Beeldende kunst - Tino Sehgal en de kracht van het gesprek

Gelijke kansen op een ervaring

De kunstwerken van Tino Sehgal brengen volslagen vreemden dicht bij elkaar. Jan Postma maakte een maand lang deel uit van een van zijn werken in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Medium audience 20tino 20sehgal 20at 20stedelijk 20museum 202015 20photo 20martijn 20van 20nieuwenhuyzen

Een paar maanden terug beschreef Niña Weijers in een column hoe ze in Berlijn was geconfronteerd met een werk van de Duits-Engelse kunstenaar Tino Sehgal. Om welk werk het precies ging ben ik vergeten, maar wat me nog wel helder voor de geest staat is dat ze vertelde hoe ze in een duisternis belandde en hoe er om haar heen plotseling gezang was losgebarsten, hoe iemand haar zachtjes bij haar heupen had gepakt en hoe ze in het donker samen hadden gedanst. Ze schreef hoe ze grote woorden wilde gebruiken om dat wat ze voelde te beschrijven, maar dat alle grote woorden die ze uitprobeerde slechts leken te benadrukken hoezeer ze tekortschoten. Schrijven was maar een armoedige bezigheid, dacht ze. Wat vooral was blijven hangen was hoe ze besefte dat dat wat ze had meegemaakt precies dat was waar de hoofdpersoon uit Ben Lerners Leaving the Atocha Station door was geobsedeerd: een ‘profound experience of art’. Zonder dat ik direct door had waarom zongen Lerners woorden als een loodzware opdracht door mijn hoofd, vanaf het eerste moment waarop ik het Stedelijk Museum binnenstapte om een maand lang als ‘interpreter’ onderdeel van Sehgals veel geroemde werk This Progress te zijn.

This Progress is op hetzelfde moment een van de meest ambitieuze en toegankelijkste werken van Tino Sehgal. Het enige wat de bezoeker hoeft te doen om het geheel in werking te stellen is ergens halverwege de badkuip aanstalten maken een trap te betreden, ook al lijkt die nergens in het bijzonder naartoe te leiden. Op dat moment snelt een kind van een jaar of zeven de bezoeker tegemoet en vraagt hem of haar wat ‘vooruitgang’ betekent. Het kind levert de bezoeker na een korte wandeling af bij een tiener, die hem op zijn beurt na een paar minuten na wat abrupt te zijn onderbroken overdraagt aan een jongvolwassene. Na wederom een paar minuten te hebben gelopen en gesproken verdwijnt deze vertolker nogal plotseling, tijdens het omslaan van een hoek. De bezoeker wordt na een paar seconden opgevangen door iemand die de pensioengerechtigde leeftijd, soms ruim, is gepasseerd. Deze laatste vertolker vertelt de bezoeker een verhaal alvorens hem, een minuut of vijftien of twintig nadat de bezoeker de eerste trap op was gelopen, boven aan een tweede achter te laten.

Tino al ontmoet?’ vragen mensen die van Sehgals bestaan en mijn deelname aan This Progress weten quasi-nonchalant. De eerste dagen is de teleurstelling van hun gezichten af te lezen wanneer ik moet bekennen dat ik Sehgal nog niet heb ontmoet en dat ik vooralsnog alleen contact heb gehad met buitengewoon vriendelijke en overduidelijk zeer intelligente assistenten.

Na een paar dagen staat hij dan plotseling in een van de zalen. Alle kunst is uit de ruimte verwijderd en wat rest is een in eerste instantie overdonderende hoeveelheid leegte en licht. In het midden van al dat niets staat een wat slungelige verschijning. Eind dertig, maar ergens ook het type waarvan leeftijd zich weinig aantrekt. Zijn voeten steken in een paar witte Birkenstocks en hij draagt een donkerblauw bomberjack waar de puf uit is. Zijn haar is donker en dun en het staat in plukken omhoog en opzij. Het is het haar van een baby wiens mutsje net af is getrokken. Wanneer hij ons dichter is genaderd, zijn het echter zijn ogen die alle aandacht opeisen. Het is, op dit moment dan toch, alsof hij ze permanent een beetje opengesperd houdt. Doe je eigen ogen een fractie verder open en je voelt hoe hij eruitziet. Maar dan wat minder eng.

