Gelovig

Ik ken weinig mensen die gelovig zijn. Of misschien ken ik weinig mensen die toegeven dat ze gelovig zijn. Sommigen zeggen dat ze als rechtgeaarde agnosticus rekening houden met de mogelijkheid dat er ‘iets’ is na de dood, maar bidden of naar de kerk gaan: ik heb nauwelijks vrienden die dat doen.

Tot voor kort werd - opnieuw in mijn omgeving - het aanhangen van een religieuze overtuiging zo ongeveer gelijkgesteld aan een vorm van hersenverweking. Geloven was iets voor verliezers: beklagenswaardige, zweverige types die door ons achteloos op het bestaan van de werken van Darwin werden gewezen.
Gek genoeg leken gelovigen min of meer dezelfde gedachte aan te hangen. Beschroomd gaf men toe ‘weleens’ een kerk te bezoeken, maar uiteraard was men niet zo naïef om in een soort godspersoon te geloven of irrationele ideeën aan te hangen. Ongetwijfeld was men in eigen kring openhartiger, maar daarbuiten hield men zich opmerkelijk gedeisd. Het was alsof mensen zich schaamden voor een overtuiging die zij kennelijk zelf benedenmaats vonden.
De deuk in het zelfvertrouwen van de gemiddelde Nederlandse christen lijkt goeddeels hersteld. Er is zelfs sprake van een collectieve aanval van assertiviteit die zich op de meest uiteenlopende gebieden uit. Zo wist de kerk even zelfbewust als daadkrachtig de discussie over de armoede in Nederland te sturen, terwijl de RPF als kleine christelijke partij brutaalweg van oudsher linkse issues als sociale zekerheid en het opkomen voor bijstandsgerechtigden als belangrijkste punten op de politieke agenda plaatste. Had het CDA al eerder gescoord met de zogenaamde gezinsdiscussie, de kritiek op de Nederlandse euthanasiepraktijk werd voor het eerst door gelovigen verwoord. De EO, in Hilversum lang behandeld als het achterlijke broertje, wordt steeds serieuzer genomen en het christelijke Trouw wordt steeds vaker genoemd als het beste en meest betrouwbare dagblad.
De gelovigen zijn aan het emanciperen geslagen, zo lijkt het wel, en men gaat rechtstreeks in de aanval. Was er vorig jaar onverwachte commotie rond een stukje van Theodor Holman waarin hij over 'christenhonden’ sprak, afgelopen zaterdag stonden er vijf boze brieven in de Volkskrant over een column van Anne Vegter, waarin zij Christus beschreef als een 'op seks beluste oude junk’. Volgens de brievenschrijvers ging het hier om 'vuilspuiterij’, 'laster’, en 'een kwetsend stukje voor mensen die in God en Jezus geloven en met eerbied met Zijn Woord omgaan’. Een Leidse studente vroeg zich af waarom in de Volkskrant 'het christelijk geloof en de bijbel zo vaak belachelijk worden gemaakt. Wat is het nut om christenen zo'n verdriet te doen?’
Ik maak mij sterk dat twee jaar geleden niemand de moeite had genomen om de Volkskrant ervan te doordringen dat christenen niet graag belachelijk gemaakt worden, want van een columnist van een progressief dagblad verwachtte men niet anders dan 'kwetsende stukjes’ van columnisten over de Jezusfiguur.
Christelijk Nederland laat weer van zich horen en begint zich te bemoeien met hedendaagse debatten die in het algemeen de ethiek betreffen. Vorige week schreef een pastoraatmedewerker in Trouw dat het flauwekul is dat mensen in geestelijke nood geacht worden zich te richten tot een psychiater. Veel meer, meende de auteur, lag het voor de hand dat mensen 'met levensvragen’ zich tot het pastoraat zouden wenden. Alsof het hier om een objectieve instelling zou gaan die de cliënt wetenschappelijke informatie verschaft.
Het kon niet uitblijven natuurlijk. Het geloof wordt weer serieus genomen. Maar dan toch in de eerste plaats door de aanhangers ervan zelf. Sinds de ethiek als publiek debat de media beheerst, is religieus Nederland weer van de partij en timmert opvallend aan de weg.
Het is alsof de ultieme inhaalrace is begonnen.