Over John McCain

Gelouterde oorlogsheld

De onlangs overleden Republikein John McCain was een anachronisme. Hij was een man uit de geschiedenis, met een nette moraal. Veel Amerikanen hoopten dat dankzij hem het centrum had standgehouden.

Petersborough, New Hampshire, VS. John McCain tijdens een van zijn campagnestops in 2008 – ‘Alle eer komt met verplichtingen’ © Christopher Anderson / Magnum / HH

‘Bij de meeste hedendaagse fictie verveel ik me dood’, zei John McCain in 2007, tot verbazing van niemand. Hij werd altijd naar de lost generation getrokken, en vooral naar Ernest Hemingway. Als we het verhaal van McCain mogen geloven, vond hij toen hij twaalf jaar oud was (dat moet in 1948 zijn geweest) twee klavertjesvier op het erf en rende hij naar binnen om ze tussen de pagina’s van een boek te bewaren. Van de plank van zijn vader bleek hij For Whom the Bell Tolls gegrepen te hebben, en zijn ogen vielen op de volgende passage:

‘Wat ga je met ons doen?’ vroeg iemand hem.
‘Jullie doodschieten’, zei Pablo.
‘Wanneer?’ vroeg de man met dezelfde grauwe stem.
‘Nu’, zei Pablo.
‘Waar?’ vroeg de man.
‘Hier’, zei Pablo. ‘Hier. Nu. Hier en nu. Heb je nog iets te zeggen?’
‘Nada’, zei de burger. ‘Niets, maar het is iets rottigs.’

***

Dit is het tafereel waarin Pablo, de leider van een groep Republikeinse guerrilla’s in de Spaanse Burgeroorlog, vier politieagenten vermoordt en de fascisten van de stad laat ombrengen.

De oudere McCain, die deze anekdote vertelt, bewondert de ‘sobere kijk’ op de barbaarsheid van de oorlog, en merkt op dat het tafereel ‘de meest onvolwassen lezer moet afhelpen van welke romantische notie ook over de aard van georganiseerd bloedvergieten’. Maar de jonge McCain werd misleid: Hemingway’s vertelling over de Spaanse Burgeroorlog ‘inspireerde de romantische ideeën van een jongen over moed en liefde, over idealistische mannen en vrouwen die waren gelouterd door hun onbaatzuchtigheid en door het misbruik en verraad dat zij daardoor moesten ondergaan’.

De protagonist, Robert Jordan, is een Amerikaanse hoogleraar Spaans die is gekomen om voor het Republikeinse kamp een brug op te blazen. Hij wordt verliefd op een meisje dat Maria heet. Ondanks Pablo’s trouweloosheid en het toenemende risico van de missie, en zijn eigen twijfel dat het opblazen van de brug werkelijk ergens goed voor is, doet hij zijn plicht. De oudere McCain vertelt over het ademloze leesavontuur van zijn jongere ik: ‘Hemingway, die boef, gunt de lezer een kort moment van hoop met een snelle schijnbeweging richting een happy ending, als de held bijna ontsnapt aan zijn lot en met zijn nieuwe liefde een beter leven tegemoet rijdt. (…) Ik, nog immer zelfvoldaan omdat ik de vroege mysteriën van het verhaal was binnengedrongen, viel ervoor en juichte stilletjes.’

Maar in plaats van een happy ending krijgen we een schilderachtige dood voorgeschoteld die, zo beseft de jonge McCain, een nog gelukkiger afloop betekent. Jordan raakt gewond bij een explosie, beveelt de Spanjaarden waar hij van is gaan houden zich in veiligheid te brengen, sleept zichzelf naar een boom en wacht daar met een pistool. ‘De wereld is een fijne plek en de moeite waard om voor te sterven, en ik haat het heel erg om haar te moeten verlaten’, denkt Jordan als hij sterft. ‘Hoe geweldig was het gevoel toen ik het boek sloot en mijn jonge leven voortzette’, herinnert de oudere McCain zich, ‘Jordans moed en adeldom ambiërend, en zeker ervan dat ik die op een dag zou bezitten.’