Hij schudt enkelen van ons de hand. Als ik aan de beurt ben, kijkt hij me aan alsof hij me doorziet, zonder dat ik kan bedenken wat er precies te doorzien valt. Misschien, zo denk ik, vraagt hij zich af of ik wel in staat ben iemand een ‘profound experience of art’ te bezorgen. Misschien peilt hij of ik wel voldoende vertrouwen heb in het werk, hij beseft vast als geen ander dat er weinig anders overblijft dan lege muren en drentelende mensen wanneer de vertolkers er niet heilig in geloven. Misschien heeft hij een fotografisch geheugen, ik had ergens gelezen dat hij nooit een vertolker vergeet.

Een paar dagen later loop ik met een collega door de hal van het museum. Hij heeft Sehgal nog niet ontmoet, dus wanneer we hem op een trappetje zien zitten, stappen we op hem af. Hij kijkt me voor de tweede keer indringend aan. ‘We’ve met’, zegt hij. ‘You are Roberto, right?’

De man boog zich een klein beetje naar me toe en fluisterde: ‘Als je niet eerlijk antwoordt, vermoord ik je’

Veel krijg ik niet mee van hoe anderen hun gesprekken voeren, ik hoor in het voorbijgaan flarden of soms achteraf een samenvatting. Sommigen lijken het al te persoonlijke angstvallig te vermijden, weer anderen – vooral de vertolkers die uit academia zijn neergedaald – lijken de voorkeur te geven aan gesprekken op een louter conceptueel niveau: de bezoeker wordt een ideeënwereld in geduwd en de vraag is of hij daar vervolgens nog uit geraakt. Arnon Grunberg was er de eerste week trouwens ook. Hij converseerde opvallend vaak in het Duits. Vaker dan ik, op basis van de hoeveelheid Duitssprekenden die ikzelf trof, had verwacht.

De gesprekken die ikzelf voerde waren dikwijls korte zoektochten naar iets dat leek op een verhaal. Een gebeurtenis of ervaring waarop de bezoeker zou kunnen reflecteren. Soms lukte dat en leidde het tot een kleine openbaring. Met wie sprak ik over een sterfgeval om te eindigen bij de conclusie dat sommige tegenslagen je alleen maar sterken in het besef van hoeveel je mentaal aankunt? Het was een vrouw en ik raadde haar vlak voordat ik verdween een verhaal van Roger Angell aan, This Old Man, dat, in mijn herinnering althans, precies daarover ging. Ze had iemand verloren, maar wie heeft er niet iemand verloren? Ik hoef maar even te graven in de spaarzame aantekeningen die ik soms tussen de gesprekken in mijn telefoon maakte en ik vind haar: ‘Omgeving vindt haar een doemdenker een pessimist zwartgallig’. Zij op haar beurt vertelde hoe ze haar omgeving vaak egocentrisch vond, te veel bezig met zaken als geld en status. Ze had niet onlangs iemand verloren, besef ik nu. Ze vertelde dat haar moeder, zus, nicht en neef allen zelfmoord hadden gepleegd en dat haar zoon antidepressiva gebruikt. Dat het gesprek uitliep in een gedachtenwisseling over hoe je een mentaal overlevingsmechanisme ook kunt interpreteren als een vorm van onoverwinnelijkheid mag een klein wonder heten. Maar het besef dat wanneer alles verloren is dat wat overblijft nog waardevol is, is niets minder dan dat.

Op een vrijdagmiddag voerde ik drie gesprekken als vuistslagen. Eerst was er de jonge vrouw die hoogzwanger was, acht maanden hoog, en die vertelde reeds te weten dat haar kind een fysieke handicap zou hebben. Levensbedreigend was het niet, maar de heftigheid was er niet minder om. Ze vertelde kalm hoe ze zelf als kind was gepest en dat ze zich zorgen maakte, ze vroeg zich af hoe ze kon voorkomen dat ze haar baby zou opzadelen met haar eigen trauma’s. Dat was het moment waarop we een hoek omsloegen en ik moest verdwijnen. Tijdens het volgende gesprek vertelde een vrouw over de bipolaire stoornis van haar dochter en hoe ze zich eigenlijk altijd verschrikkelijk zorgen had gemaakt, maar dat ze het afgelopen jaar voor het eerst een zekere rust had gevonden, niet meer permanent in angst leefde maar besefte dat het nu, naar omstandigheden, al zo lang goed ging. En waarom zou dat niet zo kunnen blijven?

