De gematigde weg van de jonge salafisten

Geloof en denk

Het salafisme in Nederland is op z'n retour. Het militante is ervan af en salafistische imams prediken tegenwoordig tolerantie en integratie. ‘Zolang er in Nederland geen women only-ziekenhuizen zijn, dan maar naar een mannelijke arts.’

ER LEVEN 53.000 streng orthodoxe moslims in Nederland. Dat is acht procent van de Nederlandse moslimbevolking. Dit zijn de fundamentalisten die bekend staan om hun vreemde verboden. Iedereen kent er wel een of meer van: verbod op popmuziek, op gemengd zwemmen, op fysiek contact tussen man en vrouw buiten de familie, et cetera. Het was even schrikken toen dit getal 53.000 anderhalve maand geleden bekend werd.
Een eerdere schatting zette het aantal salafisten - wier gedachtegoed overeenkomt met dat van streng orthodoxe moslims - op de helft, tussen de twintig- en dertigduizend. Die schatting kwam van de AIVD en was nattevingerwerk op basis van observaties bij moskeeën zelf. De nieuwe schatting komt uit het rapport Salafisme in Nederland: Aard, omvang en dreiging en is veel geloofwaardiger omdat het om een steekproef onder alle Nederlandse moslims gaat. Geloofwaardiger en enger, want de dreiging van de radicale islam leek plotsklaps twee keer zo groot als we tot dan toe dachten.
Jean Tillie, hoofdonderzoeker van het nieuwe rapport, probeerde de conclusies nog wel te nuanceren. Volgens hem was de radicale moslim geen gevaarlijke extremist, maar ‘een vriendelijke, oude man in een jurk’. Daarnaast, zo stond in het rapport te lezen, worden zij steeds gematigder, bijna democratisch zelfs. Het mocht niet baten. De salafist was in opmars en dat was op zichzelf gevaarlijk genoeg.
En dan te bedenken dat we deze Hollandse fundamentalisten al bijna weer waren vergeten. In de eerste helft van dit decennium stonden zij voortdurend in het centrum van de aandacht. In de jaren na de moord op Pim Fortuyn kwamen salafistische predikers veelvuldig in opspraak. Het leven van ongelovigen moest 'tot een ondraaglijke hel’ gemaakt worden; homo’s moesten van flatgebouwen worden gegooid en ontuchtplegers gestenigd.
De salafistische moskeeën El Tawheed (Amsterdam) en As Soennah (Den Haag) werden synoniem voor de mislukte integratie van moslims in Nederland. De leden van de Hofstadgroep, het clubje extremisten van onder anderen Jason W. en Samir A. dat in november 2004 in Den Haag werd opgerold, gingen geregeld naar de As Soennah-moskee in Den Haag. Mohammed B. luisterde in diezelfde moskee drie maanden voor zijn misdaad naar een preek waarin zijn latere slachtoffer, Theo van Gogh, 'een ziekte die door alle bewoners van de aarde niet kan worden genezen’ werd toegewenst.
De beweging bevond zich op dat moment op de top van haar populariteit. Jonge moslims kwamen uit het hele land om de vrijdagmiddagpreken van roemruchte salafistische imams als Fawaz Jneid, Mahmoud Shershaby en Ahmed Salam te horen. Ondertussen bezochten jonge bevlogen predikers de kleinste dorpen in de verste uithoeken van Gelderland en Brabant om in afgeladen zalen Gods woord te verkondigen.
De populariteit zorgde er tegelijkertijd voor dat hun radicale en van tijd tot tijd haatdragende houding prominenter in het publieke zicht kwam. De AIVD en toenmalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk klopten steeds nadrukkelijker op de poort en eisten verandering. Sommige imams grapten bij hun bijeenkomsten dat zij niet alleen de broeders en zusters van het geloof moesten verwelkomen, maar ook die van de inlichtingendienst. In 2005 probeerde Verdonk drie salafistische imams uit Eindhoven het land uit te zetten. De rechter floot haar in twee van de drie gevallen terug. Tot groot publiek ongenoegen konden twee 'haatbaarden’, zoals salafistische imams ondertussen bekend stonden, hun werk hervatten. Eén werd daadwerkelijk Nederland uitgezet. Het gaf een duidelijk signaal af aan de salafistische gemeenschap dat hun gedrag nauwlettend in de gaten werd gehouden en de staat ze liever kwijt dan rijk was.