Het moet fijn zijn een favoriet boek te hebben dat je hele leven je favoriete boek blijft. McCain herlas For Whom the Bell Tolls diverse keren, maar de eerste indruk van een twaalfjarige op zoek naar rolmodellen van verhevenheid en mannelijkheid – ‘hoe en waarom moedig te zijn, hoe een echte held leeft en sterft’ – bleef de meest waardevolle indruk waar geen oudere en wijzere lezing voor in de plaats kon komen. Om Hemingway te lezen en ervoor te vallen, om ervan te genieten ervoor te vallen, om te denken dat het je lot is ervoor te vallen – misschien is dat wel de manier waarop Grote Mannen boeken lezen: als jongens.

‘Het laatste wat ik kon doen om hen te laten geloven dat ik me nog steeds verzette, dat ik niet zou breken, was een zelfmoord­poging’
***

McCains aanstaande dood was een merkwaardige publieke gebeurtenis. In juli 2017 werd bij hem een hersentumor geconstateerd. Het nieuws verspreidde zich snel dat hij zijn eigen begrafenis aan het voorbereiden was, een zeldzame luxe, en dat Donald Trump niet uitgenodigd was. Er werden van tevoren al lofzangen geschreven en gepubliceerd. Dat waren steevast lofzangen op iets groters: op niet-verachtelijk Republikanisme, op compromissen en op een ander Amerika.

Het interessante aan McCain waren niet zijn politieke overtuigingen, die in grote lijnen voorspelbaar Republikeins waren. Zijn concrete politieke erfenis is niet de tijdloze deugd van de opoffering, maar catastrofale oorlog. Toch is hij tientallen jaren lang interessant gebleven als een mythisch figuur, en die mythologie vraagt om zoiets als een literaire analyse. Je hebt het in dit opzicht eerder over mccainologie dan over McCain zelf.

McCain werd op 26 oktober 1967 tijdens een bombardementsvlucht boven Hanoi neergeschoten. Hij brak beide armen en een been toen hij met de schietstoel zijn vliegtuig verliet. Toen hij in een klein meertje terecht was gekomen, trok een menigte hem eruit, waarop zijn schouder werd stukgeslagen en hij een bajonet in zijn kruis gestoken kreeg. Vervolgens werd hij naar het Hanoi Hilton overgebracht. De eerste twee jaren kreeg hij eenzame opsluiting, onderbroken door martelingen en ondervragingen. Omdat hij de zoon van een admiraal was, werd hem vervroegde vrijlating aangeboden, wat hij weigerde. Die weigering bracht hem nog ergere martelingen en drie extra jaren gevangenschap. Vier dagen lang werd hij iedere twee uur geslagen. Hij probeerde zichzelf te verhangen met een hemd, maar werd tegengehouden door een bewaker en opnieuw geslagen. In zijn memoires, Faith of My Fathers, is hij nuchter over dit voorval: ‘Ik betwijfel of ik mezelf echt van kant wilde maken. Maar ik kon niet meer vechten, en ik herinner me dat ik besloot dat het laatste wat ik kon doen om hen te laten geloven dat ik me nog steeds verzette, dat ik niet zou breken, het doen van een zelfmoordpoging was. Uiteraard was het geen ideaal plan, maar destijds leek het me redelijk.’ Uiteindelijk tekende hij, gebroken, een valse bekentenis. In wat een duurzaam McCain-motief zal blijken, kan hij zichzelf deze ontering niet vergeven, maar het wordt op zo’n manier verteld dat de lezer hem vergeeft. En op zijn beurt kan hij andere gevangenen vergeven die op soortgelijke wijze zijn gebroken.

Op 14 maart 1973 werden McCain en 107 andere Amerikaanse krijgsgevangenen vrijgelaten. Maar de climax van Faith of My Fathers komt niet als de held zijn fysieke vrijheid herwint, maar eerder als hij zijn gevangenschap aanvaardt en die begrijpt als een vorm van genade: ‘In de gevangenis, waar mijn dierbare onafhankelijkheid werd beschimpt en aangevallen, vond ik mijn zelfrespect in gedeelde trouw aan mijn land. Alle eer komt met verplichtingen. Ik en de mannen met wie ik had gediend aanvaardden de onze, en we waren dankbaar voor dat privilege.’

