Chimpansee Nim Chimpsky samen met Columbia University-student Joyce Butler. Nim kreeg gebarentaal aangeleerd in het onderzoek Project Nim. Verenigde Staten, ca. 1974 © Susan Kuklin / Science Photo Library / ANP

Sinds zijn eerste verhalenbundel Descent of Man (1979) laat T.C. Boyle zijn personages illusies koesteren die hen in beweging houden, vaak richting afgrond. Of het nu de monding van een rivier is of uitstel van de dood door ‘gezond’ leven; of het ecologische dromen of evolutionaire gedachtespinsels zijn of drugsexperimenten van lsd-goeroe Timothy Leary (Outside Looking in, 2019), Boyle’s antihelden storten zich graag in zinloze ondernemingen. Zo menen ze het onmogelijke te kunnen bereiken of het onkenbare te weten te kunnen komen. De struggle for life van de aloude Darwin is nooit ver weg in Boyle’s verhalen en romans: altijd zijn er de jagers en hun opgejaagde prooi.

Eén verhaal in Descent of Man gaat over een vrouw die een relatie aanknoopt met een aap. Die aap heeft zogenaamd menselijke trekjes, of heeft de vrouw dierlijke eigenschappen? In zijn nieuwe roman Praat met mij heeft Boyle die moeizame samenlevingsvorm opnieuw tot uitgangspunt genomen. De lezer merkt al meteen dat Boyle research heeft gedaan. Hij kent het antropologische grondwerk van Jane Goodall en Sarah Hrdy (Mothers and Others), die langdurig studie hebben verricht naar chimpansees. De hamvragen in Praat met mij luiden: kan een chimpansee praten en in (gebaren)táál communiceren met de mens? Of heeft taalwetenschapper Noam Chomsky gelijk en is het alleen aan de mens voorbehouden zich in taal uit te drukken? Met andere woorden: hoe ‘menselijk’ kan een chimpansee worden? Of zijn die vragen zinloos en moeten we het hebben over instinct, imitatiegedrag, stimulus-response en projectie, en blijven beesten pure ‘biologische machines’ die slechts op zeer basaal niveau adequaat op menselijke taal kunnen reageren?

De eenzelvige psychologiestudente Aimee Villard ziet begin jaren tachtig van de vorige eeuw op de televisie een wetenschapper, Guy Schermerhorn, die beweert dat ‘zijn’ chimpansee – die door ‘cross-fostering’ afgescheiden is van zijn familie – kan praten in gebarentaal. Aimee ziet het dier handgebaren maken en is onder de indruk. In een opwelling solliciteert zij naar een oppasserbaantje bij Schermerhorn. De ‘pratende’ chimpansee Sam en Aimee kunnen het vanaf het eerste ogenblik zeer goed met elkaar vinden, ze voelen elkaar als het ware aan, ze passen bij elkaar en zijn onafscheidelijk. Schermerhorn, wiens carrière afhangt van het succes dat hij boekt met Sams taalvorderingen, voelt zich als mannetjesdier ook tot de mooie Aimee aangetrokken: hun breekbare band is meer seksueel dierlijk dan empathisch menselijk. Een zin die steeds terugkeert in Praat met mij (maar Guy práát amper met Aimee): ‘Hij had iets moeten zeggen waarin wat genegenheid doorklonk, maar…’

Chimpansee Sam en studente Aimee voelen elkaar meteen goed aan

Bedrijft Schermerhorn wetenschap of is hij niet meer dan een kermisklant of een circusartiest met eigenbelang? Als Sam door zijn eenogige eigenaar en financier van het experiment wordt teruggeroepen en in een kooi gestopt, komt Aimee in actie. Ze rijdt van Californië naar Iowa – onderweg jagen begerige jongens op haar – en wordt ook daar chimpansee-oppasser. Ze kidnapt Sam en gaat met hem samenwonen in een stacaravan ergens in Arizona. Maar belangen en verraad zorgen ervoor dat haar ‘onderduikadres’ bekend raakt en de bestolen eigenaar zijn bezit opeist. Daarbij vallen gewonden en een dode, doordat Sam zijn ‘vrouwtje’ verdedigt. Aimee wordt aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. Aan het slot blijken egocentrist en verrader Schermerhorn en de zich opofferende Aimee elkaar niets meer te melden te hebben.

Het meest verrassende van deze roman zijn de korte tussenhoofdstukjes waarin de verteller min of meer in de huid kruipt van de chimpansee. In die fragmenten zit Sam in een kooi en klampt hij zich vast aan een paar kernwoorden: PIJN, SLEUTEL, ANGST, BUITEN, KOOI. Die staan in kapitalen en die vormen elk een soort ijsschotsen die hem vooruit helpen. Maar wat is zijn einddoel? Weet hij wel wat een doel is? Kan hij, na lang oefenen en herhalen en inslijpen van vingerspelling en gebarentaal, praten en zich verstaanbaar maken of blijft hij uiteindelijk één bonk instinct, imitatiekunde en overlevingsdrift? Hebben apen een god? Beseffen ze wat tijd is? Kunnen ze liegen? Dit is slechts een greep uit een van de vele vragen die Praat met mij opwerpt. En ja, er komen mogelijke antwoorden.

Het eerste hoofdstukje dat min of meer wordt verteld vanuit Sam, stelt nog een vraag: ‘Hij kende SLEUTEL. Hij kende SLOT. Hij kende BUITEN. Hij was een gevangene, hoewel hij ook daarvoor geen woord wist en zelfs al had hij dat geweten, dan nog was het zinloos geweest. Wat had een woord, welk woord dan ook, te maken met zijn situatie hier, in deze voortsnellende, onstuitbare stortvloed van het nu en de angst – BANG – die daarmee gepaard ging?’

Alle taaloefening ten spijt blijft Sam zich gedragen als een primair reagerende kleuter die kleuter blijft en aast op instant-bevrediging: eten, drinken, naar buiten, spelen… En zijn apenstreken leert hij niet af, die gedragingen die de mensen ‘stout’ noemen vanuit hún normen-en-waardenstelsel. Iemand die meent dat een chimpansee dat stelsel kan aanleren, dus abstract kan denken en voelen, is een gelovige en wellicht een al te grote dierenvriend vol projecties.

Praat met mij is een roman over verlangen naar contact en het onvermogen tot communicatie tussen mens en dier én tussen mens en mens. Onvoorwaardelijke moederliefde en opofferingsgezindheid spelen ook een rol als het gaat om contact, nabijheid, begrip, verbondenheid en verknochtheid.