Geloven is iets anders dan geloven

Froukje Santing. _Dwars op de tijdgeest: Hoe ik Nederland aantrof toen ik terugkwam. De Geus, 190 blz., € 18,99_

Froukje Santing. Dwars op de tijdgeest: Hoe ik Nederland aantrof toen ik terugkwam. E-book, _€ 14,99_

‘Ik erger mij al langer aan de oriëntatie in het publieke debat dat Allah het enige morele anker is van migranten met een moslimachtergrond’, schrijft Froukje Santing in haar persoonlijk gekleurde bespiegelingen op het Nederland en de islamitische cultuur van nu. Om vervolgens te zeggen: ‘Ik heb een ander tijdsbeeld.’ De achtergrond van dat andere beeld is gelegen in de periode dat zij in Turkije woonde en werkte, van het begin van de jaren tachtig tot het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw. Het waren jaren waarin het seculiere denken in Turkije de boventoon voerde en Nederland open grenzen had. Maar zowel het een als het ander en dan vooral dat laatste is sinds 9/11 veranderd.

Een van de vele illustraties hiervan is de beleidsnota Integratie, binding en burgerschap die het kabinet-Rutte juni vorig jaar openbaar maakte. Hiermee, aldus Santing, werd definitief een einde gemaakt aan de idealen van de multiculturele samenleving c.q. het cultuurrelativisme en teruggekeerd naar een gesloten, nationale cultuur. Precies ditzelfde gebeurde en gebeurt ook elders, stelt zij, in Groot-­Brittannië, Duitsland, de Scandinavische landen. Daarmee is een tijdperk geëindigd. Het maakt de toekomst minder vrolijk. En dat, aldus Santing, terwijl een en ander gebaseerd is op een potpourri van onwetendheid, clichés en politieke reflex – niet nodig dus en bovendien onjuist.

Niet alleen Allah: Waarden en identiteit van tweedegeneratiemigranten met een moslimachtergrond (http://goo.gl/Xi5Wf) luidt de titel van de masterscriptie die Santing, na jaren van journalistieke werkzaamheid naar de universiteit gegaan, in 2010 voltooide. De centrale stelling ervan is met de titel gegeven: dat het onzin is te denken dat Nederlandse moslims door en door gelovig zijn; dat geloof veel meer omvat dan het begrip suggereert; dat geloof onlosmakelijk verbonden is aan cultuur; dat in de combinatie geloof-cultuur talloze varianten mogelijk zijn, en tot slot dat onze beeldvorming onjuist is want voor variëteit geen oog heeft. Het geloof, om het anders te zeggen, is geen vaststaande, onveranderlijke waarheid, het is zelfs niet de ondergrond maar een uitdrukking van het leven.

In zoverre is Santing een aanhanger van de Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz die beweerde dat de verhouding tussen geloof en cultuur anders ligt dan vanuit religieuze en tegenwoordig dus ook vanuit politieke hoek wordt beweerd. De basis van religie ligt in de cultuur en het sociale spel, stelt Geertz, religie is ‘slechts’ uitdrukking. Dit betekent bijvoorbeeld dat religie het gevolg kan zijn van politiek, of zoals Geertz in een essay over de islam schrijft: ‘Voor de komst van het kolonialisme was men moslim door omstandigheden, daarna was men moslim uit politieke noodzaak.’ Iets dergelijks kan gezegd worden over het geloof van tal van huidige moslims. Hun tentoonspreiding ervan is niet het resultaat van toenemende religiositeit maar een reactie op culturele isolatie. Die reactie is des te sterker omdat die isolatie botst met het zelfbeeld. Anders gezegd: Nederlandse moslims voelen zich minstens zozeer Nederlands als moslim en als ze enkel op het laatste aangesproken worden, gedragen ze zich daar ook naar. Niet uit overtuiging maar van de weeromstuit – uit trots of als statement.

Het betoog van Santing is subtiel en keert zich daarmee keer op keer tegen de dominante botheid van haar omgeving – in media, politiek en zelfs wetenschap. In zoverre staat zij, zoals de titel van haar essay ook zegt, dwars op de tijdgeest. ‘De dominante meerderheid in Nederland dwingt de 1,8 miljoen migranten van niet-westerse afkomst (…) hun Nederlandse burgerschap centraal te stellen en de banden met het vaderland en het land van hun ouders te laten vieren’, schrijft zij. Dat is op zich niet zo vreemd. Dat gebeurt in zekere zin ook in de Verenigde Staten – hoewel dubbele loyaliteit daar tegelijkertijd heel gewoon is. Vreemd is echter dat deze eis van Nederlanderschap gepaard gaat met een verwijt. Want ‘diezelfde meerderheid eigent zich het recht toe om migranten generaties lang via de achteruitkijkspiegel te beloeren en te beschimpen (…) Het onderscheid tussen autochtoon en allochtoon stelt de herkomst centraal. Het zegt weinig over het huidige multiculturele Nederland.’

Het is dit Nederland dat Santing aan de hand van talloze uitspraken van en verhaaltjes over Nederlandse moslims laat zien. Zo is de werkelijkheid, wil zij zeggen, een waaier aan levensvormen. Ook in zoverre is zij een aanhanger van Geertz die steeds weer beweerde dat je het grote verband in het detail moet zoeken. Het is een journalistieke methode waar Santing zich goed bij voelt, die het panorama complex maakt, het beeld vergruist en die zonder twijfel dichter bij de waarheid staat dan de clichés die het publieke debat beheersen.

Helaas heeft het inzicht ook een nadeel: dat het als politiek instrument niet erg bruikbaar is. Santing is een journalist die niet langer ‘alleen maar’ dat wil zijn. Zij wil ook en misschien zelfs wel vooral wetenschap bedrijven. Een gevolg hiervan is dat het betoog soms zo subtiel wordt dat het bijna ijl is. Inhoudelijk is dat terecht, bovendien is het mooi. Politiek is het echter niet handig: ijle beelden kunnen eenvoudig weggeblazen worden. En dat is natuurlijk niet de bedoeling. Want Santing plaatst zich niet zomaar dwars op de tijdgeest. Ze wil die geest ook veranderen en daarvoor is, helaas, een zekere botheid vereist. Die ontbreekt haar. Ze schreef een essay, geen pamflet en dat terwijl ze wel politieke bedoelingen heeft. Dat wringt. Maar het is een wringen waarmee de lezer alleen maar blij kan zijn.