De gevangenschap bepaalt McCain net zozeer door wat hij heeft gemist als door wat hij heeft ervaren. De moordaanslagen op Martin Luther King Jr. en Robert F. Kennedy; de Praagse lente; het Tet Offensief; het besluit van president Lyndon Johnson om zich in 1968 niet herkiesbaar te stellen. McCain zat in de gevangenis tijdens de verkiezing en herverkiezing van Richard Nixon, en tijdens de hele periode dat Laugh-In in Amerika op de televisie was; tijdens het bloedbad van My Lai en de onthulling ervan; tijdens de ‘vietnamisering’ van de oorlog en de bombardementen op Cambodja; tijdens de fase waarin de Amerikaanse dienstplicht een loterij werd; tijdens de periode waarin de beweging van Amerikaanse indianen van zich deed spreken; toen Valerie Solanas Andy Warhol neerschoot; toen Miles Davis elektrisch ging spelen; tijdens de popfestivals van Woodstock, Altamont en het Isle of Wight; toen Portnoy’s Complaint verscheen en Planet of the Apes uitkwam; tijdens de eerste maanlanding; toen Norman Mailer een absurdistische poging deed om burgemeester van New York te worden (‘Vote the Rascals In!’); tijdens het proces van Angela Davis en het abortusproces Roe v. Wade; toen The Godfather, Gravity’s Rainbow, de eerste Earth Day en de laatste aflevering van Bonanza het levenslicht zagen.

McCain werd geboren in 1936, een decennium vóór de eerste babyboomers, wier bepalende ervaringen hij niet meemaakte. Zijn gevangenschap vergrootte deze generatiekloof nog. Het volstaat niet om te zeggen dat hij ‘de sixties misliep’. Zijn gevangenschap isoleerde hem van de tegencultuur en de reactie daarop. Hij ging zijn ouders steeds meer aanbidden terwijl de overige jongeren tegen hun ouders rebelleerden.

De krijgsgevangenen konden vertrouwen houden terwijl de rest van het land dat verloor. In Faith of My Fathers pestten hun bewakers hen met het verhaal dat ze ‘in de steek waren gelaten (…) door een land dat druk was met een oorlog die niet goed verliep en dat te verscheurd was door wijdverbreide binnenlandse onlusten om zich te kunnen bekommeren om een paar vergeten piloten in Hanoi’. Die piloten werden helden en martelaren. ‘We hielden ons vast aan ons geloof, waarbij ieder elkaar aanmoedigde’, schrijft McCain, ‘in de standvastige overtuiging dat onze eer de uitbreiding was van de eer van een groot land, en dat zowel gevangene als land moest doen wat de eer van ons vroeg.’ De ‘eer van een groot land’ ging nooit verloren. Het centrum hield stand.

***

De Vietnamoorlog hing als een donkere schaduw boven de Amerikaanse politiek. Het ‘Vietnam-syndroom’ was het label dat Ronald Reagan gebruikte voor de Amerikaanse weigering, geboren uit schuldbesef en vernedering, om militaire macht te ontplooien. Hij beschouwde hernieuwde oorlogszucht als de juiste kuur. George H.W. Bush zei tijdens de eerste Golfoorlog: ‘Mijn God, we hebben voor eens en altijd een einde gemaakt aan het Vietnam-syndroom.’ McCain kwam in de jaren tachtig in het Congres, en omarmde Reagans hernieuwde Koude Oorlog enthousiast. Hij was in alles havikachtig. Maar hij verkreeg pas nationale bekendheid in de jaren negentig, toen de babyboomers aan de macht kwamen in de persoon van Bill Clinton. McCains aantrekkingskracht lag in zijn klaarblijkelijke immuniteit voor de kwellingen van die generatie – voor het andere Vietnam-syndroom. >

De Vietnamoorlog hing op een speciale manier als een schaduw boven de Amerikaanse babyboomers. Die generatie wordt gekenmerkt door de Amerikaanse dienstplicht, of je nu in het leger terecht was gekomen of erin was geslaagd om eraan te ontsnappen. Voor McCain, die ouder was en afkomstig was uit een militair milieu, deed de dienstplicht er helemaal niet toe. Ook was hij niet een van de soldaten die mee had moeten vechten in een oorlog die de bevoorrechten hadden weten te ontlopen. McCain ervoer de Vietnamoorlog niet als iets wat verbonden was met zijn generatie, maar met zijn familie. Zijn eigen vader was opperbevelhebber in de Pacific. Admiraal John Sidney McCain Jr. had stevig aangedrongen op hernieuwde aanvallen op Noord-Vietnam en was jarenlang tekeergegaan tegen de ‘halve maatregelen’ van de politici.

