Geloofsbelijdenis van een domgeer

MATTHIJS van Boxsel heeft geweten waaraan hij begon toen hij in 1986 zijn schier onmogelijke project De encyclopedie van de domheid startte. In het eerste deel ervan, door hemzelf in Amsterdam fietsend van boekhandelaar naar boekhandelaar bezorgd, kondigde hij aan dat het om een onderneming ging die ‘nog in volle ontwikkeling verkeert’. Een abonnement erop kostte 75 gulden. Er werden alvast vier afleveringen aangekondigd ‘waarin historische feiten en details worden verzameld uit het geschakeerde spectrum dat het verschijnsel domheid kent. Wij zullen de gegevens zo nauwkeurig mogelijk afbakenen, beschrijven en interpreteren.’

Zijn inleiding bij het eerste deel had het karakter van een uitgebreide synopsis. Plannen te over. De Encyclopedie ging een signalement bevatten van de domoor, zijn fysiognomie, kleding, heraldiek en eigennamen; hij zou het landschap van de domoor in kaart brengen en een topografie van de domheid beschrijven met daarin onder meer aandacht voor (denkbeeldige) landen en plaatsen die van oudsher als bolwerken van de domheid bekend stonden: België, Beotië, Kakanië en Kampen. Ik tekende gretig op de serie in, ongetwijfeld in de verwachting dat hij goed uit de startblokken zou komen. Een misrekening, bleek twee jaar later, ook al leek de tijd rijp voor een nieuw fenomeen in de literatuur: de encyclopedische roman. Drie afleveringen hield hij het vol, over de vierde werd niets meer vernomen. Spijt van mijn investering had ik overigens allerminst. Van Boxsels Inleiding op de domheid, zijn publicatie van Musils essay über die Dummheit, alsook zijn studie van de methodische domheid bij Flaubert mogen wat mij betreft nog eens herdrukt worden. Ze zijn een sierlijke revérence voor de belangrijkste inspirators van zijn - zo blijkt inmiddels - nooit opgegeven speurtocht naar de bronnen van de domheid. BRIL EN Van Weelden presenteerden in dezelfde jaren met hun Arbeidsvitaminen (1987) een vergelijkbare systematische catalogus, het begin van een abc dat moest uitgroeien tot een totaal-alfabet waarin de wereld tot de Z van zeloot in dialogen, overpeinzingen, verhalen, anekdoten en essays op zijn kop zou worden gezet. ‘Dit is een debuut waarna geen terugweg mogelijk is’, juichte de achterflap. In interviews keken ze alvast verlekkerd uit naar een aflevering KLM, ongetwijfeld omdat die lettercombinatie een link legde met onze nationale trots, de luchtvaartzwaan. DEF werd zelfs niet gehaald. Van Boxsel raakte ondertussen hopeloos verdwaald in het in zichzelf besloten universum van de domheid. Dat meldt hij in zijn zojuist verschenen herstart bijna verontschuldigend. Maar hij bleef kennelijk op zoek naar de logica, de moraal en de esthetiek van zijn studieonderwerp. Gustave Flaubert vatte in 1843 het plan op om een verhaal te schrijven over twee sullige kantoorklerken, Bouvard en Pécuchet, die een kluchtige versie van de encyclopedie gingen kopiëren, ooit de trots van Diderot die met dit optimistische project de verspreide kennis van de wereld voor iedereen toegankelijk wilde maken. Zeven jaar lang verzamelde hij de meest bizarre en stupide geschriften, maakte lectuurnotities, noteerde citaten en vond brieven, stijlbloempjes en huiveringwekkende teksten, vooraleer hij een titel had voor al dit ruisend gruis: Woordenboek van de pasklare ideeën. Flaubert stond een parodie voor de geest op het burgerlijk bijgeloof in de wetenschap en alle in gewichtige boeken vastgelegde wijsneuzigheid. Onder zijn pen groeide dat geheel aan aantekeningen ten slotte uit tot een kritische encyclopedie en zijn filosofisch testament. In 1879 dook voor het eerst de ondertitel op waaraan Van Boxsel met zijn eigen krachtsinspanning refereert: 'encyclopedie van de menselijke domheid’. Domheid is voor Flaubert vooral conclusies trekken, wat bij hem wil zeggen: de kortste weg bewandelen tussen weten en handelen. Zijn boek is een even aandoenlijke als lachwekkende reis door de universele kennis. Honderden boeken nam hij door. In een brief uit augustus 1873 meldt hij 194 boeken op streek te zijn, in juni 1874 is dit aantal gestegen tot 294 en zes jaar later telt zijn palmares er zo'n 1500. Het geheel was duidelijk bedoeld als een wraakoefening, als een ultieme kritiek op de illusie van waarheid, essentie en oorsprong, op de schijn van elke totale ordening en al evenzeer op een opvatting die ervan uitgaat dat de geschiedenis een logische aaneenschakeling is van uit elkaar voortvloeiende gebeurtenissen. De