Hoofdcommentaar

Geluk

Waarde lezer, u bent gelukkig. Uw kinderen zijn gelukkig, uw collega’s zijn gelukkig en uw buurman is het ook. Het Sociaal Cultureel Planbureau meldde vorige week dat 82 procent van de Nederlanders zichzelf als ‘gelukkig’ tot ‘zeer gelukkig’ beschouwt.

De onrust na 9/11 en de moorden op Fortuyn en Van Gogh is geweken. De Nederlanders geven hun land een dikke voldoende. Ze hebben vertrouwen in de toekomst. Ze investeren, sparen, studeren, kopen. De werkloosheid daalt. De criminaliteit neemt af. De politie en de buurtwerkers zitten de kutmarokkaantjes achter de vodden. Het vertrouwen in de regering is gestegen van 42 naar 67 procent. Allochtonen halen in hoog tempo hun achterstand op de koopwoningmarkt in en zij vallen als rijpe appelen van hun geloof. Minister Vogelaar gaat nog gelijk krijgen: wij kunnen de contouren zien van een nieuw amalgaam, de Nederlander met een bataviers-joods-christelijk-moslim-mediterraan genenpaspoort, voor wie de massieve ideologische, religieuze en culturele bouwwerken van weleer al bijna tot een herinnering zijn verduisterd. Over tien, twintig jaar zijn die Nederlanders, christelijk of moslim, allemaal vereend in de gelukzalige onwetenschap dat geen van hen meer weet wie Adam, Eva, Abraham en Mozes waren.

Wij zijn de enigen niet die zo gelukkig zijn; sommige Europeanen zijn zelfs nóg gelukkiger dan wij. De Britten, bijvoorbeeld, waarderen hun leven gemiddeld met een 7,3. Een onthutsende 85 procent van hen is tevreden over zijn levensstandaard – onder de Britse bejaarden is dat zelfs 92 – en dat werpt een heel ander licht op de derdewereldberichten over de NHS, de moord op een elfjarig jongetje in Liverpool, de overstromingen, de haperende ondergrondse, en het feit dat vorig jaar een kleine tweehonderdduizend Britten emigreerden naar Australië, Dubai of Spanje. Dat moet het restantje aan mopperkonten en kniesoren zijn geweest.

Het zijn glibberige gegevens. Het SCP-rapport kijkt vooral naar de realiteit van de sociale verhoudingen, niet zozeer naar de actualiteit van culturele elementen daarin. De perceptie van wat de media bieden, bijvoorbeeld, en hoe sterk dat de geluksverwachting beïnvloedt. Het zou fijn zijn als iemand daar eens iets verstandigs over zei.

Neem de persconferentie van Ehsan Jami en zijn sympathisanten, vorige week. Dat was een klinkend mediasucces. Alle buitenlandse pers en alle buitenlandse tv-stations van enige importantie waren aanwezig, Jami schoof aan bij Pauw en Witteman, een evenement van de eerste rang. Dat er achter de façade geen enkele substantie zat was niet aan de orde. De performance kreeg hoogste prioriteit. Natuurlijk, zullen de kijkers zeggen: die jongen wordt bedreigd, de Nederlander is bang, in paniek, alles wat met moslims en geweld van doen heeft houdt hem uit de slaap.

Maar dat kán dus niet zo zijn, statistisch gezien, en niet alleen volgens het SCP. Twee dagen voor Jami’s persconferentie haalde de eerste aflevering van het programma Boer zoekt vrouw een marktaandeel van 35 procent (2,6 miljoen kijkers). Op de ranglijst van die avond werd het gevolgd door Wegmisbruikers (SBS6), met 22 procent marktaandeel (1,2 miljoen). Dat zijn fenomenale cijfers voor programma’s die vooral het rustig kloppende hart van Nederland tonen, waar normale, herkenbare, makkelijk leesbare types hun uiterst normale, herkenbare, leesbare werk doen. De betrouwbare boer, die over zijn gevoelens spreekt. De regionale politieagent, met zijn soepel-menselijke aanpak, die even met de officier van justitie belt (‘Hallo, Fred’) en kalmpjes en niet-veroordelend de auto van de wegpiraat in beslag neemt. Natuurlijk zijn dat succesvolle programma’s, immers, de Nederlanders zijn gezagsgetrouw, eerlijk en arbeidzaam, en ze hebben een sterk gevoel voor verhoudingen en verantwoordelijkheden. Ze zijn niet bang en ze zijn niet in paniek.

Deze tegenstelling tussen onrust en geluk kan het SCP niet verklaren, anders dan door op te merken dat Nederlanders hun eigen levenssfeer altijd al hoger hebben gewaardeerd dan de publieke. Misschien moet dat wel veel dramatischer worden gezien. Nederlanders wonen in kogelvrijglazen koepels. Zij zien de buitenwereld, het publieke domein, maar ze zijn er maar nauwelijks mee verbonden. Hier en daar zitten poortjes, in hun glazen wand, waardoor ze noodgedwongen de buitenwereld ontmoeten. Het onderwijs, waar de bureaucratie heerst, de straat, waar zwerfvuil en kleine criminaliteit zichtbaar zijn, de snelweg, het ziekenhuis. Vervelende, riskante ontmoetingen, maar wie voldoende welstand heeft, kan zich van de meeste zorgen, angsten en ergernissen bevrijden.

Op het kogelvrij glas projecteert de burger zijn verlangens, en omgekeerd doet het publieke domein dat, maar het zijn filmvertoningen zonder geluid. De overheid heeft geen idee of haar goede bedoelingen zoden aan de dijk zetten; de burger is in toenemende mate zijn gevoel voor realiteit aan het verliezen. Ehsan Jami, Northern Rock, Rita Verdonk, Bagdad, Rwanda, Beatrix – die dingen zijn tegelijkertijd echt en niet echt: het zijn toverlantaarnvoorstellingen, celebrities. Of ze substantie hebben of niet is niet van belang.

Natuurlijk, als je de Nederlander een microfoon voorhoudt en hem om zijn mening vraagt, dan is hij je graag ter wille, maar zijn uitspraken zijn, op den duur, niet meer te waarderen als ‘reality-based’. Elke burger is zijn eigen medium geworden. Opiniepeilingen en onderzoeken naar geluk zijn even relevant als literatuur.

De missie van de politiek, en het doel van de begroting van de regering, is uiteindelijk dat wij allen nóg gelukkiger worden dan we al zijn. Misschien is dat niet meer het belangrijkste. Misschien is het versterken van de interactie tussen publiek en privé de grootste prioriteit. Er moeten gaten geschoten worden in het kogelvrij glas.