Arie Storm schrijft irritant pesterig. Niettemin komt hij ermee weg © Merlijn Doomernik / ANP

Kent u Tom van Santen nog? De eigengereide pseudoheld uit de roman Schoonheidsdrift (2021), die een kolderiek avontuur beleeft op het door hem zo gehate eiland Terschelling? Hij is terug. En gaat weer naar Terschelling. Ditmaal om te voorkomen dat het manuscript van zijn schoonvader, oud-politicus Alfred W., wordt uitgegeven. Het betreft een ‘memoir’ vol brisante onthullingen. Dat ontspoort allemaal in wederom een dolgeestige geschiedenis, die eindigt in de Dordogne, maar daarover wil ik het hier niet hebben. Dat moet u zelf maar gaan lezen.

Bovendien hoort een schrijver geen verhaal te vertellen. Althans, dat beweert de tweede ik-figuur van deze roman, in hoofdstukken die Van Santens verhaal steeds onderbreken. En zijn verhaal begon mij gaandeweg meer te boeien dan het andere.

De verteller ervan lijkt sprekend op Arie Storm: bijna zestig, al probeert hij dat te verdringen, gedebuteerd in 1994, opgegroeid in de Haagse Schilderswijk die hij in de jaren tachtig verruilde voor Amsterdam.

Deze hoofdstukken vormen nu precies wat je een ‘memoir’ zou kunnen noemen. Niet zozeer vanwege de ‘fictionele touch’ erin, waarin het genre zich volgens Alfred W. zou onderscheiden van de autobiografie, maar doordat het zich toespitst op één periode en één thematisch gegeven. In dit geval is dat de betekenis van de stad Amsterdam voor zijn schrijverschap, met de nadruk op de jaren tachtig, de tijd dat hij er als zeventien-, achttienjarige van alles op projecteert (‘ik verwachtte er op elke straathoek een schrijver tegen te komen’).

Daar zit iets mooi tegenstrijdigs in. Weliswaar herinnert hij zich de hoofdstad uit die tijd – die van kraakpanden en ‘No Future’ – als grauw, stinkend en gevaarlijk, toch raakt hij lyrisch van het licht en de geluiden in de straten, die zo anders waren dan in zijn geboortestad. Alle tumult komt bij die adolescent intens binnen en zorgt voor een geluksimpuls die hij veertig jaar later onderzoekt, nog steeds voelt én, dat maakt deze hoofdstukken zo geslaagd, over weet te brengen op de lezer.

Het symbolische brandpunt van al dat dromen en verlangen is het meisje Lotte, oudere zus van een vriend, die aan de verteller voor het eerst verschijnt in een studentenhuis terwijl ze harp aan het spelen is en met wie hij een stormachtige affaire beleeft.

Daar heb je weer zoiets. Het betoverende meisje met haar betoverend snarenspel. In Mulisch’ De ontdekking van de hemel was de cellospeelster in dat antiquariaat al op het randje van kitsch. Een mysterieuze harpiste, gekweld door onbekend leed (waar komen haar blauwe plekken vandaan?), dat is daar ruimschoots overheen, weet je als weldenkend individu.

Storms poëtica: Een schrijver ‘moet het leven oproepen’

En toch.

Misschien doe je Arie Storm het meest recht door hem te typeren als de schrijver van het grote niettemin. Irritant pesterig, soms clichématig, vaak langdradig, telkens zichzelf onderbrekend, met dat metafictionele gelul de hele tijd, met al die ongeloofwaardige wendingen, kokette verwijzingen naar de wereldliteratuur, en had ik het al gehad over dat betweterige toontje?

En toch. Niettemin ‘komt hij ermee weg’, zoals dat dan altijd heet. Maar wat is dat, dat wegkomen? Waar naartoe? En waarom lukt die ontsnappingsact?

Het wegkomen is denk ik dat het je als lezer niet langer boeit wat het verhaal nu precies doet op het niveau van de gebeurtenissen. En dat lukt omdat er iets anders is dat je aandacht gegrepen heeft, dat het heeft overgenomen. De manier van vertellen, en hoe je daarbij, tussen de regels, zijdelings, ogenschijnlijk bijna onbedoeld, een levende persoon hoort. Het is de verschuiving van het wat naar het hoe.

De vertelstem is als een stadsgids die weliswaar begint met je van alles aan te wijzen, maar bij wie je gaandeweg merkt dat hij zelf prettiger is om wat mee rond te hangen. En zelfs dan is hij beslist niet per se aimabel of sympathiek, maar weglopen lukt je ook niet. Ik las deze roman in één middag en één ochtend uit.

Storm bewijst het gelijk van zijn poëtica: een schrijver hoort geen verhalen te vertellen, maar ‘hij moet het leven oproepen, het gevoel van het leven, wat het betekent om in leven te zijn’. Drie keer hetzelfde. Er zijn redacteuren die van die eerste komma een harde punt zouden maken en de rest ijskoud zouden schrappen. Maar juist het aftastende, het zoekende, probeert hier de dynamiek van het echte leven te vangen.

Wat zeker niet wegneemt dat Storm ook zinnen kan maken die achteloos kernachtig zijn. Zo lezen we over ‘ome Fred’, een sportjournalist die zich over hem ontfermde: ‘Hij bracht veel leven met zich mee.’

Ome Fred is hier een bijpersonage dat maar sporadisch opduikt, maar met zoveel warmte en waarachtigheid, dat ik begon te denken: een roman over ome Fred – zonder veel uitweidingen, zonder de les gelezen te krijgen over wat literatuur is of zou moeten zijn, over wie het in de literaire grachtengordel allemaal met wie doet of zou moeten doen – sober, indringend, oprecht, waarachtig: zou dat uit de pen van Arie Storm onversneden kitsch opleveren? Of komt hij ermee weg?