‘Door alle honderd harten wit te kalken’, Henk van der Waal

Geloofsbrieven

(…)
zo ben je de kraai, de ransuil en de ekster

zo strem je alle uitvalswegen
en stuw je ruimte op en tijd
tot je zachtjes overvloeit
je kunt dat zijn noemen
of geluk
of doordesemde aanwezigheid
het is in ieder geval iets wat van buiten
komt, maar gek genoeg diep
van binnen in je brandt
iets wat je gekregen hebt
iets wat je te zijn hebt
iets wat je te geven hebt

liefdesgemoed

Door alle honderd harten wit te kalken, de nieuwe bundel van dichter en filosoof Henk van der Waal, verscheen al weer een paar maanden geleden. Vanaf zijn debuut De windsels van de sfinx (1995) schrijft Van der Waal een soort poëzie dat ik niet zomaar even snel kan lezen. Al in die eerste bundel is de ambitie hoog: het onbegrijpelijke van de mens en dat wat ons omringt middels het denken een beetje zichtbaar proberen te maken, zonder de breekijzers van het (christelijke) geloof. Die onderneming staat ook weer centraal in deze bundel, die bestaat uit tien lange gedichten met titels als Oergift, Dan bloeit je de tijd, Onbevattelijk de omvatting en Pure euforie.

In Van der Waals debuut is er een ontroerende eenvoud te bespeuren, zoals in een reeks voor ‘Rodante’, waardoor een gedicht kan beginnen met ‘Zeg kroelende/ kraaiende deugniet, mag/ ik je alles even vasthouden’. In daaropvolgende bundels als De aantochtster (2003) en Vreemdgang (2007) treedt de ernst naar voren, verdwijnt de ‘ik’ naar de achtergrond, en valt het veelvuldige gebruik van ‘je’ op, zoals in Dat bloeit je de tijd:

wat je ook uithaalt
wat je ook treurt, sinds
de diamant zes keer in je
is geslepen, ja, zes keer in je
is geslepen, ben je omspiegeld
en jezelf aan alle kanten
vooruit (…)

Misschien zou ik Van der Waals gedichten ‘agnostische gebeden’ moeten noemen, ‘leerstukken’, of ‘lyrische essays’, met de dichter die als zoeklicht én als ziener fungeert. In soepel geformuleerde volzinnen, met wendingen, hernemingen, zijpaden, alsof hier ter plekke hardop wordt nagedacht en geredeneerd, wordt mij iets geleerd, iets bijgebracht, een inzicht, een levensvisie. Zo neemt de dichter mij in het gedicht Door lankmoed geschut bij de hand als hij een dialoog simuleert:

onthoud dat, want dat is wat jou onthoudt
en waardoor jij kunt zijn wat jou doet

Hoor je dat goed: zijn wat jou doet?

Ja, je hoort dat goed: zijn wat jou doet

Hoe of dat dan zit?

Dit gesprek volgt op de beginregels die beamen dat ‘het keerpunt dat heden heet’, ‘smal’ is, dat ‘het vlies waar de hoogmoed op danst’, ‘dun’ is, en dat ‘de mogelijkheid de dood te ontvrienden’, ‘gering’ is. De dood, oftewel ‘the postponeless Creature’, in de woorden van Emily Dickinson. Ook Dickinson was verwoed bezig het sublieme naar zich toe te denken, maar anders dan bij Van der Waal zijn haar gedichten ook getuigenissen, geaard in het banale, het alledaagse. De complexiteit van ons bestaan vang je niet met simplificaties, dat weet ik wel, maar in Door alle honderd harten wit te kalken mis ik soms de gelijkenis, die het abstracte en het cerebrale opheldert en wortels geeft.

Dat maakt deze visionaire brieven zonder al te veel anekdotiek of aanleiding soms tot puzzels – de dichter is niet samen met mij zoekende, maar lijkt meer te weten dan ik:

jij kunt je kortom baden
in het meer van het mogelijke omdat
de werkelijkheid het offer van haar
onkreukbaarheid bij voortduring
als verval in je oor fluistert

Toch vraag ik me voortdurend af óf ik er wel bij betrokken word. Als er staat ‘gelukkig maar, zeg jij,/ want alleen als er/ meer is dan wat er is/ kan dat wat er is/ zijn’, heeft de dichter het dan echt tegen mij, wil hij mijn gedachten raden? Of spreekt hij tot zichzelf, en sta ik erbij en kijk ik ernaar?

De invloedrijke, Afrikaanse dichter D.J. Opperman (1914-1985) hield aspirant-dichters als Antjie Krog voor dat ze niet met emotie moesten schrijven, maar emotie moesten opwekken door vooral beeldend en concreet te schrijven. De beredeneerde en abstracte taal van de filosofie moest dus vermeden worden. Kunst houdt zich doorgaans niet aan voorschriftelijkheden. De bezwerende gedichten in Door alle harten wit te kalken lijken het weinige begrip dat kan ontstaan door dóór te denken op mij over te willen brengen. De taal is echter zo gedetailleerd dat ik de draad soms kwijt raak.

Gelukkig zijn er genoeg passages die mij wel onmiddellijk grijpen. Het contact vindt steevast plaats zodra ik iets kan ‘zien’, zoals in het beknellende begin van Lege volmaaktheid met, zoals in veel gedichten in deze bundel, een intrigerende hoofdrol voor het getal:

Zeven keer op rij pulk je de
drieëntwintig hechtingen in je
borstbeen open en zeven keer op rij
naai je diezelfde drieëntwintig hechtingen
weer dicht om de zelfmoordenaar in je te
neutraliseren en de verloedering van je
beendergestel voor te blijven

Ontzag voor het bezielde leven zie ik dan weer weerspiegeld in Liefdesgemoed, waar de kreet van de ‘kraai, de ransuil/ of de ekster’, ‘je naar de keel’ grijpt en somber stemt omdat ‘hun/ herhaalde krassende gekrijs/ je duidelijk maakt dat geen geluid/ hen los kan koppelen van hun/ gevederd lijf’.

Op dergelijke momenten weet Henk van der Waal wel degelijk een glimp op mij over te brengen van ‘het oeroud lied dat/ jou van ’s morgens vroeg tot ’s avonds/ laat bestuift met het goddeloze niets’.