Israel als zondebok?

Geliefde vijand

Het is helemaal niet gezegd dat een vredesregeling in de Palestijnse kwestie een garantie biedt voor grotere stabiliteit in de regio. Sommige Arabische leiders hebben niet het minste belang bij zo’n regeling. «Ze hebben de Israëlische vijand nodig om hun hoge defensiebudgetten, hun geheime diensten en hun gesloten samenlevingen te rechtvaardigen.»

De aanslagen van 11 september hebben een wereldwijde discussie op gang gebracht over de achtergronden van het internationale terrorisme en van de anti-Amerikaanse gevoelens in de islamitische wereld en het Midden-Oosten in het bijzonder. Veel commentatoren menen dat de militaire bestrijding van het terrorisme gelijk op moet gaan met een «aanpak van de oorzaken». Maar welke zijn die oorzaken? De een legt de nadruk op de ongelijke welvaartsverdeling in de wereld, de ander op de westerse machtspolitiek in de Golf. Sommigen pleiten voor grotere tolerantie jegens de islam, anderen voor complete verandering van de westerse levenswijze. De dominees Jerry Falwell en Pat Robertson scoorden het hoogst op de Sodom en Gomorra-schaal: zij beweerden dat de aanvallen een straf waren voor homoseksualiteit, vrije abortus, druggebruik en andere zonden van de Amerikaanse samenleving.
Nu het eerste stof is neergedaald, is bijna iedereen het erover eens dat tenminste één kwestie met spoed moet worden opgelost: het Israëlisch-Palestijnse conflict, sinds 1948 een bron van haatgevoelens, politieke instabiliteit en permanente oorlogsdreiging. Ook de leiders van de ad hoc-alliantie hebben zich hierbij aangesloten. President Bush liet zich ontvallen dat een «levensvatbare Palestijnse staat altijd tot onze visie heeft behoord» en oefende vervolgens zware druk uit op premier Sharon om zijn tanks terug te trekken uit Palestijnse steden. Zijn gezant in buitengewone dienst Tony Blair benadrukte de noodzaak van een vredesregeling en een zelfstandige Palestijnse staat tijdens zijn laatste rondreis langs Arabische hoofdsteden, daarbij gesteund door een groot deel van de Europese publieke opinie. De achterliggende redenering is aantrekkelijk: de anti-westerse gevoelens onder Arabieren spitsen zich toe op Israël en de steun aan dat land van zijn Amerikaanse en Europese bondgenoten. Een einde maken aan de dagelijkse, bloedige confrontaties in en rond Israël, haalt de angel uit het conflict.
Het is een visie die wordt gesteund door beleidsmakers in de hele wereld en door vrijwel alle gezaghebbende bladen, van het Amerikaanse Time en het Franse Jeune Afrique tot de Japanse Asahi Shimbun en het Egyptische dagblad al-Ahram. Zij komt ons, westerlingen, en veel verwesterde of bevriende regimes in het Midden-Oosten wel heel goed uit, maar het is helemaal niet gezegd dat een vredesregeling voor Palestina een garantie biedt voor grotere stabiliteit in de regio. Arabist Hans Jansen gaat er eens goed voor zitten boven zijn bord frites in de Leidse mensa: «Natuurlijk is zo’n regeling noodzakelijk omwille van de vrede en de rechtvaardigheid, dat zal niemand met gezond verstand betwijfelen. Maar je haalt er de angel niet mee weg. Als het gaat om de haat en frustratie van Arabieren, dan is het Israëlisch-Palestijnse conflict maar een aanleiding. De ware oorzaak is het onvermogen van Arabische regeringen om hun land behoorlijk te besturen. Ze hanteren Israël, het zionisme en de Palestijnse kwestie als bliksemafleider. Ze hebben de Israëlische vijand nodig om hun hoge defensiebudgetten, hun geheime diensten en hun gesloten samenlevingen te rechtvaardigen.»
Omdat ze zich zo diep hebben vastgebeten in Israël hebben sommige Arabische leiders niet het minste belang bij een vredesregeling. Saddam Hoessein zou erdoor in grote verlegenheid worden gebracht, evenals zijn Syrische evenknie Bashar al-Assad, die in zijn toespraak tot de paus op 5 mei jongstleden nog eens herhaalde dat de joden «alle beginselen van het heilige geloof schenden, op dezelfde wijze als ze Christus en de profeet Mohammed hebben verraden». Maar ook hun «gematigder» collega’s zouden een geliefd propagandathema kwijtraken.