McCain kon gedoemde projecten romantiseren als ‘prachtig fatalisme’, alsof Irak en Afghanistan moderne Spanjes waren

De VS hadden de bombardementen op Noord-Vietnam in 1968 stopgezet; zij werden pas in maart 1972 hervat, als reactie op het Noord-Vietnamese Paasoffensief. De krijgsgevangenen verwelkomden de bombardementen in het verhaal van McCain als een teken van Amerikaanse toewijding. ‘Naarmate de bombardementen toenamen, werd onze moraal iedere missie sterker.’ De vader geeft de opdracht tot bombardementen die zijn gevangen genomen zoon kunnen doden; de zoon verhaalt hier op zijn beurt over als het op nobele wijze vervullen van een plicht.

Hij leed niet alleen niet aan een Vietnam-syndroom – hij ontleende een verhaal van verlossing aan een oorlog waarin die verlossing ver te zoeken was. Faith of My Fathers verscheen in 1999, net vóór de presidentsverkiezingen. Het boek strooide geen zout in de psychische wonden van de babyboomers; het bood daarentegen een troostend epos over een imperium, verteld aan de hand van drie generaties John McCains. ‘Imperium’ is hier het sleutelbegrip, want McCain heeft niet echt een thuisstad of een thuisstaat: hij werd geboren in de Panamakanaal-zone, toen die nog Amerikaans grondgebied was. Een zeer jonge McCain keek vol bewondering naar zijn grootvader, de ‘graatmagere, met een haviksgezicht uitgedoste’ admiraal John Sidney McCain, die met één hand een sigaret rolde op het dek van de USS Ranger. ‘Die techniek van het met één hand rollen fascineerde me’, schreef McCain. ‘Hoewel het helemaal niet zonder slag of stoot ging’ – een ondergeschikte moest achter de admiraal aan lopen met stoffer en blik – ‘vond ik het lovenswaardig dat het überhaupt lukte.’ De jonge McCain bewaarde een paar lege pakjes Bull Durham-tabak als souvenirs. Zijn vader reciteerde Victoriaanse poëzie, met name Oscar Wilde’s Ave Imperatrix. (‘England!’ zo vraagt Wilde, ‘what shall men say of thee/ Before whose feet the worlds divide?’) McCain absorbeerde deze imperiale lofdichten en zag de opkomst van Amerika in hetzelfde licht.

Dat wil dus zeggen dat hij een anachronisme was, en dat werd steeds aantrekkelijker naarmate het einde van de twintigste eeuw naderbij kwam. Hier, aan het einde van de geschiedenis, was een figuur die aanwezig was geweest in die geschiedenis, maar ook op merkwaardige wijze gevrijwaard was gebleven van haar ontgoochelingen. Het anders-zijn van McCain stelde andere generaties in staat betekenis aan hem toe te dichten. Hij bevredigde onze nostalgie en onze hang naar een verhaal. Hij maakte ook handig gebruik van die behoefte, en werd beschermd tegen kritiek omdat hij een anachronisme was.

27 oktober 1967. John McCain in een ziekenhuisbed in Hanoi, Vietnam © AFP / ANP
***

McCain verloor de Republikeinse voorverkiezingen in 2000 op bittere wijze van George W. Bush – nog zo’n dienstplicht ontduikende babyboomer – maar wel op de juiste manier. Het feit dat de Bush-campagne zó smerig was geweest versterkte zijn eigen waardigheid. Slechts in het kielzog van deze nederlaag werd McCain, een tijd lang, de politieke non-conformist die hij op televisie had gespeeld: een figuur die werkelijk tegen zijn eigen partij in zou stemmen. In 2002 werd het wetsontwerp van McCain en de Democratische senator Russ Feingold over de hervorming van de campagnefinanciering aangenomen (om vervolgens in 2010 door het Hooggerechtshof om zeep te worden geholpen). En een non-conformistische Republikein kon op z’n minst ook een enigszins klimaatvriendelijke Republikein zijn: McCain en de Democratische senator Joe Lieberman introduceerden een marktvriendelijk wetsontwerp voor de beperking van de kooldioxide-uitstoot via verhandelbare vergunningen. McCain was zó populair (en de Democratische Partij was zó zouteloos) dat John Kerry in 2004 wilde dat hij zijn running mate zou worden bij de presidentsverkiezingen.

