Janine Jansen: violiste, niet bang voor glamour

Geluk is een zegen

Violiste Janine Jansen is een speciaal geval. Haar cd’s worden zonder enige concessie aan haar artistieke standaard zomaar goud. Ambitieus, niet bang voor glamour en toch doodgewoon oer-Hollands aardig.

Met Janine Jansen in het hoofdkantoor van Universal Music Nederland. Aan de muur in de vergaderzaal waar we een uur lang mogen praten, hangt een foto van twee popsterren. Een met, een zonder gitaar. Een uitgelezen kans om de culturele horizon van Nederlands beroemdste violiste te testen. Wie zijn het? «Die linker», wijst ze naar de gitaarloze, «is Bon Jovi.» De rechter weet ik niet. «Gewoon zijn gitarist misschien?»

Daar houden we het op. Met lof geslaagd voor het examen jeugdcultuur.

Het is tenminste voor een deel ook haar cultuur, blijkt als we na afloop van het interview tot haar vreugde een portret van Sting passeren. Ze is pas 25, en voor haar lichting is het echt ondoenlijk om de tekenen des tijds te missen. Zelfs als je eerzaam opgroeit in de klas van pedagoge Coosje Wijzenbeek en vlijtig meestrijkt in haar pupillenstrijkorkest The Fancy Fiddlers; zelfs als je op je zestiende het vwo voorgoed verruilt voor de cultuurenclave van het voortgezet muziekvakonderwijs. «Sting», zegt ze, «daar had ik wel wat mee. Nog steeds wel trouwens.»

Maar nog veel meer heeft ze met de klassieke meesters van de achttiende, negentiende en twintigste eeuw. Haar repertoire heeft alle kleuren van het spectrum tussen Bach en Dutilleux. Ze speelt Britten en Prokofjev, Beethoven en Bruch. En Brahms, wiens vioolconcert ze net op twee Britse podia heeft uitgevoerd; eerst met het City of Birmingham Symphony Orchestra onder haar oud-collega Joseph Swensen, vervolgens met het BBC Welsh Symphony Orchestra onder Richard Hickox.

The Times, een van de kranten die haar meesterschap in Birmingham mochten genieten, was vol lof. Het zoveelste bewijs van liefde dat de Britse pers, en niet alleen de Britse, al weer een jaar of twee over haar uitstort. Zelden was de band tussen een jonge ster en haar beroeps beoordelaars zo hecht. Maar ze lokt het uit. Sommige mensen hebben dat. Het zijn de mensen die niet falen en de grootheid hebben niet met hun onfeilbaarheid te koketteren. Zoals Paul Witteman laatst in de Volkskrant aardig schreef: «Mijn moeder zei vroeger over meisjes als Janine: ‹Die zijn van de andere kant van het sta tion.› Daar woonden mensen die slechts voorspoed in het leven kenden, mooi, welgesteld, sportief, getalenteerd en vooral geliefd. Onze kant was een broedplaats van tobbers.»

Geen wonder dat zelfs Decca in een tijd van discografische malaise weerloos bleek tegen de verleiding, en haar noteerde voor een exclusief contract. Tegen zo veel natuur kan niemand op.

En, beetje pret gehad met Brahms? Ja hoor. Ze heeft er goede herinneringen aan. Nee, Brahms is niet makkelijk. Ook uitverkorenen proeven in Brahms «een hele kluif». «Technisch vraagt het concert veel van een violist. Het kan voelen als een berg waar je tegenop moet. Het is een heel symfonisch werk. Compact geschreven, terwijl je toch de grote lijn moet vasthouden. Het eerste deel is vrij lang.» Maar problemen zijn er om op te lossen. En het beste medicijn tegen drempelvrees is muziek. «Zodra de eerste noot klinkt, ben je dat gevoel kwijt.» En dat gaat, uiteraard, «vanzelf».

Al was het eerste optreden in Birmingham, dat geeft ze toe, wat beter dan het tweede. Daar ontbrak iets aan, iets onbenoembaars, ja, wat zal ze er nou eens van zeggen. Niet optimaal. «Swensen zei na afloop meteen: gaaf! Ik zei: het was in elk geval anders. En toen zei hij: ik snap wat je bedoelt, maar het stoort me als genietend luisteraar absoluut niet.» Haar wel. «Het voelt rot als mensen iets mooi vinden en jij niet.»

Maar klagen? Neuh. Veel te gelukkig. Veel te tevreden met het droombestaan dat haar in staat stelt de wereld te bereizen voor de muzische ontmoetingen op topniveau, die haar als meisje van de overkant zijn toegekomen. In december speelt ze Britten en Prokofjev met het Koninklijk Concertgebouworkest. In april staat ze met Chailly in Leipzig. In januari met Ashkenazy en het NHK-orkest in Tokio. In februari weer in Groot-Brittannië met Pletnev en het Philharmonia. In juli speelt ze het vioolconcert van Britten met het Hong Kong Philharmonic onder Edo de Waart. Je mag het niet zeggen, maar dat klinkt toch anders dan Max Bruch in Hoogeveen of Brahms in Weert, Geleen en Sittard.