dood stond een afronding van zijn opzet in de weg. ER RUST klaarblijkelijk een vloek op allesomvattende inspanningen als deze. Er zijn van die literaire werken die in hun gretigheid en ongebreidelde lust om al het mogelijke te bereiken, er niet in slagen om vorm en omtrek daarvan vaste contouren te geven. Ze lijken vanwege hun specifieke karakter van meet af aan voorbestemd om voor altijd onvoltooid te blijven. Ook Matthijs van Boxsels De encyclopedie van de domheid heeft veel weg van zo'n gooi naar het onmogelijke, eerder voortgekomen uit een jongensdroom dan uit werkelijkheidszin. Dat maakt zijn opmerkelijke en eigenzinnige project er overigens alleen maar interessanter op. De inzet van zijn boek doet denken aan Frances A. Yates’ studie over de geheugenkunst, waarin wordt beschreven hoe de oude Grieken werkten met een herinneringssysteem dat was gebaseerd op de techniek om je 'plaatsen’ en 'beelden’ ruimtelijk in te prenten. 'De zwarte vlag’ heet het hoofdstuk. Er wordt een denkbeeldig museum in beschreven, een Academie van de domheid, die een verzameling herbergt van alle symbolen en parafernalia waarmee de domheid geassocieerd kan worden. De lezer betreedt dit universum via een galerij met marmeren beelden waaronder een geblinddoekte vrouw met een rad in de hand en een man met een zwijnekop. Boven de toegangspoort hangt het heraldieke wapen van de domheid: een schild met een blaasbalg, geflankeerd door een pauw en een ezel. In de kroon zit een papegaai. Verder is er sprake van een muur met daarop een kaart van Odysseus’ omzwervingen door Zeeland en een ronde zaal waarvan het gewelf wordt getorst door mythologische domkoppen als de giganten, een Cycloop en Koning Midas. Een wereldkaart geeft de spreekwoordelijke domme steden aan, op de kalender die er hangt zijn 1 april en 11 november omcirkeld, waarmee in navolging van Erasmus een verband wordt gesuggereerd tussen domheid en zotheid, de twee anti-helden die sinds eeuwen de dienst uitmaken in het maatschappelijk leven. De vloer is bezaaid met schedelmeters, in de binnentuin huizen een gans en een uil, de bibliotheek bevat alleen maar boeken over de domheid. Juist in dit onderkomen van de Academie voelt Van Boxsel zich als verwoed hobbyist en enthousiast domgeer natuurlijk het meest in zijn element. Het is zijn werkterrein, waar hij alle mogelijke definities van de domheid op fiche zet om er vervolgens een ontwikkelingsgeschiedenis en karakterologie mee te schrijven, te beginnen bij de Middeleeuwen. DE DOMHEID verschijnt in Van Boxsels Encyclopedie als een kameleontische figuur die, doordat hij voortdurend de kleur van zijn omgeving aanneemt een ongrijpbare factor blijft. Vanuit de centrale stelling dat 'cultuur het product is van een reeks min of meer mislukte pogingen met de domheid in het reine te komen’, gaat hij in de eerste hoofdstukken op zoek naar haar topologie en vindt die vooral in allerlei hilarische anekdoten. Zo is er het verhaal over een in 1976 in Engeland opgerichte blunderclub die slechts toegankelijk zou zijn voor gepatenteerde stuntels. De kok die het diner voor de oprichtingsavond verzorgt, heeft van koken niet het minste verstand, de serveerster laat de soepkom uit haar handen vallen, de voorzitter vangt het breekbare voorwerp op, een domheid waarvoor hij meteen geroyeerd wordt. Aldus eindigt, noteert Van Boxsel, de inleiding op The Book of Heroic Failures, 'maar hier begint mijn interesse: het voorkomen van de blunder blijkt zelf de allergrootste blunder’. Domheid en falen, ze zijn een Siamese tweeling. De Encyclopedie zit vol met dit soort voorbeelden. Anekdoten en exegeses daarvan buitelen aanvankelijk in veelal korte episoden vrolijk en met vaart over elkaar heen. Zo is er het verhaal over mannen die een kuil groeven, vervolgens niet wisten waar ze de aarde moesten laten en daarom maar besloten om die weer terug te storten in het gedolven gat. Of over de houthakker die de tak afzaagde waarop hij zat en over de Kampenaren die een toren bouwden, de trap vergaten en hem daarom maar tegen de buitenkant timmerden. Niet altijd gaat het om sukkels van het soort dat door schade en schande wijs wordt. Een tegenvoorbeeld is de eigenaardige meneer Fallor die luchtfietsend op zijn hometrainer besluit om van zijn domheid zijn sterkste punt te maken. Van de mislukking maakt hij zijn identiteit: 'Als falen onvermijdelijk is, dan het liefst op een zo hoog mogelijk niveau’, redeneert hij. Dus gaat hij aan de theaterschool