Geloof

De huidige situatie rond het raadgevend referendum is complex. Voorstanders, gelovigen, komen door de recente berichten over beïnvloeding extra in het defensief.

Het referendum lijkt wel een godsdienst. Je hebt gelovigen, ongelovigen, twijfelaars en opportunisten, en vooral de eerste twee groepen laten zich niet overtuigen door de argumenten van de ander. Misschien dat Nederland daarom al meer dan zestig jaar praat over en – mondjesmaat – experimenteert met het referendum.

In 1952 was er al eens een proefreferendum, in slechts twee gemeenten. Wat me nog het meest verbaast, is het onderwerp: of de bewoners behoefte hebben aan een Europese grondwet. Het eerste landelijke raadgevend referendum in 2005 ging ook juist daarover. In de jaren vijftig stemde bij een hoge opkomst ruim negentig procent vóór een Europese grondwet. Ruim vijftig jaar later stemde Nederland bij een lagere, maar nog steeds jaloers makende opkomst van ruim 63 procent met een overtuigende meerderheid juist daartegen. Ook de twee nationale referenda die daarna nog zijn gehouden, eveneens niet bindend, lieten een nee-stem zien: nee tegen het verdrag met Oekraïne, nee tegen de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De eerste keer, bij het proefreferendum, is het kabinet in zijn nopjes met de uitslag. Allicht, want die past helemaal in het eigen straatje. De drie andere keren zit het kabinet met de uitslag in zijn maag. En met het laatste referendum, over wat de sleepwet wordt genoemd, zit het dat nog steeds.

De huidige situatie is kort samengevat complex. In het kabinet zitten drie partijen, vvd, cda en ChristenUnie, die geen voorstander zijn van het referendum. De twee christelijke partijen geloven er niet in: de parlementaire democratie moet niet doorkruist worden door referenda. Ook de vvd wijst het referendum inmiddels af, maar dacht daar ooit anders over.

De vierde coalitiepartij, d66, was ooit gelovige als het om het referendum gaat, maar is sinds kort ook afvallige. Bij de coalitieonderhandelingen heeft d66 ingestemd met het afschaffen van de Wet raadgevend referendum, en ook met de voorwaarde dat over die afschaffing geen referendum meer mag worden gehouden. Het initiatiefwetsvoorstel van d66 voor een ander referendum, correctief én bindend, dat al één keer door beide Kamers is aangenomen, is door de partij niet meer in tweede lezing ingediend, wat nodig is omdat het een grondwetswijziging betreft. Toen de SP dat deed, stemde d66 tegen.

De volksraadpleging is nu vooral in trek bij lager opgeleiden

d66, de partij die ooit werd opgericht om het politieke stelsel te democratiseren, moet van de rechtstreekse stem van het volk niet veel meer hebben. Is die draai gemaakt om te kunnen meeregeren? Ironisch genoeg is het helemaal in lijn met wat er zich onder burgers afspeelt. Vroeger waren het vooral de hoogopgeleiden, zeg maar de potentiële d66-kiezers, die pleitten voor een referendum, inmiddels is de volksraadpleging vooral in trek bij lager opgeleiden. Die zien het als middel om hun stem te laten horen aan de politiek, waarin zij zich slecht vertegenwoordigd voelen. Het referendum als instrument van de Tegenpartij. Zo was het niet bedacht.

Het officiële argument van het kabinet om het raadgevend referendum nu al te schrappen, is dat het niet heeft gebracht wat ervan werd verwacht. Dat is lekker vaag. Maar er gaat een aantal wezenlijke kritiekpunten achter schuil. Het referendum is slechts raadgevend, maar dat wordt nogal eens – al dan niet bewust – vergeten. De politiek hoeft een wet bij een nee-stem dus niet in te trekken. Daar komt bij dat het onduidelijk is wat een nee-stem behelst. Zo vragen de pleitbezorgers van het referendum over de sleepwet ook niet om intrekking. Een nee tegen internationale verdragen, zoals het Oekraïne-verdrag, is vervolgens ingewikkeld: moet Nederland dan als enig land niet meedoen?

Over de ongelukkige opkomstdrempel van dertig procent om het referendum geldig te laten zijn is ditmaal niet veel gediscussieerd. Doordat de volksraadpleging samenviel met de gemeenteraadsverkiezingen was het gunstiger daarover te zwijgen. Dan zouden mensen vergeten dat niet-stemmen een wapen is om het referendum ongeldig te maken. Maar in het noorden, waar wegens herindelingen geen raadsverkiezingen waren, was hetzelfde beeld te zien als bij het Oekraïne-referendum: de nee-stemmers kwamen naar het stemlokaal, de anderen bleven thuis.

Toen in 1999 een voorstel om een correctief bindend referendum in te voeren op het allerlaatste moment sneuvelde, zat ook in die wet een drempel. Maar dat was opvallend genoeg een drempel over de uitkomst: een wet kon alleen worden tegengehouden als minstens dertig procent van het totaal aantal kiesgerechtigden tegen stemde. Ook moesten er toen veel meer handtekeningen worden opgehaald om een referendum te krijgen, handtekeningen die bovendien op het stadhuis moesten worden gezet. Digitaal kon dat toen nog niet.

Door de recente berichten over de heimelijke beïnvloeding van kiezers, via sociale media, door privé-gegevens over burgers te kopen, zoals in het schandaal rond Cambridge Analytica en de mogelijke beïnvloeding van het Brexit-referendum, is het inmiddels noodzakelijk het houden van referenda extra kritisch te bekijken. Bij een keuze tussen alleen een ja of een nee is invloed uitoefenen (nog) makkelijker dan bij parlementsverkiezingen waarbij Nederlandse burgers kunnen kiezen tussen vele politieke partijen. Stel dat in Nederland de uitkomst van het Oekraïne-referendum beïnvloed is? Het zou naïef zijn deze bedreiging buiten beschouwing te laten. Deze nieuwe ontwikkelingen zal ongelovigen doen volharden in hun verzet tegen het referendum. Gelovigen komen er extra door in het defensief. Mooi onderwerp voor de staatscommissie die dit jaar komt met een advies over het parlementair stelsel. Durft die commissie het referendum nog een keer aan te bevelen?