Haar eerste opname werd goud. Haar door vrienden en familie begeleide, klein bezette uitvoering van Vivaldi’s Vier jaargetijden – soepel bouquet, lichte afdronk – stond al snel met stip in de Album Top 100. Een ander zou onder de druk misschien bezwijken. Voor Janine Jansen is het leven aan de top geen zichtbaar punt van zorg. Het is niet zwaar of dodelijk belastend van de angst dat je de groeiende verwachtingen per ongeluk een keer niet waar zou kunnen maken. Het is leuk, heerlijk, geweldig.

Janine Jansen heeft geen drempels, lijkt het wel. In twee maanden studeerde ze het Vioolconcert van Tsjaikovski in, voor niet de minsten ook een hele kluif. Een ander zou er nachtenlang van wakker liggen. Zij niet. Gergjev had haar gevraagd, en Gergjev is haar heilig. «Zo’n kans grijp ik met beide handen aan.» Ze aarzelt niet als ik haar vraag wat ze zou zeggen als de maestro haar zou bellen met de mededeling dat hij dat heroïsche gevoelsstuk overmorgen met haar op zou willen nemen. Ja en nog eens ja. «Meteen. Dat is een diepe wens van me. En niet alleen Tsjaikovski.» Weet ze al haar ideale dirigent om Brahms mee vast te leggen? Opnieuw in ernst: «Moeilijke vraag. Heb ik niet zo over nagedacht. Ik geloof dat ik daar bij Brahms nog niet zo’n duidelijk beeld van heb.»

De oorzaak achter dat gemak, die giechelende vanzelfsprekendheid? Geen idee. Misschien het opgroeien in een muziekmilieu waar spelen op niveau zo doodgewoon was dat het simpelweg niet in haar op kon komen dat kunst moeilijk was? «Ik weet niet goed wat ik daarop moet zeggen. Ik denk dat het meespeelt.» Als je vader organist en dirigent is en zijn concerten in de Dom van Utrecht al van kindsbeen je natuurlijke domein zijn, heb je in termen van cultuur een stapje voor. En talent is talent: dat je niets liever wilt dan spelen, en dat dat dan toevallig ook nog eens heel aardig gaat. Zo is dat nu eenmaal. Maar ze is geen slaaf van de viool. Ze is heel goed in staat twee weken niet te spelen. Dan gaat ze wandelen in de bergen. Heerlijk. Het is geen slonzigheid: het is de gave even los te laten wat je hebt en straks gewoon weer terugkrijgt. Twee weken Generalpause. Maar dan graag wel snel weer terug naar de muziek.

Zou ze iets anders kunnen doen, en met eenzelfde inzet? Een giechel siert het ernstige gezicht. Nou, misschien een tijdje. Niet te lang. Want haar gevoel van goede zin, dat kan wat haar betreft een leven mee. Ik memoreer een interview dat ik ooit had met haar collega Frank-Peter Zimmermann, een angstaan jagend sympathieke en begaafde jongen die zich op zijn 25ste al hardop afvroeg of dat nog eens veertig jaar zo door kon gaan, het Brahms- en Bruch-corvee, de platen en het reizen. En die me van mijn stuk bracht met zijn vraag Was denken Sie denn? Zij weer: «Ik kan me niet voorstellen dat ik dat ooit zal hebben. Er is zo veel repertoire. Niet alleen standaardrepertoire, ook kamermuziek, ook nieuwe muziek. En Bruch en Brahms; ik vind het heerlijk daaraan vast te zitten.»

Wie haar hoort spelen, met het ongedwongen naturel dat op z’n prachtigst echt geluk verklankt, kan zich niet voorstellen dat Jansen ooit het vak heeft moeten leren. Hoe ging dat in hemelsnaam toen ze zestien was, op het Utrechts Conservatorium bij Philippe Hirschhorn, die haar als leerling kreeg toen ze al derde was geworden op het Oscar Back Concours? Ach, het was geven en nemen. «Soms sleutelde je urenlang aan twee maten Fauré. Die probeerden we op elf verschillende manieren uit. En na afloop kwam je dan toch weer terug op hoe je het in eerste instantie deed. Maar je stond wél op scherp.» Weer een lach: «Ik herinner me de laatste keer dat ik bij hem was. Ik speelde de sonate van Debussy. Na afloop zei hij: I like it. Play it again. En dat was dan de les.»

Een schaterlach vanaf de overkant. Geluk is geen geheim, talent geen raadsel. Geluk is wat het is, een zegen.

Janine Jansen bij het Koninklijk Concertgebouworkest: Vioolconcert van Britten (3/12, 4/12) en Tweede vioolconcert van Prokofjev (9/12, 10/12, 12/12).

26-29/12,Muziekcentrum Vredenburg Utrecht: Tweede Internationaal Kamermuziekfestival Janine Jansen. Zie www.vredenburg.nl