struikellessen volgen, en 'zijn falende valpartijen waren een groot succes’. Aan het slot van het hoofdstuk ontmoet de lezer hem aan de boorden van een rivier, geduldig wachtend tot ze voorbij is gestroomd. Maar op zijn best is Van Boxsel wanneer hij situaties of teksten ontleent, zoals hij dat schitterend doet in Over de herkomst van de Sufferds, een uit 1585 stammend verhaal van Juan de Moya. Het gaat Van Boxsel natuurlijk niet zozeer om al die min of meer grappige anekdoten maar eerder om de les die erin schuilgaat. Elk komisch voorval nodigt uit tot een bijpassend commentaar, een essayistisch hoogstandje of een korte bespiegeling. De domgeer is in laatste instantie steeds een onverbeterlijke moralist, iemand die zijn lezer zal inpeperen hoe alomaanwezig de domheid wel niet is en hoe dwaas de pogingen zijn om eraan te ontsnappen. Toch bevielen mij de passages het best waarin hij aan het keurslijf van een soms al te streng moralisme weet te ontsnappen en er bij zijn kritische beschouwingen de humor in houdt. Zonder meer knap is de analyse bij het zwevende konijn uit de tekenfilms, dat pas valt wanneer het zich realiseert boven een afgrond terecht te zijn gekomen. Ingenieus is de kanttekening bij Dante’s Inferno en de zeventiende-eeuwse barokke plafondschilderingen zoals 'De triomf van de Goddelijke voorzienigheid’ door Piero da Cortona, gezien door de ogen van John Milton, waarin Van Boxsel in navolging van Milton, observerend vanuit een onverwachte, het centrum van de voorstelling negerende blik, een Paradijs van Dwazen herkent zodat de ogenschijnlijke harmonie die daar heerst in een klucht verandert. Wat bedacht vind ik het hoofdstuk gewijd aan de Franse, maar vooral de Engelse tuinen, achtereenvolgens gecategoriseerd in termen van het ahah-en-haha-perspectief, dat laatste door de Engelsen zo genoemd vanwege de weggewerkte scheiding tussen de tuin en de omringende natuur. DE LEZER IS dan al een tijdlang langs zinnen geleid als: de domheid is onkenbaar, zij valt alleen negatief te definiëren, in contrast met een andere eigenschap of als gebrek. Domheid is altijd elders. Domheid is het talent onbewust tegen je eigenbelang in te handelen. De tegenstelling tussen domheid en intelligentie is zelf een gemeenplaats die ons belemmert de domheid te zien. De domheid van de kennis ontzegt ons de toegang tot de kennis van de domheid. Domheden zijn geen stations op weg naar de wijsheid: de wijsheid is een essentie van de domheid. En verder de vele variaties op het gezegde dat een mens door schade en schande wijs wordt. Dergelijke aforismen gaan ten slotte als slagzinnen werken en apodictische, paradoxale uitspraken beginnen op generalisaties te lijken. De voortdurend terugkerende herhalingen krijgen iets belerends, ze worden tikken op je vingers om je maar vooral bij de les te houden. Steeds meer begint op te vallen dat Van Boxsels redeneringen aaneen worden geschakeld met cliffhangers als 'goed beschouwd’, 'iedereen weet’ en 'kortom’. Alsof Flaubert voor dit soort kort-door-de-bocht-denken niet uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd. Ten slotte sluit hij zijn Encyclopedie voorlopig af met een te omvangrijke beschouwing over het nut van een 'domme vorst’ voor het voortbestaan van de democratie. In dit langgerekte essay mogen figuren als Rousseau, Pinocchio, Tijl Uylenspiegel en Hans Christian Andersen opdraven om aan te tonen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen een koninkrijk en de kleren van de keizer waarin democratie, verkiezingen en landsbestuur lopen. In een reeks van sofistische redeneringen waarin de generalisatie hoogtij viert, produceert hij voortdurend zinnen als: 'Zonder koning geen democratie. De eenheid is altijd een eenheid van tegendelen. De rationele orde kan alleen plaatsvinden als zij wordt belichaamd in de irrationele figuur van de vorst. De centrale figuur met verwijzing waarnaar het volk eenheid en identiteit krijgt, valt samen met het punt dat de democratie verhindert. uist als idioot die zijn gelijke niet kent, weet de vorst de democratie te redden. Maar de subjecten zien noodzakelijk over het hoofd hoezeer hun bestaan is verbonden met de wezensvreemde idioot; zij zien zichzelf als essentie, en de vorst als bizar, folkloristisch aanhangsel.’ Van Boxsel heeft zich dan allang vorstelijk geïnstalleerd op een archimedisch punt vanwaaruit hij de domheid met de pretenties van zijn gelijk beziet. Je zou van de weeromstuit als republikein nog koningsgezind worden.