KEITH RICHARDS, DE AUTOBIOGRAFIE

Geloof het of niet

Keith Richards, Life. € 24,95

Rolling Stones-gitarist Keith Richards heeft een autobiografie geschreven. Al sliep hij maar twee keer per week, in die slaap schreef hij wel zijn grootste hit.

In een van de meest merkwaardige hoofdredactionele commentaren die ooit in NRC Handelsblad hebben gestaan, werd enkele jaren geleden betreurd dat de Rolling Stones nog steeds bestaan. Van een vergelijkbare gretigheid was het leedvermaak toen in 2008 het bericht op showbizzsites verscheen dat Keith Richards op Fiji uit een boom was gevallen, toen hij die probeerde te beklimmen.
Heviger dan andere artiesten die uitzonderlijk lang op het podium staan, lijken de Rolling Stones alle sentimenten op te roepen die kennelijk kunnen loskomen wanneer sterren niet meer de vader, maar inmiddels met gemak de grootvader kunnen zijn van sterren aan wie wél nog de deugd van de jeugd kleeft.
Na lezing van Life, de autobiografie van Stones-gitarist Keith Richards, is duidelijk dat het een mirakel mag heten dat het überhaupt zo ver is gekomen dat Richards nog kan proberen in een boom te klimmen (‘Geen palmboom of zo, het was zo'n knoestige lage boom, eigenlijk een horizontale tak’). Als statistieken algemeen geldig verklaard zouden worden, was Richards al lang dood geweest. Al ver voor de helft van zijn boek is de hoeveelheid arrestaties wegens drugsgebruik, politie-invallen en dronken rechters ontelbaar geworden. Door Richards’ ghostwriter worden al die avonturen - want dat zijn het, en Richards weet het - opgediend op een soms wat houterig vertaalde, maar aanstekelijke, branieachtige man-zit-aan-de-bar-en-vertelt-terwijl-hij-er-nog-een-bestelt-toon.
Richards zelf gaat er prat op dat zijn geheugen fenomenaal is: 'I haven’t forgotten any of it.’ Wat inderdaad zo blijkt te zijn, al ontkom je al lezend ook niet aan de indruk van de man die eventuele gaten in dat geheugen zelf wel opvult met een anekdote, en dan liefst niet de saaiste.
'Jarenlang sliep ik twee keer per week’, schrijft Richards droog aan het begin van hoofdstuk 2. Het is een van de ontelbare nonchalante mededelingen die de lezer maar een paar seconden op zich hoeft te laten inwerken om een beeld te krijgen van het leven dat erachter schuil moet zijn gegaan; een leven dat overloopt. Zo'n leven had wel een hele serie boeken kunnen opleveren, dus Richards heeft moeten kiezen voor het indikken. Hij staat niet te lang stil bij al die verschillende tijdsbeelden waartegen de geschiedenis van de band zich afspeelt - wat de Stones juist uniek maakt, want geen enkele band ter wereld bestaat of bestond ooit zo lang op zo'n hoog niveau. Maar een verdwaalde mededeling over een wegrestaurant vol bonkige vrachtwagenchauffeurs met stekeltjeshaar bij wie alleen al de aanblik van mannen met lang haar ongekende agressie oproept, maakt veel duidelijk, ook over de functie die de rebellie van de Stones-leden de eerste jaren had. De autoriteiten die Richards beschrijft, kunnen bij zelfstandig denkende mensen alleen maar leiden tot antiautoritair gedrag.
Uiteraard staat het boek van Richards vol met drugs. Zijn anekdotes zijn niet wezenlijk anders dan die van al die andere rocksterren die veel drugs gebruikten en daarover schreven Ze zijn alleen talrijker, omdat Richards veel ouder is geworden en dus nog veel meer drugs heeft kunnen uitproberen. Pas na die boom op Fiji hield hij ermee op. En ze zijn uitzinniger, omdat Richards meer geld en roem had dan al die anderen en zich dus meer kon permitteren.