Ik weet niet of het de ernst en de rust was waarmee deze twee totaal verschillende vrouwen me vertelden over een last waarvan ik me in beide gevallen niet kon voorstellen hoe zwaar die moest zijn, of het doodsimpele vertrouwen dat ze in een vreemde stelden, maar in beide gevallen voelde ik me gesterkt in de overtuiging dat This Progress, wanneer het werk werkt, fenomenaal is. Niet als een soort goedkope therapie, of een eenvoudige manier om je te verbazen over een schijnbaar willekeurig ander leven, maar als een vreemde machinerie die voortdurend de meest intense verbindingen tot stand brengt, een kas waarin met felle lampen eindeloze hoeveelheden begrip voor – en misschien zelfs van – de ander worden gekweekt.

Toen ik vanuit het gangetje waar we de bezoekers opwachtten de hoek om liep om het volgende gesprek te onderbreken, trof ik een wat gedrongen man met halflang zwart haar, in het gezelschap van zijn dochter. Even dacht ik dat hij woedend was. Toen bleek dat inderdaad het geval te zijn. Hij was de eerste die zijn ergernis over de onderbreking, een ‘scharnierpunt’ in het werk dat inderdaad soms behalve iets verrassends ook iets onbeschofts leek te hebben, niet onder stoelen of banken stak. De eerste die niet wilde accepteren dat de onderbreking en mijn schijnbare voortvarendheid een integraal onderdeel waren van het werk. Na wat aandringen liep hij toch mee maar toen we de hoek omsloegen en zijn achterop rakende dochter even buiten gehoorsafstand was, herpakte hij zichzelf en zei hij: ‘Mag ik jou ook vragen stellen?’

‘Natuurlijk’, zei ik.

Ik sprak een meisje dat in tranen uitbarstte toen ik haar vroeg wanneer ze voor het laatst had gehuild

Hij boog zich een klein beetje naar me toe en fluisterde: ‘Als je niet eerlijk antwoordt, vermoord ik je.’

Ik was even stil. Het was niet zozeer eng, eerder naar. ‘Ik zal mijn best doen’, zei ik uiteindelijk maar, omdat ik het ook allemaal even niet meer wist.

De man bleef me boos aankijken en mompelde iets als: ‘Als jij mij probeert te ontregelen, dan ontregel ik jou.’

We liepen verder maar het gesprek wilde niet meer vlotten. Hij had sowieso niet echt zin in dit hele circus. Ze waren op zoek geweest naar een zaal met werk van Wim T. Schippers, zei hij.

Ik zag mijn kans schoon en begon aan een anekdote over Schippers, iets over dat hij eens een espresso bestelde en toen de ober zijn bestelling herhaalde als ‘één expresso voor meneer’ direct opstond en vertrok, onder het motto: ‘Dan zal de koffie ook wel niet te drinken zijn.’ In plaats van dat dit de lucht klaarde keek de man me opnieuw woedend aan. ‘Kom, we gaan’, zei hij tegen zijn dochter, die veronstschuldigend haar schouders ophaalde voordat ze samen wegbeenden. Behalve de vrouw die halverwege onze wandeling een opvlieger kreeg en die bijkans de zaal uit rende, op zoek naar verkoeling of eenzaamheid, waren deze twee de enige weglopers die een blijvende indruk maakten.

