OPHEFFER

Gelijk

Pacifisme was een ‘geesteshouding’. Misschien ook wel een levenshouding.
Die ging gepaard met een voorliefde voor het linkse gedachtegoed.
Mijn ouders waren teleurgesteld uit Indië teruggekeerd; ze mochten graag met grote regelmaat aan korsten van hun oorlog pulken; ze meenden terecht dat ze door iedereen in Nederland in de steek waren gelaten. Mijn vader had zijn geloof in de sociaal-democratie (en de democratie in het algemeen) verloren, terwijl mijn moeder pogingen deed om links te zijn, wat ze vooral met de mond beleed.
Ze ergerden me.
Hoe konden die Indische mensen die een duidelijke obsessie met de oorlog hadden nu niet extreem links zijn, zoals ik? Hoe bestond het dat zij, die de oorlog aan den lijve hadden ondergaan, geen pacifist waren, zoals ik? Sterker: mijn vader wilde het liefst het pacifisme zelf bestrijden.
Mijn Marxisme, mijn Maoïsme en mijn Kommunisme en vooral mijn Pacifisme waren religieus van aard. Een pacifist onderscheidt zich van anderen door op morele dilemma’s eigenlijk geen of een vaag antwoord te geven.
‘Nu kun je door één man neer te schieten een heel volk redden. Wat doe je dan?’
‘Niets.’ (Je kon hierop variëren door te antwoorden: ‘Ik zal proberen de ander ervan te overtuigen dat hij het verkeerd ziet.’)
Toen ik op de middelbare school (eind jaren zestig) de evolutietheorie van Darwin leerde, leek me dat ‘ergens’ in strijd met het Marxisme, maar ik leerde al gauw dat Marx een grote bewondering had voor Darwin en hem zelfs een exemplaar van Das Kapital had opgestuurd. We hoorden trouwens ook tijdens die biologielessen dat Hitler een groot bewonderaar van Darwin was. Daar zat ik enigszins mee… (Goede discussies in de klas destijds: hoe zou Darwin de holocaust verklaren? Wat betekent ‘survival of the fittest’ in zo’n geval?)
Thuis betoogde mijn vader dat Marx en Hitler Darwin misbruikten. Kapitalisme – dat was volgens vader Darwinisme; Marxisme en Socialisme waren religies waar ze God uit hadden weggegumd.
Mijn vader ging een rol spelen bij het Humanistisch Verbond in Amsterdam en zodoende kwamen er toen ‘bekende denkers’ bij ons over de vloer: Piet Spigt, Constandse, Max Rood, Jaap van Praag en vele anderen. Ik luisterde naar hun verhalen. Zij luisterden naar onze puberverhalen. De discussies gingen toen al (begin jaren zeventig) over ‘links’ en ‘rechts’. Links was ‘beter’ – zo concludeerde ik. Links was liever, eerlijker, rechtvaardiger, slimmer, intelligenter…
(Wat zou ik graag al die discussies met mijn vader opnieuw willen voeren. En dan naar hem luisteren.)
Mijn vader wilde altijd winnen van mij, en ik van hem, en ik won van hem, want ik had de jeugd en ik was links en pacifist – en dan win je altijd.
Ik voelde me moreel ver boven hem verheven.
‘Had die atoombom dan niet gegooid moeten worden zodat de Jappen je moeder en mij verder konden martelen!’ schreeuwde hij.
Ik zweeg, knikte slechts – liet een pauze vallen en sprak: ‘De atoombom is a priori onmenselijk.’ Zo! Discussie gewonnen! En ik trok de deken van het gelijk nog eens behaaglijk over me heen.
Die moreel superieure houding heb ik lang gehad. Ze veranderde in een reflex. Een linkse reflex waar ik wel nooit van af zal raken, zoals een geloofsafvallige die in zijn oude kerk komt toch even schrikt als hij mijnheer pastoor ziet.