Gelovig lichaam

Marc Kregting, Stopnaald/Kopstem. Uitg. Prometheus, 137 blz., Ÿ39,90 ..LE Ik noem wat namen: Peter van Lier, F. van Dixhoorn, Erik Spinoy, Arjen Duinker, Esther Jansma, Peter Verhelst, Tonnus Oosterhoff, Paul Bogaert, K. Michel, Dirk van Bastelaere. Ik voeg daaraan toe: Marc Kregting. Ik voeg daar ook aan toe dat ik eigenlijk niet goed weet wat ik met deze opsomming precies wil zeggen, alleen dat ik het gevoel heb dat elke naam een ingredi‰nt is voor een gerecht dat ik Nieuwe Po‰zie noem. Het zijn wat nieuwe namen uit de po‰zie van, zeg maar, de laatste tien jaar, en die po‰zie smaakt heel anders dan de po‰zie die daarvoor verscheen. Het lukt me echter nooit om die smaak overtuigend te omschrijven en duidelijk te maken waarom deze bouillabaisse nou zo totaal anders zou zijn dan het ratjetoe van daarvoor. En als ik het werk van deze dichters onderling met elkaar vergelijk, lijkt het me zelfs onmogelijk om iets werkelijk smakelijks samen te stellen met zulke verschillende, elk voor zich buitengewoon dominante ingredi‰nten - nog afgezien van het feit dat, juist als ik alles zo'n beetje bij elkaar heb gegooid, er weer een nieuw, sterk gekruid onbekend gerecht op het aanrecht blijkt te staan dat er eigenlijk ook nog bij moet, waar ik aan ruik, een likje van neem en niet van kan besluiten hoe dat nu weer precies smaakt.

Zoals de po‰zie van Kregting, die nu, na zijn in 1994 verschenen De gezel, met de verhalen- en gedichtenbundel Stopnaald/Kopstem komt. Over De gezel wilde ik destijds graag iets schrijven, maar ik deed het niet. Ik kon na lezing alleen mijn mond vol tanden tonen. Dat Kregting ooit in De held publiceerde, dat hij sinds 1991 een eigen tijdschrift uitgeeft (De biels, met voorin de opmerking dat eventuele bijdragen van anderen alleen welkom waren op een gironummer), dat hij pianist is en van Jaco Pastorius houdt, dat hij in een recent nummer van De Revisor iedereen verbiedt ooit iets uit zijn bijdrage over te nemen om vervolgens (ik zondig meteen) te eindigen met de woorden: ‘Er moet een autonome po‰zie zijn, die over de wereld gaat’ - het helpt me allemaal niets bij het zoeken naar dat kapstokje dat je als criticus nodig hebt om een werk aan op te hangen.
Kregting is een jas zonder lusje. Een dichter die je alleen maar kunt aantrekken als je hem leest. En als je hem leest krijg je geen boodschappen, geen beschrijvingen en uitzichten, geen filosofische of andere mededelingen. Je krijgt woorden, woorden die op verschillende manieren wel degelijk met elkaar samenhangen, maar die zich niet aaneen laten lezen tot iets herkenbaars, tot een zekere eenheid. Want dat is wat je als lezer met zelfs de meest 'duistere’ teksten toch altijd weer probeert: ze samenvoegen tot een beeld, ze sluitend maken, ze op een noemer krijgen.
De grap is dat de teksten waarbij ons dat niet lukt vaak 'gesloten’ worden genoemd, 'hermetisch’, 'dicht’. Maar dat is helemaal niet de indruk die Kregtings teksten wekken. Het probleem is misschien juist hun openheid, het gegeven dat je er zo veel verschillende kanten mee op lijkt te kunnen, dat je einde- en oeverloos begint te dwalen in zijn teksten.
'Elk vergrijp een baaldag’, lees je in het gedicht 'Kopstem in de brilstand’, 'Ernstige eeuwen/ verbijsteren de ploert. Zeker wie gratie/ loochent voor blije zifterij. Dat betekent/ nogal een ander. De schurk is een bandiet./ Speelt cello zonder koffer, daar past een/ kinderlijk naast. Zijn eega onbevruchtbaar./ Dat wil ze gewoon niet hebben. Een dwaling/ bevliegt het gerecht. Hun kokmeeuw geeft/ achttien toegiften. Een offer blijft het.’