Veruit de meeste nationalistische of dynastieke regimes hebben sinds 1948 gebruik gemaakt van het zionistische vijandbeeld om hun bestaan te rechtvaardigen. Dat is niet altijd zo geweest. Onder het Ottomaanse rijk dat sinds de zestiende eeuw de Arabische wereld overheerste, werden joden over het algemeen getolereerd, fatsoenlijk behandeld en zelfs in staat gesteld binnen hun gemeenschap de eigen joodse rechtspraak toe te passen. Pas na de onafhankelijkheid van de Arabische staten nam het antisemitisme virulente vormen aan. Politieke omslagen gingen gepaard met anti-joodse campagnes, zoals de machtsgreep van de Iraakse Baath-partij in 1963 waarbij dertien jonge joodse «samenzweerders» publiekelijk werden opgehangen. Kortom, het antisemitisme in Arabische samenlevingen berust niet op culturele of religieuze misverstanden. Het heeft in de eerste plaats een politieke functie.
Jansen: «Het is een soort oorlogsideologie. De regimes gebruiken Israël, het zionisme en het wereldwijde jodendom als zondebok om hun bestuurlijke gebreken en politieke mislukkingen op af te schuiven. Het zijn bijna allemaal dictaturen, hun legitimiteit bij de eigen bevolking is flinterdun en ze kunnen hun bestaan niet anders rechtvaardigen dan door naar Israël en allerlei vermeende zionistische invloeden te wijzen. Vandaar dat antisemitische uitlatingen en anti-Israëlische propaganda een vast onderdeel van het politieke discours zijn. Veel Arabieren kletsen maar raak over Israël en hun politici sturen die trend dankbaar aan. Die propaganda heeft met Israël zelf weinig te maken en dat weet de bevolking ook wel. Het zijn hun eigen regeringen die hun werk niet doen, die hun geld in het buitenland op de bank zetten en zich indekken met privileges, geheime diensten en niet te vergeten de steun van de mullah’s, een gilde dat daar uit machtswellust maar al te graag aan meewerkt.»
Israëlische onderzoekers constateren de laatste jaren een verontrustende toename van antisemitische incidenten en uitingen in Arabische landen en in de Palestijnse gebieden. Alles wat ergernis wekt in Arabische ogen, van een eenvoudig busongeluk tot en met de Pokémon-rage (die «Arabische kinderen aanzet tot gokken en drinken») wordt geweten aan de joodse vijand. Met hetzelfde gemak worden de aanslagen van 11 september aan de Israëlische inlichtingendienst toegeschreven. «In teksten wordt Israël ervan beschuldigd dat het alle oorlogen in de wereld heeft veroorzaakt en alle samenlevingen heeft ondermijnd om ze van binnenuit te veroveren», schrijft islamkenner Raphael Israeli van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem in de jongste aflevering van het Franstalige joodse maandblad L’Arche, gewijd aan antisemitische propaganda. Te oordelen naar de diverse bijdragen vormt het antisemitisme welhaast de raison d’être van Arabische regimes. «De joden hebben zowel het kapitalisme als het communisme uitgevonden, ze hebben de controle over de media en de financiële centra bemachtigd en zijn erin geslaagd de hele wereld aan zich te onderwerpen. De Protocollen van de Wijzen van Zion (een antisemitische vervalsing uit het begin van de vorige eeuw — ab) beleven een tweede jeugd in de Arabische wereld; je komt ze tegen in boeken, politieke programma’s, propagandateksten, krantencommentaren, schoolhandboeken, populaire stereotypen en godsdienstige preken. Bijgevolg is er geen beschuldiging, verzinsel of leugen aan het adres van de joden of Israël die niet onmiddellijk een voedingsbodem vindt.»

De Groningse islamkenner Fred Leemhuis relativeert deze geluiden. Hij ziet eerder een neerwaartse trend in de anti-Israëlische propaganda: «Veel Arabische landen hebben sinds het eind van de Koude Oorlog betere betrekkingen met het Westen. Ze zijn afhankelijker geworden van westerse financiële hulp en handelscontacten en daarom zijn ze steeds minder te betrappen op dergelijke propaganda. Het is wel zo dat ze die propaganda van onderop, van de kant van politieke en religieuze oppositiebewegingen, nog altijd toelaten omdat die dient als uitlaatklep voor binnenlandse grieven en onlustgevoelens. In Jordanië of Libanon lees of hoor je geen anti-Israëlische overheidspropaganda meer, in Egypte ook niet. Eén van de redenen waarom de fundamentalisten in Egypte door de overheid zo worden onderdrukt, is juist dat die fundi’s rabiaat anti-Israël zijn. Natuurlijk verschijnen anti-Israëlische en antisemitische verhalen in de Egyptische pers, ook in gezaghebbende kranten als al-Ahram, maar dan wel op de opiniepagina’s waar ze tegenover andersoortige meningen worden geplaatst. In de hoofdartikelen van al-Ahram vind je die geluiden niet terug.» Jansen is het niet met die analyse eens: «Ik sluit me aan bij Bernard Lewis, die meent dat Arabische regeringen zich inhouden om het Westen een plezier te doen, terwijl ze het antisemitisme met veel genoegen overlaten aan oppositiebladen en religieuze woordvoerders. Zodoende kunnen ze het aanboren zodra daar behoefte aan is.»
Ook Leemhuis erkent dat het antisemitisme in Arabische schoolboeken vaak dienst doet als stichtingsmythe van de eigen staat. Die schoolboeken worden echter niet door de overheid gemaakt, maar door de onderwijzers die een grote corporatistische onafhankelijkheid hebben. Leemhuis: «Het antisemitisme is eerder een onderstroom dan een bovenstroom in de Arabische cultuur. Het probleem is dus niet opgelost wanneer overheden een vredesregeling treffen. Kijk maar naar Sadat, die vrede sloot en door de moslimbroeders werd vermoord omdat hij ‹heilige grond› aan de joden had afgestaan.»
Onze haast om de partijen in het Midden-Oosten tot een vergelijk te dwingen is dus geen panacee tegen het politieke geweld in de regio, en het is maar de vraag of we zo ver moeten meegaan in de logica van de Arabische regimes en terroristische bewegingen. Vroeg of laat zullen we het probleem van de legitimiteit van die regimes onder ogen moeten zien, in de eerste plaats die van onze oliebondgenoot Saoedi-Arabië, waar de haat tegen joden en Israël, aldus Leemhuis, «buitengewoon virulent» is. Jansen denkt zelfs dat een vredesregeling geen einde zal maken aan de gewelddadige confrontaties tussen Israël en zijn Arabische buren: «Zowel aan Israëlische als Arabische kant zal een grote groep hardliners blijven bestaan die onverdroten voortgaat met geweldpleging en haatpropaganda. En wanneer Arabische regimes hun geliefde Israëlische vijand kwijtraken, vinden ze gauw genoeg een nieuwe.»