecht. De economie staat er ontegenzeglijk beroerd voor. Als enige land ter wereld maakt Noord-Korea tegenwoordig ernst met Mao Zedongs stelregel dat «proletarische vrouwen een maaltijd kunnen bereiden zonder voedsel». De landbouw is failliet, de aanvullende graanimporten zijn onvoldoende om het tekort aan levensmiddelen te dekken en er gaan zelfs geruchten dat honderdduizenden Noord-Koreanen tegenwoordig bij gebrek aan beter gras eten. Die geruchten komen wellicht uit dezelfde koker als de onwaarschijnlijke verhalen over kannibalisme op het Noord-Koreaanse platteland van enkele jaren geleden. Niettemin zijn ze een indicatie voor de erbarmelijke voedselsituatie en de sociale ontwrichting die daarvan weer het gevolg is. Jaarlijks vluchten duizenden Noord-Koreaanse weeskinderen over de Jaloe- of de Toemenrivier naar het naburige China in de hoop daar onderdak en eten te vinden.

Maar hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, toch is het Kim Jong-il gelukt een politieke doorbraak te forceren in de richting van liberaler en meer internationaal georiënteerd economisch beleid. Daarvoor heeft hij jarenlang moeten manoeuvreren tussen twee klippen. In weerwil van alle massabijeenkomsten en strakke parades is de regerende Koreaanse Arbeiderspartij namelijk geen monolithische eenheid. Tegen over het leger, dat prioriteit wil geven aan het nucleaire programma, staat een groep van moderne technocraten die niets liever wil dan zaken doen met de Verenigde Staten en Zuid-Korea en de economie bevrijden van de loden last van de bewapeningsprogramma’s. Hij komt beide groepen afwisselend tegemoet door nu eens met de wapens te kletteren, dan weer op economische samenwerking aan te sturen. Dat laatste streven kreeg een voorlopig hoogtepunt in de tragikomische affaire rond de Nederlands-Chinese «bloemenkoning» Yang Bin, de pasbenoemde gouverneur van de eerste kapitalistische enclave in Noord-Korea, die op de valreep door de Chinese politie op beschuldiging van malversatie werd gearresteerd in zijn eigen pompeuze Holland Dorp in de grensprovincie Shenyang.

Intussen verwezenlijkt Kim een ambitieuze buitenlandagenda die zijn regime van de ondergang moet redden. Tot verontrusting van Washington is hij erin geslaagd de langdurige coalitie van de Verenigde Staten en Zuid-Korea te verzwakken. Voor een deel is dat de schuld van de Amerikanen zelf. President Bush senior boekte meer dan tien jaar geleden nog goede resultaten door Noord-Korea uit te nodigen tot economische samenwerking met het Zuiden, een strategie die de volle steun genoot van Zuid-Korea, dat zichzelf liever niet gedegradeerd ziet tot nucleair slagveld. Zijn opvolger Clinton deed alle vooruitgang teniet en zocht de confrontatie: Washington dwong Japan en Zuid-Korea mee te werken aan de instelling van economische sancties die het regime op de knieën moesten dwingen, een benadering waar China op zijn beurt weer afstand van nam omdat het geen nucleaire confrontatie in zijn achtertuin wenst en bovenal wil voorkomen dat Japan zich van de weeromstuit ook tot kernmacht gaat ontwikkelen.

Sindsdien zijn de Amerikanen niet uit op een vreedzame hereniging van het schiereiland maar op «regime change», een volledige capitulatie van het Noord-Koreaanse regime die hun machts positie in Azië zou moeten versterken. En sindsdien kan Kim zijn buren naar hartelust tegen elkaar uitspelen. Met de verkiezing van de Zuid-Koreaanse president Roh — na een campagne die werd overheerst door heftige anti-Amerikaanse demonstraties en brandende Ameri kaan se vlaggen — heeft Zuid-Korea duidelijk afstand genomen van Washingtons streven. Roh heeft zelfs al de steun van Japan, China en Rusland verworven voor zijn streven naar een dialoog in plaats van een confrontatie met de noorderbuur.

Kims persoonlijke diplomatieke gaven kwamen aan het licht in juni 2000 toen hij zich tot verbazing van de Zuid-Koreanen tijdens een staatsbezoek van Rohs voorganger Kim Dae-jung ontpopte als een heus mens en zelfs als een Koreaan in hart en nieren. Hij overlaadde de oudere Kim met traditionele eerbewijzen en bewees op de aansluitende persconferentie over gevoel voor humor te beschikken: «De westerse pers schrijft over mij als een kluizenaar. En ik heb de laatste jaren nog wel geheime bezoeken afgelegd aan China, Indonesië en allerlei andere landen.» Denkbeeldig is dat laatste niet, aangezien zijn oudste zoon Kim Jong-nam meermalen is betrapt bij pogingen om andere landen binnen te komen op een vals paspoort. De reden daarvoor bleek maar al te menselijk. De eerste maal werd hij aangehouden door de Japanse douane toen hij incognito een bezoek wilde brengen aan Disneyland Tokio omdat hij zulke goede herinneringen had aan het echte Disneyland in Florida waar hij als kind was geweest. Later werd hij nog eens aangehouden op Charles de Gaulle omdat hij naar Disneyland Parijs wilde.

Kims sterkste troef is echter het bezit van de atoombom. Het is zeer waarschijnlijk dat hij hem al heeft, en als dat niet zo is, kan hij hem volgens deskundigen zonder veel omhaal produceren zodra dat gewenst is. Een internationale inspectie meer of minder doet daar niets aan af. Daarom gelden tegenwoordig op het Koreaanse schiereiland de wetten van de nucleaire Realpolitik. De reden waarom de Amerikanen Kim met zoveel meer égards behandelen dan Saddam is dat hij praktisch gesproken allang «de bom» heeft en Saddam niet. De vraag is natuurlijk wat Kim ermee wil doen en hoe ver hij zijn «brinkmanship» wil doordrijven. Met name op dit punt wreekt zich het isolement van de Noord- Koreaanse heerserskaste. Noord-Koreaanse functionarissen schuwen de internationale media, en zelfs in de lijst «topinterviews» met Aziatische staatslieden, managers en intellectuelen van de Far Eastern Economic Review, het meest prestigieuze blad van de regio, komt dit jaar wederom niet één Noord-Koreaan voor.

Het door het Westen opgeroepen imago van hun leider als waanzinnige afperser komt hen waarschijnlijk niet slecht uit. Juist door zich ogenschijnlijk irrationeel te gedragen, vergroot Kim de effectiviteit van zijn dreigementen en hij lijkt dat goed te beseffen. Daarvoor is tenminste één getuige aan te voeren, namelijk Kims hoogstpersoonlijke spin doctor, de in Tokio woonachtige Noord-Koreaanse militaire expert Kim Myong Chol, die elke ronkende verklaring uit Pyongyang van gepaste uitleg voorziet. Zijn laatste commentaar, enkele weken geleden geregistreerd: «Het maakt niet uit of Noord-Korea de bom heeft. Waar het om gaat is dat de Amerikanen het geloven. Zo worden ze door Kim Jong-il telkens weer gedwongen tot onderhandelen.»