Wanneer het gaat om de analyse van zijn verslavingen komt Richards niet veel verder dan vele andere verslaafden: niet zozeer zijn eigen persoonlijkheid, maar de omstandigheden - in dit geval: de roem - waren de boosdoener. Dat hij zelf ook nog vermoedt dat hier nog een heel verhaal achter zit, stipt hij even aan, maar aan de vraag waarom hij zo bang was voor de roem dat hij die angst moet verdoven, terwijl hij tegelijk poneert: 'Ik heb me altijd op mijn gemak gevoeld op het podium’, waagt hij zich niet.
Wat vooraf nieuwsgierig maakte, zoals altijd bij grootheden waarvan er zo duidelijk twee nodig waren om allebei groot te worden, is de verhouding met Mick Jagger. Richards drukt een brief aan zijn tante uit april 1962 af, waarin hij beschrijft hoe de twee elkaar leren kennen op het station en hoe gezamenlijke muziekliefde de motor achter hun vriendschap wordt. ('Hij heeft elke plaat die Chuck Berry ooit heeft gemaakt en al zijn vrienden ook.’) Links en rechts deelt hij later een sneer uit naar de ijdele en berekenende Jagger, en de mededelingen waarin hij uitlegt wat hij wel waardeert aan Jagger zijn ook echt mededelingen: koel en formeel opgesteld.
En toch zit er een schoonheid in die vriendschap: de schoonheid van twee mannen die zoveel samen hebben meegemaakt dat er in menig opzicht geen afstand meer mogelijk is, wier herinneringen zo gedeeld zijn dat ze de enorme verschillen in karakter overschaduwen. Het lijkt op een bloedband, de connectie tussen Jagger en Richards: al zouden ze willen, dan nog zouden ze niet meer zonder elkaar kunnen. Hoe afkeurenswaardig ze elkaars daden soms ook vinden (Richards spuugt in het boek graag op Jaggers solowerk), die afkeur zal nooit meer finale consequenties hebben, omdat er geen weg terug meer is naar een leven zonder elkaar.
Dat leven met elkaar is gebaseerd op een legendarisch oeuvre, en daar vertelt Richards graag en mooi over. Hij stelt een paar keer expliciet dat geld geen drijfveer was en nog steeds niet is, maar dat blijkt vanzelf wel uit het onversleten enthousiasme waarmee hij schrijft over muziek maken. Zelfs wanneer Richards het heeft over de onmetelijke vreugde van het toch tamelijk specialistische 'five string open G-tuning’ houdt hij de lezer bij de les door zijn leesbare blijdschap, waarbij hij niet vergeet uit te leggen waar hij het over heeft. Ook uit zijn verhalen over het spelen zelf spreekt een onstuitbare vrijheidsdrang: 'Alles wat ik weet, heb ik van platen geleerd. Iets meteen kunnen naspelen, zonder de grote beperkingen die bladmuziek oplegt, zonder de gevangenis van de maten, die vijf lijnen.’ En die vrijheidsdrang strekt zich uit tot de verhouding met fans. Over 1968, tijdens de voorbereidingen van het album Beggars Banquet: 'Ik denk dat ik wel namens de Stones uit die tijd kan spreken als ik zeg dat het ons niets kon schelen wat de fans wilden.’
Dat schrijven van al die liedjes komt uiteindelijk altijd op hetzelfde neer, schrijft Richards: 'Als je eenmaal een idee hebt, komt de rest vanzelf. Het is net alsof je een zaadje hebt geplant, dat water geeft en opeens komt ie boven de grond en roept: hé, kijk mij eens!’
Op één nummer na dan: Satisfaction, het nummer waarmee de Stones wereldberoemd werden. Dat schreef Richards in zijn slaap, schrijft hij in de zelfverzekerde taal van de anekdote die al zo vaak is verteld dat in die herhaling zijn eigen waarheid schuilt. 'Ik wist helemaal niet dat ik het had geschreven, maar gelukkig had ik die kleine Philips-cassettedeck. Het toeval wilde dat ik er de volgende ochtend naar keek en zag dat het bandje helemaal was doorgespoeld. Ik drukte op rewind en hoorde Satisfaction. Het was maar een ruwe versie. Daarna veertig minuten gesnurk van mij.’
Zoals Richards al schrijft op de flap: 'Believe it or not.’

KEITH RICHARDS, JAMES FOX
LIFE: DE AUTOBIOGRAFIE
Uit het Engels vertaald door Jolanda te Lindert A.W. Bruna Uitgevers, 576 blz., € 24,95