Geloofwaardigheid weer belangrijkste

Het onderwerp Afghanistan en de Nederlandse betrokkenheid bij het gevecht tegen de Taliban en de opbouw van het land blijft de Haagse politiek bezighouden. De discussie over het hoe en wat van die betrokkenheid is inmiddels een welhaast onontwarbare kluwen geworden, van argumenten, terminologie en voor- en tegenstanders.

‘Afghanistan’ is weer opgelaaid, omdat er sinds vorige week een door de Tweede Kamer aangenomen motie ligt waarin het kabinet wordt gevraagd de mogelijkheid van een Nederlandse politieopleidings- en trainingsmissie in Afghanistan te onderzoeken. De motie kwam uit een in eerste instantie onverwachte hoek. De indieners, GroenLinks en d66, zijn partijen die tegen de huidige militaire missie waren. Zowel GroenLinks als d66 heeft echter altijd gezegd wel voor een opbouwmissie te zijn. Het trainen van Afghaanse politiemensen valt daar in hun ogen onder. Ook als voor de bescherming van de Nederlandse politiemensen een veelvoud aan Nederlandse militairen mee moet.
Maar die mogen van GroenLinks en d66 dus niet vechten. Het moet wat hen betreft om een echte opbouwmissie gaan, dus anders dan vier jaar geleden, toen het ook heette dat de Nederlandse militairen deelnamen aan een opbouwmissie, maar het al snel duidelijk werd dat dit een eufemisme was. Hebben GroenLinks en d66 duidelijk voor ogen waar voor hen de grens ligt tussen beschermen en vechten?
Opmerkelijk was het tijdstip van de motie. Die kwam precies twee maanden nadat het kabinet-Balkenende III was gevallen over de vraag of de Nederlandse aanwezigheid van militairen in Afghanistan voor een derde keer moest worden verlengd. En ze werd ingediend slechts een paar weken voor de parlementsverkiezingen, waarna zowel GroenLinks als d66 hoopt te kunnen gaan meeregeren. Het verwijt dat de twee partijen zich regeringsfähig aan het maken zijn, klonk dan ook direct.
Maar het was vooral de pvda die met de motie in verlegenheid is gebracht. De sociaal-democraten stapten op 20 februari uit de regering, omdat ze de belofte gestand wilden doen dat de laatste Nederlandse militair eind 2010 uit Uruzgan zou zijn vertrokken. In de lange aanloop naar deze kabinetscrisis toonde de pvda zich echter wel voorstander van een trainingsmissie. Toen begin februari een dergelijke missie ter sprake kwam, reageerde pvda-fractievoorzitter Mariëtte Hamer nog positief en voegde daar aan toe: ‘We laten de Afghanen niet in de steek.’
Toch stemde de pvda vorige week tegen de motie. De sociaal-democraten vertrouwen er niet op dat de politietrainers slechts door een klein militair contingent beschermd hoeven te worden, zoals demissionair minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen de Kamer voorspiegelde. De pvda vertrouwt de cda'er Verhagen niet meer op zijn woord. Het aantal militairen dat ter bescherming mee moet, was de reden waarom de pvda als regeringspartij niet met een trainingsmissie akkoord wilde gaan. Vóór de kabinetscrisis noemde Verhagen grotere aantallen dan nu.
Maar bovenal is de pvda bang dat instemmen met de motie haar geloofwaardigheid zou aantasten. De sociaal-democraten kunnen dan niet meer volhouden dat Afghanistan de ware reden was voor de breuk met het cda. Het zou hun verkiezingsresultaat kunnen beïnvloeden. Daarmee is het eigenbelang voor de pvda ook nu weer belangrijker gebleken dan het lot van de Afghanen, het steunen van de Amerikaanse president Barack Obama bij het tot een goed einde brengen van het dossier-Afghanistan of de internationale oriëntatie van de eigen partij. Na de verkiezingen komt het onderwerp echter gewoon weer terug.