Geloven is een wilsbesluit

Eind vorig jaar publiceerde de Nederlandse filosoof Emanuel Rutten een nieuw godsbewijs. Hoewel hij het zelf in alle bescheidenheid een ‘godsargument’ noemt, is het een poging met behulp van de zogenoemde modale logica aan te tonen dat in ieder geval de stelling dat God niet bestaat onhoudbaar is.

Volgens Rutten is het fundamenteel onmogelijk zeker te weten dat God niet bestaat, terwijl hij tegelijkertijd uitgaat van het principe dat als de waarheid van een uitspraak noodzakelijk onkenbaar is, die uitspraak onwaar moet zijn. In de taal van de logica luidt dit als volgt:

  1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.

  2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.

  3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.

  4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

Op internet is inmiddels een heftige discussie losgebarsten over de vraag of deze redenering consistent is, en of de invulling die Rutten geeft aan het begrip ‘onkenbaar’ wel deugdelijk is. Omdat in de definitie die Rutten van dit begrip geeft het begrip ‘waarheid’ al is opgenomen, lijkt hier wel sprake van een tautologie of cirkel­redenering. Het debat over Ruttens ‘bewijs’ levert spannende lectuur op – om zijn stelling te verdedigen haalt de filosoof er zelfs denkbeeldige werelden bij waarin wezens weten wat er in de toekomst zal gebeuren, terwijl over en weer de verwijten van ‘onbegrip’ en ‘onzuiver redeneren’ vallen – maar laat menige argeloze lezer toch in verwarring achter. Waar gaat dit over?

Als exercitie op het terrein van de modale logica is dit wellicht een opwindende onderneming, maar heeft zoiets ook daarbuiten enige betekenis? Radicale atheïsten zullen van dit bewijs niet ondersteboven zijn – als zij ergens van ondersteboven raakten zouden zij vermoedelijk geen radicale atheïsten zijn – en de gelovigen die een dergelijk ‘bewijs’ nodig hebben ontberen nu juist dat wat zij zeggen te bezitten: geloof. Geloven is nu eenmaal niet hetzelfde als weten, kennen of begrijpen. ‘Als je het begrijpt, is het God niet’, zei kerkvader Augustinus al.

Godsbewijzen lijken dus onzinnig, wat ook geldt voor de stelling dat God niet bestaat. Hoe komt het dan dat er toch al heel lang mensen zijn die proberen het bestaan van God, of juist zijn non-existentie, te bewijzen? En welke gevolgen heeft dit?

De Amerikaanse historicus Brad S. Gregory wijst er in zijn nieuwste boek op dat het christendom er lange tijd van uitging dat God radicaal anders was dan zijn schepping. God was niet te vatten in termen van ruimte en tijd en was met behulp van de ratio niet te ‘kennen’. God was onpeilbaar en niet te bevatten, wat dus ook gold voor de relatie tussen hem en zijn schepping. Als er over het ‘zijn’ van God werd gesproken, dan was dat iets fundamenteel anders dan het ‘zijn’ van de mens. In filosofische zin viel er over God dus niets te zeggen.

Nadat in de dertiende eeuw steeds meer werken van Aristoteles in het Latijn waren vertaald, groeide echter de behoefte deze filosofie toe te passen op de relatie tussen God en de natuur. Voor Thomas van Aquino gold nog het radicale onderscheid tussen God en diens schepping, en stond de filosofie ten dienste van de theologie. Duns Scotus en William of Ockham daarentegen trachten wel met behulp van de ratio iets te zeggen over de relatie tussen God en de natuur en legden volgens Gregory de grondslag voor wat wel ‘eenduidige metafysica’ wordt genoemd. Of het nu om God of de mens ging, het woord ‘zijn’ betekende exact hetzelfde. Waar God voor Thomas van Aquino nog een absoluut mysterie was, en geloof ging om onoplosbare vragen, trachtten verschillende laat-middeleeuwse denkers wel antwoorden te formuleren. In feite probeerden ze draadjes te trekken uit het allesverhullende gordijn dat in het traditionele christendom tussen God en diens wereld hing.

Met de komst van een eenduidige metafysica werd de deur opengezet naar een rationele benadering van het christelijk geloof, die er uiteindelijk toe leidde dat er steeds meer verschillende, elkaar tegensprekende interpretaties kwamen. Dit was volgens Gregory niet de oorzaak van de Reformatie die begin zestiende eeuw losbarstte – die kwam vooral voort uit de onvrede over het feit dat de katholieke kerk in nog slechts weinig deed denken aan het oorspronkelijke christendom – maar versterkte wel de tendens naar een individuele geloofsbeleving. Het adagium van de reformatoren, sola scriptura (alleen in de bijbel en niet in de uitspraken van kerkelijke gezagsdragers kan de gelovige vinden wat God wil), leidde er niet alleen toe dat er heel veel verschillende protestantse kerkgenootschappen en sektes ontstonden, maar droeg tevens sterk bij aan een vergaande individualisering.

