Toneel

GELUID MAKEN

TONEEL Een soort van mooi

Toen ik zat te kijken naar Een soort van mooi, een toneeltekst van debuterend auteur Marcel Osterop, moest ik onwillekeurig denken aan de dialoog Kwelling van Herman Heijermans. Die werd op 14 juli 1906 onder het pseudoniem Falkland gepubliceerd als ‘cursiefje’ in het Algemeen Handelsblad. Het is bij mijn weten een van de eerste dialogen in de Nederlandse toneelgeschiedenis waarin een stel (hier een blind geworden man en zijn echtgenote) elkaar tergt tot het uiterste. Het drama zit in een vermoeden van overspel. Maar daar gaat de dialoog niet over. Het ontwijken, toucheren, onderdrukken, zwijgen vormen de motor voor de samenspraak. Net als in zijn andere korte stukken toont Heijermans zich hier een fijnzinnig maar weinig zachtzinnig psycholoog. Het beroepstoneel waagde zich overigens tachtig jaar lang niet aan deze tekst. Maar dat is een ander verhaal.

De jonge auteur/acteur Marcel Osterop (1979) heeft het getroffen bij Het Zuidelijk Toneel. Hij kon Een soort van mooi als debuut laten ontkiemen in een schrijverslaboratorium en die eerste versie zag ik een jaar geleden, met hemzelf als de Hij en Constance Kruis als de Zij. Er is verder aan gewerkt en het stuk toert nu in kleine zalen, in dezelfde bezetting. Eerst maken de twee personages ons deelgenoot van de aard van hun pas ontloken relatie. Zij noemt zich ‘doemdenker’ (alles kan altijd erger, zoiets), ze trekt zich op aan de impulsen van haar vriend, die ze ook altijd op de een of andere manier krijgt. Hij noemt hun relatie ‘een noodoplossing, maar wel een heel goeie noodoplossing’. Het doemdenken en de noodoplossing gaan over hetzelfde: ze kunnen allebei niet goed alleen zijn. Daar ligt ook de kiem van hun wederzijdse kwelling. Het raffinement van de tekst zit in de tegenstelling tussen de individuele, afzonderlijke bekentenissen (aan ons) over de zonnige kant van de relatie, en de steeds schrijnender, pijnlijker en benauwdere dialogen waarmee ze elkaar op de pijnbank leggen, waarbij wij toekijken. Jazeker, ze hebben elkaar altijd wel íets te zeggen. Maar tussen de woorden zit een hoop ruis. Ze praten niet zozeer. Ze maken geluid. En wel voornamelijk hun eigen geluid. Dat is op den duur niet vol te houden.

De kracht van Een soort van mooi zit in het lawaai tussen de regeltjes en de woordjes. Het moet in de hoofden van deze twee jonge mensen een enorm kabaal zijn. De vrouw in dit woordenspel krijgt de meeste tijd en ruimte om een begaanbare taal te verzinnen waardoor we iets van dat kabaal kunnen begrijpen. Constance Kruis doet dat mooi, via ingeslikte halve zinnen, subtiel plukken aan kleding en haar, een ingeslikte huilbui. De schrijver Marcel Osterop (tevens de vertolker van de jongen) maakt het die jongen makkelijk, te makkelijk. Als een soort leerling-zielknijper (eerstejaars, nog nat achter de oren) fileert hij het ingewikkelde karakter van zijn vriendin. Zelf blijft hij daarin goeddeels buiten schot. Dramatisch is dat een zwakte van de tekst, die sinds het proefstadium van het stuk (een jaar geleden) in deze versie niet echt is aangepakt.

Het speelterrein is simpel: voorin een kleine tafel met water en glazen, twee stoelen, harde belichting, achterin een fauteuil en een bankje, waar de spelers al zitten als we binnenkomen. Ergens midden in de voorstelling is er een wonderlijk soort ‘natuurlijke’ pauze. We horen muziek, de spelers staan achter op de speelvloer, kijken elkaar aan, kijken weg, wisselen een enkel woord, alsof ze zich voorbereiden op de laatste ronde. Deze minimale choreografie van verlatenheid oogde treffender dan wat die laatste ronde aan tekst te bieden had. Intrigerende voorstelling, dat wel, met veel losse eindjes, dat ook. Misschien moet Osterop die korte toneelteksten van Herman Heijermans nog eens (her)lezen.

Het Zuidelijk Toneel, Een soort van mooi, tournee tot half oktober, www.mooi.hzt.nl