TOEN IN 2007 in de Amsterdamse wijk Slotervaart rellen uitbraken tussen Marokkaanse jongeren en de politie, vond er iets bijzonders plaats. Imam Fawaz Jneid, de man die een paar jaar eerder Van Gogh nog een ongeneeslijke ziekte had toegewenst, riep op tot kalmte. De jongens mochten de levens van de agenten nu niet tot een ondraaglijke hel maken maar moesten ze 'met respect behandelen’. Het was voor het eerst dat een salafistische imam in het openbaar de autoriteiten steunde, in plaats van die tegen te werken.
Deze koerswijziging was het resultaat van een interne discussie tussen de belangrijkste salafistische imams. 'De moord op Theo van Gogh was voor hen een eyeopener’, zegt Martijn de Koning. 'Misschien was de weg die wij hebben gekozen toch niet de juiste? Misschien hebben wij de controle verloren?’
De Koning houdt zich als antropoloog bezig met Nederlandse moslims en is in die hoedanigheid al sinds jaar en dag te vinden in de salafistische centra. De Koning: 'Fawaz Jneid heeft Van Gogh behoorlijk vervloekt in zijn preken. Ik snap best dat mensen zich afvragen of dat nu wel zo verantwoord was. Salafisten hebben altijd veel aandacht besteed aan de voorwaarden waaronder je wel of niet aan jihad mag doen. De vraag die een aantal predikers zichzelf stelde, is of zij konden verwachten dat hun volgelingen al die voorwaarden altijd in acht zouden nemen.’ De moord op Van Gogh beantwoordde hun vraag. 'Daarom is men veel voorzichtiger geworden.’
De grens tussen een geweldsverbod en een geweldsgebod was zo vaag dat zelfs doorgewinterde salafisten die niet altijd zagen. De salafistische predikers hielpen ook niet bepaald mee. De Koning: 'Wat veel gebeurt, is dat de predikers proberen de prioriteiten van hun deelnemers te veranderen. Dat de eerste loyaliteit niet meer bij Nederland ligt, maar bij de islamitische gemeenschap. Als jij de islam als hoogste prioriteit hebt en je hebt het gevoel dat de islam en de moslims worden onderdrukt, dan kan dat heel gevaarlijk worden.’ Heel gevaarlijk? 'Nou ja, de daadwerkelijke stap om tot geweld over te gaan is toch heel groot. Neem het Hofstadnetwerk, het enige heel extremistische netwerk dat we in Nederland hebben gehad. Het overgrote deel van dat netwerk, dat ook salafistisch was, heeft nooit geweld gebruikt.’
Toch maakten de imams zich wel zorgen over de richting die hun beweging op ging. Wat zij zagen, was hoe wijdverspreid politiek geweld werd goedgekeurd in hun gemeenschap. Jean Tillie vroeg in het kader van zijn onderzoek naar het Nederlandse salafisme aan elfhonderd Nederlandse moslims van alle geloofslinies of zij geweld vanuit hun religie gerechtvaardigd vinden. Maar liefst elf procent van hen zei van wel.
Maar ook Tillie zegt dat we de zaak niet groter moeten maken dan ze is. Voor het overgrote deel zijn het oudere mannen die vanaf hun bankstel wel een heleboel vinden, maar daar in de praktijk niets mee doen: 'Die oudere Marokkaanse mannen hebben niet de neiging politiek actief te worden. Daardoor wordt het nooit een extremistische groep. Men is geen democraat in het gedachtegoed, maar ondermijnt tegelijkertijd die democratie ook niet.’
Als er al een gevaar komt vanuit salafistische hoek, dan komt het van de jongeren. Tillie: 'De jongeren zijn vooral de ideologische voorhoede. Vergelijk het met een politieke partij, bijvoorbeeld GroenLinks: de jongeren zijn de activisten, terwijl de ouderen de stemmers zijn.’ De salafistische jongeren kunnen volgens hem eindeloos soebatten over schijnbaar futiele theologische kwesties, maar ook over hun positie in de maatschappij. Hij noemt ze 'de fijnproevers’.