Het is een intrigerend pad dat McCain uiteindelijk niet verkoos. Helaas leidden de ambities van McCain niet tot niet-partijgebonden onafhankelijkheid. Dat kwam door de oorlog tegen de terreur. Zijn aandringen op oorlog begon onmiddellijk na de aanslagen van 11 september 2001, en hij presenteerde zichzelf liever als een hardboiled war is hell-havik dan als een war will be easy-havik. ‘Oorlog is een ellendige aangelegenheid’, schreef hij in oktober dat jaar. ‘Laten we er geen gras over laten groeien.’ De luchtaanvallen tegen Afghanistan waren al begonnen, hij drong ook al heel snel aan op een oorlog tegen Irak: ‘Volgende halte Bagdad!’ riep hij tegen de mariniers van de USS Theodore Roosevelt in januari 2002, toen hij zich aansloot bij het koor van neoconservatieve pleitbezorgers van die oorlog, die overigens allemaal de dienstplicht in Vietnam hadden ontlopen.

McCain verbond zijn politieke lot aan de Irakoorlog: het succes ervan zou zijn succes zijn, en de mislukking ervan zijn mislukking. Het is verleidelijk om hier iets van tragische grandeur in te ontwaren, alsof McCain gedoemd was het drama te laten herleven van zijn eigen vader, die tevergeefs had opgeroepen tot de inzet van nog meer troepen en nog meer bombardementsvluchten, terwijl hij de hele tijd bleef volhouden dat ‘Irak Vietnam niet is’. Maar zelfs als je het zo zegt trap je in de val van McCains zelf-mythologisering. Er school zeker tragedie in deze episode, maar geen grandeur – louter vergissingen en opportunisme.

Ook zelfbedrog is nog steeds bedrog. Terwijl de ramp zich voltrok, nam McCain het merkwaardige standpunt in dat de oorlog rechtvaardig en winbaar was, maar dat ook gedoemde projecten nobel en pittoresk konden zijn. Robert Jordan keerde terug. De memoires met McCains herinneringen aan For Whom the Bell Tolls verschenen in 2002, en in de jaren daarna werd ‘robert-jordanisme’ een obsessie van McCain. Medewerkers herinnerden hem eraan dat Jordan een fictief personage was. Het was een sterk beeld: als je For Whom the Bell Tolls leest als een allegorie voor de oorlog tegen terreur is Amerika geen meedogenloos en knoeiend imperium, maar eerder een agressieve buitenlandse strijder voor de bevrijding van andere volkeren. McCain kon vervolgens gedoemde projecten romantiseren als ‘prachtig fatalisme’, alsof Irak en Afghanistan geen moerassen waren zoals Vietnam, maar moderne Spanjes.

Een van de ironische aspecten van McCains genegenheid voor Hemingway was dat McCain zelf in elke andere Hemingway-roman dan For Whom the Bell Tolls een belachelijk figuur was geweest. Robert Jordan is immers de uitzondering: hij sterft voor een gedoemd maar mooi project, maar de meeste Hemingway-helden sterven niet in de oorlog. Ze lopen weg in de regen en leven voort als hardboiled mannen, gewonde mannen. Ze verachten de zogenaamde vroomheid van staatsmannen en houden zich voortaan bezig met vissen, stierenvechten, boksen of literatuur. ‘Ik heb me altijd gegeneerd voor de woorden heilig, glorieus en offer, en voor de uitdrukking tevergeefs’, zegt de verteller in A Farewell to Arms, een ambulancechauffeur in de Eerste Wereldoorlog. ‘Abstracte woorden als roem, eer, moed of heiligheid waren obsceen naast de concrete namen van dorpen, het aantal wegen, de namen van rivieren, de aantallen regimenten en de data.’ Maar roem, eer, moed en heiligheid waren de favoriete woorden van McCain. De tweede ironie is bitterder. De oorlog tegen terreur maakte McCain minder als Robert Jordan en meer als de anonieme, laffe figuren die Robert Jordan de dood in stuurden.

