Gelijk waardig

Het was in die dagen dat we de hele dag spraken over gelijkwaardigheid. Ik zat in een commune in Frankrijk en had het daar naar mijn zin. (Men leze mijn onlangs door de shredder gehaalde boek De plant die muziek maakte, vast nog antiquarisch te krijgen.)

Gelijkwaardigheid.

Mannen waren gelijkwaardig aan vrouwen, negers aan blanken, Chinezen aan joden – we waren allemaal gelijkwaardig.

Maar hadden we ook een gelijke waarde?

Ik herinner me dat er een strijd was tussen de mensen die zeiden dat we ‘arbeiders’ waren en degenen die eisten dat we ‘ambachtslieden’ werden genoemd. Een arbeider was namelijk iemand die vervreemd was van het product dat hij maakte, een ambachtsman was dat niet. Was iemand arbeider, dan betekende dat dat hij mede eigenaar moest worden van de fabriek waarin hij werkte, waardoor de vervreemding opgeheven kon worden en hij weer ambachtsman werd en verantwoordelijkheid droeg voor zijn nobele arbeid.

Wij waren allemaal ambachtslieden en gelijkwaardig aan elkaar.

Maar sommigen van ons konden meer. Ook zaken die geen economische waarde vertegenwoordigden. Bijvoorbeeld het verleiden van vrouwen. Zij konden dat heel goed, omdat ze een natuurlijke aantrekkelijkheid bezaten.

Zo waren er vrouwen die bijzonder aantrekkelijk waren, en anderen die bijvoorbeeld een deel van hun gebit misten of geen borsten hadden wat wij mannen een beetje vervelend vonden.

De Aantrekkelijken hadden in alles een voordeel en waren absoluut niet gelijkwaardig aan ons. (Uit deze zin moge blijken tot welke groep ik behoorde.)

Het viel ons trouwens op dat De Lelijken van veel zaken de schuld kregen waarvoor nou net De Aantrekkelijken verantwoordelijkheid droegen.

Zonder het ooit uit te spreken voelden we dat er sprake was van onrechtvaardigheid. Wie mooi was, kreeg meer kansen dan wie lelijk was.

Omdat er over Schoonheid niet te twisten viel, beseften we destijds al dat we met de situatie en onze onaantrekkelijke lichamen genoegen moesten nemen. De Mooisten zwermden om de Leider heen die om ons eronder te houden grossierde in marxistische oneliners waarbij je alleen maar kon knikken.

Het voordeel van de aantrekkelijkheid zal altijd een gegeven zijn waar je economisch niets voor kunt bedenken.

Er waren ook bedienden, de nederigen. Allemaal lelijk, constateerde ik

Ik heb hier al eens geschreven dat ik ooit op een feest was waar een ‘botoxdokter’ rondliep. Wie wilde kon gratis (de gastheer betaalde ) een rimpeltje laten wegwerken.

Het was het hoogtepunt van de party. Bijna iedereen vond de dokter. Jezelf iets mooier maken, gaf je al meer kansen. We weten het al sinds Darwin.

Op het feest liepen veel ‘ambachtslieden’, oftewel kunstenaars rond. Sommigen hadden geld, anderen niet. De gastheer was een heel rijke producent. Er waren ook sponsors. De Haute Riche was in de meerderheid.

Er waren ook obers, bedienden, de nederigen.

Allemaal lelijk, constateerde ik. Lelijke kleren, sober, ze drongen zich niet naar voren, maar zorgden ervoor dat op het dienblad nu eens volle glazen stonden, dan weer verzamelden ze de lege glazen.

Er was echter één razend aantrekkelijk dienstertje met een welsprekend kontje. Iemand omschreef haar als ‘een hebbedingetje’.

Na de botoxbehandeling bij de mannen voelden ze zich Strauss-Kahn. (Die affaire speelde toen.) Ze begonnen het dienstertje te verleiden, volgens mij tot groot misnoegen van de hoogwaardige actrices die er waren en zich de eenzaamheid in hadden gebotoxt.

Wie won?

Het was de combinatie van geld en schoonheid: een knappe ICT-jongen die nog uit schaamte niet op zijn dikke bankrekening keek. Jeugd, geld en macht.

Aan het eind van de avond – na een tijdje weg te zijn geweest – werd het dienstertje toch weer alleen gelaten, misschien wel met een telefoonnummer, maar dat kon zo worden vervangen.

Ik had de pest in, weet ik nog, en dacht: stomme trut.

Ik zag hoe ze zich weer voegde bij de andere bedienden die alles begrepen.

Volgende keer beter, dachten ze allemaal.