Woorden als 'ploert’, 'gratie’, 'schurk’, 'bandiet’, 'kinderlijk’, 'dwaling’ en 'gerecht’ sluiten zich aan bij 'vergrijp’. Het woord 'gerecht’ lijkt het woord 'kokmeeuw’ uit te lokken (cursivering van mij), maar bij die achttien toegiften denk ik toch weer aan toe- en zelfs vergeven en dus aan gratie. Al lijken ze mij ook iets met die dwaling te maken te hebben, want die meeuwen schijten dat het een lieve lust is, zo weet een ieder die in zilte zeewind wel eens zo'n dwaling op zijn jas kreeg.
En dan is er nog die brilstand uit de titel: nul-nul. Hier wordt niet gescoord. Dat klopt. Zijn eega wil dat niet hebben. Nogal een baaldag inderdaad. En in het verlengde hiervan begin ik bij het cello spelen zonder koffer aan masturberen te denken, en in die kok uit 'kokmeeuw’ zie ik plotseling een oer-Engelse cock oprijzen. De schurk die zich eens even aan zijn eega zou vergrijpen is dan inderdaad een bandiet, een ondeugd. En wat daar dan vervolgens het gerecht bevliegt laat zich raden. Dat krijgt men heel wat moeilijker van zijn jas dan meeuwenstront.
Je kunt aan dit spoor vasthouden en nog wat doorfilosoferen over die combinatie van misdaad en onanie, en voor je het weet zit je in bijbelse schuld-en-boetesferen. Maar het gedicht dwingt je hier niet toe. Integendeel, het wijst je erop dat je zelf op hol geslagen bent.
Dat is meteen ook de charme van dit werk: het verwijst je niet naar het standpunt van de dichter, maar het wijst je onophoudelijk op je eigen onverbeterlijke neiging om uit chaos een orde te scheppen. Let wel: het heeft niet, zoals je grofweg gesproken van de oude avant-gardistische po‰zie kunt zeggen, de expliciete bedoeling om chaos te scheppen, om een bestaand beeld van de werkelijkheid te ontregelen vanuit een protest tegen dat beeld. Het stelt, zonder expliciete politieke of kritische bedoelingen, dat een dergelijk vooraf bestaand beeld van de werkelijkheid er niet is. Het erkent geen concepten. Stopnaald, het personage uit het verhaalgedeelte van de bundel, formuleert het zo: 'Eigenlijk ontkomt Stopnaald er niet aan dat hij een gelovig lichaam is, dus hij hoeft nergens te zoeken.’
Als ik zoiets lees begint mij te dagen waarom Kregting in die bouillabaisse van mijn Nieuwe Po‰zie thuishoort: al de hier genoemde dichters lijken gemeenschappelijk te hebben dat ze niet uitgaan van wat Peter Sloterdijk het 'Kopfdenken’ heeft genoemd, maar van een veeleer fysieke ervaring van de hen omringende, ongestructureerde werkelijkheid. Wat zo binnen de po‰zie verschijnt bevindt zich altijd halverwege hoofd en hart. De taal schept (en is) een geestelijke orde, maar blijft tegelijkertijd trouw aan die ongestructureerde en ondeelbare fysieke ervaring, aan het 'gelovig lichaam’. En dus lijken die gedichten steeds op weg naar die orde, om precies op de grens te blijven staan.
Kregting spreekt met een kopstem, met een falset, van het Italiaanse falso, dat 'onoprecht’ betekent. Onoprecht omdat mannen die zo spreken (of zingen, eigenlijk meer, Kregtings po‰zie is zeer muzikaal) slechts een gedeelte van hun stembanden gebruiken. Kregting gebruikt slechts een gedeelte van de orde scheppende taal, zou je kunnen zeggen. Zoals een stopnaald natuurlijk vooral gaatjes prikt om iets te dichten.