HET SALAFISME heeft een lange traditie van zulke geëngageerde fijnproevers. De beweging werd opgericht als reactie op het Europese imperialisme dat de islamitische wereld vanaf het midden van de negentiende eeuw opslokte en verorberde. De belangrijkste grondlegger, Jamal al-Afghani, was een uitgesproken activist. Zijn leven stond in het teken van een politieke strijd tegen de Britse overheersers in de gebieden waar hij verbleef: Afghanistan, India en uiteindelijk Egypte.
In Caïro ontwikkelde hij op zijn oude dag een antwoord op de vraag waarom die pijnlijke vernedering van het imperialisme de moslims zo hard moest treffen. Moslims waren volgens hem afgedwaald van het pad dat God hun via zijn profeet Mohammed had laten zien. Zij hadden toegegeven aan allerlei moderne duivelse verlokkingen. Verlokkingen waar geen van de eerste generaties moslims zich aan laafden. Hij verwees naar hen als al-salaf al-salih, de vrome voorouder. Wilden de moslims weer vooruitstrevend worden, dan moesten ze leven als de profeet en zijn vrome tijdgenoten. Zij moesten, in andere woorden, salafisten worden.
Vandaar de houten stokjes om de tanden mee te poetsen, de enkels die - al is het min tien - altijd bloot moeten zijn en het niet aanraken van het andere geslacht, al gaat het om het schudden van een hand. Tegelijkertijd vergat al-Afghani zijn politieke strijd niet. Hij riep moslims op voor zichzelf op te komen en niet slaafs de politieke en religieuze machthebbers te volgen. Geloof en denk, was zijn credo.
In die geest leidt de huidige uitwisseling van ideeën over geloof en maatschappij tussen jonge salafisten onvermijdelijk tot een nieuw gematigd salafisme, meent Martijn de Koning. Er is binnen de salafistische gemeenschap een cultuur van discussie en compromis ontstaan. Daarnaast komen ze door hun prominente positie steeds meer in contact met de buitenwereld. Dat leidt volgens Tillie ook tot een heel praktische vorm van matiging, al heeft men dat niet altijd door: 'Neem bijvoorbeeld de As Soennah-moskee. Die werd zo populair dat ze wilden uitbreiden. Het gevolg was dat ze constant in gesprek waren met ambtenaren. Dat matigt enorm. Participeren in de democratie maakt je democratisch, al is je gedachtegang dat niet.’ En de radicale jongens die niet aan dit spel mee willen doen, worden volgens Tillie geëxcommuniceerd: 'Jongeren die tegen het extremisme aanhangen, zijn nu zwervers. Die worden overal moskeeën uitgeschopt.’
Die nieuwe op integratie gerichte houding is hier en daar al te zien. Jonge salafistische predikers wijzen moslimvaders terecht die enerzijds niet willen dat hun dochters gaan studeren en werken, maar anderzijds ook niet willen dat zij door een mannelijke arts worden behandeld. Je kunt niet allebei hebben, zeggen de predikers, want als je het laatste niet wilt, moeten er meer vrouwelijke artsen komen. Dus stuur uw dochter naar school, is hun oproep. Daarnaast vinden zij het onmenselijk om je dochter zorg te ontzeggen. Zolang er in Nederland geen women only-ziekenhuizen zijn, dan toch maar een mannelijke arts.
Roeien met de riemen die je hebt en tegelijkertijd werken voor een betere boot. Die pragmatische insteek is volgens De Koning illustratief voor de weg die het salafisme is ingeslagen: 'Het is een stroming die oude wortels heeft en claimt terug te willen naar die wortels. Maar je ziet dat ze veel modern gedachtegoed in hun ideeën hebben zitten. De jongeren zijn zeer individualistisch en benadrukken dat de moslims niet zomaar geleerden moeten navolgen, maar op hun eigen onderzoek moeten afgaan over wat de islam voor hun leven inhoudt.’
Zo bekeken waren de imams van de grote salafistische moskeeën, ondertussen toch ook al een paar jaartjes ouder, gedoemd de controle over hun jonge lammeren te verliezen. De jongeren maken voor zichzelf wel uit wat ze geloven. De imams kunnen alleen maar proberen bij te blijven. Hun invloed reikt amper voorbij de minbar, de preekstoel. En dat begint zich te tonen. De vrijdagpreken blijven druk bezocht, voornamelijk door oude mannen. Voor de rest lopen de bezoekersaantallen terug. Nooit was het zo druk in de moskeeën als in de periode direct na de moord op Van Gogh. Ramptoeristen en meelopers waren dat, 'nieuwsgierigen die wel eens wilden horen wat imam Fawaz nu weer te vertellen had’, zegt De Koning. Maar toen bleek dat er een nieuwe wind door de moskee waaide, dropen zij teleurgesteld af.

IN 2006 SCHATTE een rapport van de Universiteit van Amsterdam dat twee procent van de moslims in de hoofdstad geradicaliseerd was. Als dat cijfer wordt doorgetrokken naar Nederland zou het gaan om zeventienduizend radicale salafisten. Tillie: 'Ik vermoed dat dit de komende jaren terugloopt naar ongeveer vijftienduizend leden.’ Dat zijn de echte diehards, voor het overgrote deel jonge moslims, Marokkanen, Turken en autochtone bekeerlingen, wier levens volledig in het teken staan van hun geloof. Die levensstijl kan heel bevredigend zijn. Vooral voor personen die voor de rest niets zinvols hebben in hun leven biedt het houvast.
De salafistische organisaties die graag willen groeien, zitten met deze diehards in hun maag, constateert De Koning: 'Het is een behoorlijke opgave om zo te leven. Het is zo strikt en de druk van hun omgeving is heel groot.’ Hij wijst op families die niets van de nieuwe levensstijl van hun zoon of dochter begrijpen, op de nieuwe baan waar de baas meteen vraagt of die djellaba nou echt nodig is, op de scheldpartijen die je op straat ondergaat als je een niqaab draagt.
Veel moslims kunnen of willen dat offer niet brengen. Zeker als ze ouder worden en hun wereldlijke leven meer betekenis krijgt, stappen ze uit. De Koning: 'Op het moment dat er kinderen in het spel komen, gaat de schoen echt wringen. Die nemen erg veel tijd in beslag. Familie krijgt de hoogste prioriteit. In het begin wil je nog wel eens naar salafistische lezingen gaan. De kinderen kunnen wel mee, maar het is toch lastig want ze zitten niet stil en moeten steeds gevoed worden. Uiteindelijk ga je niet meer.’