Na de verwoestende godsdienstoorlogen ontstond – en de Republiek der Verenigde ­Nederlanden liep hierbij voorop – de neiging geloof zo veel mogelijk te zien als een privé-zaak. De keerzijde van deze toenemende tolerantie was volgens Gregory het teloorgaan van veel sociale verbanden en onderlinge solidariteit, terwijl een kapitalistische mentaliteit en het verlangen naar steeds meer rijkdom werden gestimuleerd. Dit was nooit de bedoeling van Luther of Calvijn geweest, maar Gregory’s boek gaat expliciet over de onbedoelde gevolgen van de Reformatie.

De wijze waarop Gregory dit doet is betrekkelijk origineel, aangezien hij de Reformatie niet ziet als een afgesloten periode, een voorbereidende fase voor de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting, maar probeert aan te tonen dat tal van denkbeelden die aan het einde van de Middeleeuwen ontstonden nog steeds doorwerken in wat wij de moderniteit plegen te noemen. Anders dan veel filosofen doet hij dat zeer nauwkeurig en baseert hij zich op een onvoorstelbare hoeveelheid historische literatuur. Bovendien is dit vrij moedig, aangezien weinig historici tegenwoordig nog over de grenzen van hun ‘eigen’ tijdvak durven heen te stappen.

Het beeld dat Gregory van het heden schetst is weinig bemoedigend. Het hyperindividualisme heeft ons naar het ‘Kingdom of What­ever’ geleid, waarin iedereen zelf maar moet uitzoeken wat hij gelooft en het vergroten van de materiële welvaart het belangrijkst lijkt. Hoewel de natuurwetenschappen enorme verworvenheden hebben opgeleverd, staat de mens die wordt geconfronteerd met de grote vragen des levens met lege handen. God is terzijde geschoven als een begrip dat intellectueel niet consistent zou zijn, maar niemand kan uitleggen waarom bijvoorbeeld de mensenrechten aangeboren en onvervreemdbaar zouden zijn. Het geloof in basiswaarden van de moderne, westerse samenleving is met de rede alleen niet te onderbouwen, en is dus in feite even willekeurig als het geloof in God.

Dit besef dat het geloof in God een wilsbesluit is, komt ook duidelijk naar voren in de briefwisseling tussen Henk en Pieter van Os, Vader & zoon krijgen de geest. In een documentaire over de bekende kunsthistoricus zei zoon Pieter, politiek redacteur van NRC Handelsblad, ooit dat deze niet te begrijpen viel zonder besef van zijn ‘drang tot godsdienst’. Vader Van Os heeft geen godsbewijs nodig, verafschuwt dat zelfs, en heeft voldoende aan de wil dat God bestaat. Vrijzinnig hervormd opgevoed werd zijn vanzelfsprekende geloof voor het eerst op de proef gesteld toen zijn jongere zusje om het leven kwam bij een auto-ongeluk. Lange tijd kon hij zich op de been houden met het besef dat het leven nu eenmaal absurd is, maar gaandeweg ontdekte hij de behoefte aan een steviger houvast. Door zijn intensieve omgang met religieuze kunst raakte hij steeds meer overtuigd van de zin van bidden en liturgie.

Hoewel zijn zoon deze drang niet voelt, vinden beiden elkaar onder meer in hun ergernis over radicale atheïsten, die denken dat je met de constatering dat God niet bestaat alles gezegd hebt. ‘Ik heb het sterke vermoeden dat met het afwijzen van kwakzalvers niet als vanzelf goede dokters opstaan’, aldus Pieter. Dat het geloof, of althans het besef dat de wetenschap niet overal een antwoord op heeft, een zekere troost kan bieden, blijkt duidelijk als vader en zoon schrijven over het immense familietrauma: de zelfmoord van hun oudste zoon respectievelijk broer. Verdriet, woede, schuldgevoelens – pas toen Henk er door zijn vriend Rutger Kopland op gewezen werd dat hij niet wilde toegeven dat hij volkomen machteloos was, werden deze zaken min of meer hanteerbaar.

Maar machteloosheid past helemaal niet in het wereldbeeld van de moderne mens, die er immers van overtuigd is dat alles te verklaren valt, en dat er dus in beginsel voor alles een oplossing te bedenken is. Sinds God terzijde is geschoven is de mens de heerser van het universum, en is alles zijn eigen verantwoordelijkheid. Je moet wel heel sterk zijn, of bijzonder ongevoelig, om die last altijd op je schouders te kunnen nemen.

Radicale atheïsten en sceptici zullen de ‘drang naar godsdienst’ wellicht afdoen als escapisme of intellectuele gemakzucht, maar het sympathieke aan dit brievenboekje is juist dat duidelijk wordt dat dit onzin is. Mensen hebben nu eenmaal behoefte aan mooie verhalen, die ze op gezag kunnen aannemen, ook al weten ze dat je ze zonder veel moeite kunt ‘deconstrueren’. In dit verband haalt Pieter van Os de filosoof Richard Rorty aan, die evenals Gregory van mening was dat ook de mensenrechten bedacht zijn, maar dat het goed is te doen ‘alsof’ het om objectieve ‘natuurrechten’ gaat. Wellicht geldt voor God en de christelijke waarden hetzelfde.


Brad S. Gregory, The Unintended Reformation: How a Religious Revolution Secularized Society. Belknap Press, 574 blz., € 44,50.

Henk & Pieter van Os, _Vader & zoon krijgen de geest: Brieven over de drang tot godsdienst. _Balans,176 blz., € 16,95