Het enige boek dat presidenten echt zouden moeten lezen, zei McCain, is de uit zes delen bestaande biografie van Abraham Lincoln
***

We herinneren ons de presidentsverkiezingen van 2008 als een referendum over de Irakoorlog en het desastreuze presidentschap van George W. Bush. We herinneren ze ons vanwege de welbespraaktheid van Barack Obama en de domheid van Sarah Palin. (Het kiezen van Palin als running mate was de enige keer in zijn leven dat McCain een politieke stap zette waarbij hij vooruit liep op de troepen.) We moeten ze ook herinneren als de enige keer in de afgelopen dertig jaar dat er geen babyboomer kandidaat was. (Treurig feit: Bill Clinton, George W. Bush en Donald Trump – de ergste babyboomer van allemaal – werden allemaal geboren in de zomer van 1946). McCain was ouder dan de babyboomers, en een gelouterde oorlogsheld; Obama was jonger, te jong voor de dienstplicht rond de Vietnamoorlog en te jong om die te hebben ontlopen. Dit betekende dat de Vietnamoorlog voor het eerst in een generatie geen rol speelde bij presidentsverkiezingen. Zonder schuldgevoel of schaamte kon Obama de oorlogsheroïek van McCain prijzen en hem tegelijkertijd als een anachronisme uit grootvaders tijd in de hoek zetten.

Wat echter zelden is opgemerkt is dat er diepere overeenkomsten waren tussen McCain en Obama. Behalve dat ze geen babyboomers waren, waren zij ook allebei kosmopolieten, geboren aan de randen van het (voormalige) Amerikaanse imperium. McCain bewoog zich van de rand naar het centrum door het militaire establishment: van Panama via de Naval Academy, Hanoi en Arizona naar Washington. Obama’s route was ook een omweg: van Hawaii naar Indonesië en weer terug, en vervolgens via het academische establishment, van Occidental College in LA naar Columbia en Harvard Law; en daarna van Chicago’s South Side naar Washington.

McCain was een kosmopoliet op de manier waarop Rudyard Kipling, die in India was geboren, een kosmopoliet was, en hij ademde dat ouderwetse gevoel van een imperiale missie ook uit. Zijn held was Theodore Roosevelt. In een artikel over het buitenlands beleid dat hij in 2007 schreef voor Foreign Affairs zei hij dat ‘onze unieke vorm van leiderschap – de tegenhanger van een imperiale – ons een morele geloofwaardigheid verschaft die sterker is dan welk wapenvertoon dan ook’. Hij bedoelde het tegenovergestelde van de Europese imperiale heerschappij, maar ‘tegenhanger van een imperiale’ is een van die zinsneden die in werkelijkheid duidt op precies het omgekeerde, en niet alleen omdat McCain in de Panamakanaal-zone was geboren.

Hoewel hij het zo niet zou zeggen, was het imperiale voor McCain de bron van orde, anekdotes, poëzie en een eerzame dood. De gebruikelijke labels als het om het buitenlands beleid gaat – havik, neoconservatief, interventionistisch – weten die kijk op de wereld niet goed te vangen. We hebben behoefte aan een label dat een anachronisme past, zoiets als pre-postkoloniaal. Zijn kijk op de wereld had geen nieuwe epistemologieën nodig om de subjectiviteiten van gekoloniseerde volkeren te kunnen begrijpen; hij vroeg zich nooit af of de onderhorigen ook konden spreken.

Barack Obama belichaamde daarentegen de hoop dat de wereld al post-etnisch en post-raciaal was geworden. Zijn meer paranoïde critici beeldden zich in dat hij elders geboren was, of dat hij de antikoloniale politiek van zijn vader had geërfd. Maar Obama’s retorische genie bestond eruit dat hij in staat was zijn kosmopolitische sensibiliteit te verpakken in een progressieve variant van het Amerikaanse exceptionalisme: om een wereld te schetsen waarin de wonden van ras en imperium op een of andere manier geheeld waren. Waar John McCain pre-postkoloniaal was, was Barack Obama post-postkoloniaal.

Het waren allebei ficties. Obama heeft de oorlog tegen de terreur niet beëindigd, ook al zei hij van wel. McCain klampte zich op zijn beurt met nog meer toewijding vast aan het verhaal van Robert Jordan.