Ik sprak een man over gezond eten en het gesprek kwam op de zeldzame botziekte van zijn dochtertje. Toen ze een jaar of vier was en een nieuw medicijn bleek aan te slaan, zei ze: ‘Papa, ik ben zo blij met mijn nieuwe lichaam.’ Ik sprak een vrolijke, 26-jarige Italiaan die gepassioneerd bij McDonald’s werkte, hij hield van werken, vanaf het moment dat hij van school was gegaan en achter een lopende band had gestaan, iets met honden- en kattenvoer, was het eigenlijk altijd een gelukkig huwelijk geweest. Iedere ironie was hem vreemd. Ik sprak een meisje wier drugsverslaafde moeder zelfmoord had gepleegd. Ze was twaalf geweest toen het uiteindelijk voor de laatste keer misging. Ik hoorde mezelf zulke directe vragen stellen dat ik ervan schrok. ‘She had been gone for four years when she died. I had learned to live with the pain. But the bond was formed in the womb’, zei ze. ‘I am half her. Half of me is her.’ Ik sprak een Engelsman die ik begin veertig schatte maar die vertelde min of meer met pensioen te zijn, na een carrière als topambtenaar. Ik sprak een man die ik amper kon verstaan. Nog een paar weken en dan zou de dood van zijn vrouw precies een jaar geleden zijn. Ook zij was manisch-depressief geweest. Nu was hij met de psoriasis-vereniging in Amsterdam. De rest van de groep was naar het Rijks, maar omdat hij daar al eens was geweest, had hij besloten in z’n eentje naar het Stedelijk te gaan. Ik sprak een snow bunny uit Aspen met een eigen softwarebedrijf die met haar ‘sugar daddy’, een man die zo vies grijnsde als dat woord impliceert, in Amsterdam was voor het Amsterdam Dance Event. Ik sprak een bloedarrogante Noorse kunstcriticus die verkondigde werken van Tino Sehgal te verzamelen, er schijnbaar blind voor dat zijn onstuitbare drang om op te scheppen hem iedere kans op een sublieme ervaring ontnam. Ik sprak een Duits stel. Zij nam graag risico’s en viel vaak. Hij had daar minder last van maar had wel eens een evenement georganiseerd en was daarbij driehonderd kinderen kwijtgeraakt. ‘Five hundred made it, though.’ Toen moest ik verdwijnen. Ik sprak een Israëlische vrouw die met haar zus in Amsterdam was. Na een paar jaar dienstplicht had ze besloten ook de rest van haar leven aan het leger te geven. Vertelde ze de eerste vrouwelijke generaal te zijn geweest? Dat waar ze terugkijkend het meest trots op was, was haar rol in de integratie van het leger. Ik vergat te vragen hoe Ariel Sharon en Moshe Dayan als mens waren geweest. Ik sprak een meisje dat in tranen uitbarstte toen ik haar vroeg wanneer ze voor het laatst had gehuild. Ze was een paar maanden eerder vanuit de VS naar Engeland verhuisd en vanaf het moment dat haar moeder haar op het hart had gedrukt dat alles goed zou komen, was eigenlijk alles in de soep gelopen. Zelfs haar vlucht was gecanceld. Ik sprak een smoorverliefd Italiaans stelletje. Ze hadden elkaar voor het eerst ontmoet tijdens een oud-en-nieuw-feest, toen hij haar tand brak door te toosten terwijl ze een slok nam. Gelukkig was haar vader tandarts en had ze direct de volgende dag in zijn stoel kunnen plaatsnemen. Ik sprak mensen die droomden over hun toekomst en mensen die juist alles in het werk stelden dat niet te doen en ‘in het moment’ te leven. Mensen die iemand of iets wilden worden en mensen die dachten iemand of iets te zijn. Mensen die tevreden waren met wat ze hadden en mensen die niet konden ontkennen meer te willen. Mensen die domweg gelukkig waren en mensen die het gevoel hadden dat ze hun geluk niet verdienden. Mensen die in het verleden leefden.

Het bijzondere aan This Progress is de wijze waarop en de mate waarin het werk zich naar de bezoeker vormt. Sehgal zelf liet geen gelegenheid onbenut om te benadrukken hoe belangrijk hij het democratische gehalte van zijn werk vindt, hoopt dat het erin slaagt iedereen een gelijke kans op een ervaring te bieden. Ik twijfelde aanvankelijk, vroeg me af of dit in feite niet neerkwam op een soort artistiek populisme of een opgedrongen medeplichtigheid. En lang niet alle gesprekken leverden iets op. Maar uiteindelijk valt de kracht die van het werk uitging niet te ontkennen. Hij school volgens mij in de wijze waarop, in het beste geval, en dat was opvallend vaak, twee of drie volslagen vreemden elkaar volledig open of op z’n minst oprecht tegemoet treden. En de empathie die daarvoor nodig is, is meer dan alleen een onderkenning van het gedeelde, het is een overwinning op het wezenlijke verschil.


December is de laatste maand van Tino Sehgal, A Year at the Stedelijk in het Stedelijk Museum in Amsterdam; stedelijk.nl

Beeld: Publiek aanwezig bij de performance van Tino Sehgal in Het Stedelijk Museum, 2015. Foto: Martijn van Nieuwenhuyzen