***

Het einde van de Amerikaanse Eeuw voelt als het einde van iets anders: een roman, misschien, waarvan we dachten dat hij anders zou aflopen. De overwinning van Trump trof veel mensen als iets ongeloofwaardigs, maar geloofwaardigheid is net zozeer een maatstaf van verhalen als een maatstaf van politiek. Wat voor verhaal denk je dat er wordt verteld? Waar bevinden we ons op de verhaallijn? Heeft het verhaal überhaupt een moraal?

Obama en McCain waren de laatste literaire staatsmannen van de Amerikaanse Eeuw, en ze hebben allebei leiding gegeven aan de neergang ervan. Ze zijn allebei tegemoet gekomen aan het verlangen om Amerika als een tekst te zien, als iets leesbaars, en allebei zijn ze uitgegaan van de toekomst ervan. Obama was de verteller van wie iedere toespraak een regel aan het Amerikaanse verhaal toevoegde, zodat wij allemaal, het expansieve wij van ‘yes we can’, steeds dichter in de buurt kwamen van het beloofde land. McCain was geen verteller maar een personage – eerder een held dan een doorsneeburger, maar daarom niet minder literair. Zijn heldendom was altijd belegen, nooit iets nieuws. In ieder verhaal van Obama wordt iets overstegen; in ieder verhaal van McCain wordt iets behouden.

Vandaar de voortdurende heiligverklaring. De memoires van McCain zijn gekruid met lofzangen op ongewone mannen die hij bewonderde en imiteerde – Ted Williams, Mo Udall, Emiliano Zapata zoals gespeeld door Marlon Brando – evenals personages uit het imperiale verleden, Grote Mannen en de toevallige Vrouw die de dingen op de juiste manier deden. Ook fictieve personages. McCain geloofde heilig in een dergelijk soort leven na de dood: je kunt de gezondheid van een politiek bestel aflezen aan hoe goed of hoe slecht de eerbare doden worden geëerd. Pantheons hebben bewaarders nodig, vooral als je zelf ook wilt toetreden tot dat pantheon. In die zin plande McCain zijn eigen begrafenis al sinds zijn twaalfde.

Trump: ‘Hij is een oorlogsheld omdat hij gevangen werd genomen. Ik houd van mensen die niet gevangen zijn genomen’

Deze narratieve posities leven voort in het tijdperk van Trump, maar ze voelen als verouderde rituelen. Obama deelt op Facebook nog steeds een jaarlijkse lijst van boeken die hem geïnspireerd hebben, alsof alles goed zal komen en er een nieuwe plank aan de boekenkast kan worden toegevoegd. McCain heeft ter gelegenheid van zijn laatste memoires eveneens zijn literaire helden in het zonnetje gezet in een interview met The New York Times, en uiteraard betrof het boeken uit een eerder tijdperk. Hij herinnerde ons aan de tijd waarin hij kinderboeken las als Ivanhoe van Sir Walter Scott, Treasure Island van Robert Louis Stevenson en Huckleberry Finn van Mark Twain. Hij beval klassieken uit de militaire geschiedenis en de biografieën van Grote Mannen aan. Het enige boek dat presidenten echt zouden moeten lezen, zei hij, is de uit zes delen bestaande biografie van Abraham Lincoln.

Konden zij de teloorgang niet zien aankomen? Misschien niet. Trump past niet in het plaatje. Hij is te bekrompen en te onbeholpen om een van de diverse gezichtspunten te kunnen zijn die Obama in het Amerikaanse verhaal heeft gewoven. De paranoia van het birtherisme (de stelling dat Obama geen Amerikaanse staatsburger is) is onverteerbaar. In een McCain-plot zou Trump het meest op een folteraar lijken. Trump biedt geen toekomst die de moeite van het bereiken waard is, noch een toekomst van waaruit we onze helden kunnen eren. Er is slechts het pijnlijke heden van andermans vreugdeloze real-time narcisme.

‘Hij is geen oorlogsheld’, zei Trump in 2015 over McCain. ‘Hij is een oorlogsheld omdat hij gevangen werd genomen. Ik houd van mensen die niet gevangen zijn genomen.’ Het laten leeglopen van de heilige mystiek rondom de gevangenschap van McCain, en van het gevangenschapsverhaal als genre, is volledig in overeenstemming met de ongeletterde nationalistische zwartmakerij die Trump belichaamt. Hij is de minst kosmopolitische rijkaard ooit. De geheiligde literaire archetypes van McCain – de verlossing van de gevangene, de avonturen van de imperiale deugniet, de opoffering van de buitenlandse strijder – doen er alleen toe als de rest van de wereld er ook toe doet, of als de marges ertoe doen, of als je kunt lezen.

***

McCain heeft tijdens het presidentschap van Trump een deel van zijn oude romantische aanzien herwonnen, en niet alleen vanwege zijn naderende dood. Het kwam ook doordat McCain de belangrijkste pleitbezorger van zijn tijd is geweest voor een geschiedenistheorie die de nadruk legt op Grote Mannen. Het is merkwaardig, zowel jongensachtig als grootvaderlijk, om te denken dat de morele kracht van een centraal personage het verloop van de menselijke geschiedenis bepaalt. Dergelijke theorieën zijn onder professionele historici uit de mode, maar op een niet goed onderkende manier zeer populair in het dagelijkse politieke leven. De terugkerende progressieve fantasie dat een of andere Grote Man of Vrouw redding zal brengen is een teken van hoe die theorie van de geschiedenis op een vreselijke en perverse manier waar is geworden.

In juli 2017, nadat bij hem een hersentumor was geconstateerd en hij een hersenoperatie had ondergaan, vloog McCain terug naar Washington, met een zwarte lijn van hechtingen boven zijn linkerwenkbrauw en het lot van Obama’s Affordable Care Act in zijn handen. ‘Houd op met luisteren naar bombastische schreeuwlelijkerds op radio, televisie en het internet’, waarschuwde hij zijn collega-senatoren in een veelgeprezen toespraak. ‘Naar de hel met hen!’ Hij sprak over grootsheid. De beraadslagingen in de Senaat ‘worden de laatste tijd niet bepaald gekenmerkt door grootsheid’.

De laatste tijd?

Weigerend om van tevoren te zeggen hoe hij zou gaan stemmen, waardoor de spanning op een niveau werd gebracht waar iedere schrijver jaloers op zou zijn, gaf hij in de vergaderzaal van de Senaat op dramatische wijze blijk van zijn afkeuring. Het Republikeinse wetsontwerp dat het einde van Obamacare had betekend was dood en de non-conformist leefde voort. Dit was geen verdediging van Obamacare als zodanig, maar eenvoudigweg een oproep om die wet te ontmantelen volgens de ‘reguliere procedures’ van de Senaat. De mystiek rond McCain was zodanig dat op grond van zijn eigen recente medische behoeften eerder pathos dan hypocrisie werd benadrukt. De Amerikanen vierden feest alsof het centrum stand had gehouden.

Maar het presidentschap van Trump is een opeenvolging van dergelijke cruciale figuren, de een na de ander. McCain was een van de velen van wier persoonlijkheid de Amerikaanse toekomst leek af te hangen. Sally Yates, James Comey, Robert Mueller, Anthony Kennedy, Ruth Bader Ginsburg. Dit is een tijdperk van heroïsche politiek, of in ieder geval maken we de fout om het als zodanig te zien. Vooral progressieven hebben zich hieraan schuldig gemaakt. Maar de echte les van dit omgekeerde Grote Mannen-dom zou moeten zijn dat een heroïsche politiek een kapotte politiek is.

Geen wonder dat we terugkeren naar McCain: hij leefde al in een alternatieve geschiedenis, een geschiedenis die romantischer en pittoresker was dan de onze. Het was een mooie alternatieve geschiedenis om te bezoeken. McCains escapisme was niet van de ergste soort. Het had een nette moraal, zoals een verhaal voor het slapen gaan. Houd van je land, want John McCain hield meer van je land dan jij. Het had ook een verhalende structuur: nostalgie, maar met één oog gericht op lofzangen over de toekomst. McCain is gestorven zoals hij leefde, bewaard in het barnsteen van de Amerikaanse Eeuw. Een anachronisme suggereert dat de tijd waarin we gevangen zitten ook een andere kant op had kunnen gaan. Dat is een mooie gedachte.


Vertaling: Menno Grootveld

George Blaustein is universitair docent Amerikanistiek aan de Universiteit van Amsterdam en essayist. Dit is een verkorte versie van My Fellow Prisoners dat werd gepubliceerd in n+1.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.