Geluk is: geen ellende

De nieuwste roman van Arnon Grunberg is typisch Grunberg: een man zonder eigenschappen probeert alle drama te onderdrukken, en komt zo vooruit. Tijdelijk.

Meteen op de eerste bladzijde van Goede mannen begint Arnon Grunberg zijn hoofdpersoon uit te kleden. Of meer dan dat: hij begint hem te ontdoen van zijn huid en zijn organen. Er zit iets Jack the Ripperigs in Grunbergs ware aard als schrijver.

Het is een bijzondere omkering. De meeste schrijvers proberen in hun eerste hoofdstukken vlees te blazen aan de botten van hun personages, ze van eigenschappen te voorzien, van excentriciteiten en afwijkende smaken, dissonante verlangens, van alle dingen die van een mens een individu maken. Een mens, zeg je dan, van vlees en bloed.

Grunberg heeft altijd liever het geraamte. Hij kan niet wachten om zijn personages van hun menselijkheid te ontdoen, ze terug te brengen tot zo min mogelijk. Zijn nieuwste hoofdpersoon heeft niet eens een naam. Eerste zinnen: ‘De Pool deed wat hij zijn hele leven al wilde doen, hij was brandweerman. Eigenlijk heette hij Geniek Janowski, maar iedereen noemde hem de Pool en op een gegeven moment had hij die bijnaam geaccepteerd zoals je borstelige wenkbrauwen accepteert. Hij begon zijn oorspronkelijke naam te vergeten.’

De Pool – een heel mens teruggebracht tot een generieke bijnaam. En teruggebracht tot een beroep. Hij is brandweerman want dat wilde hij zijn hele leven al worden, al is zijn verdere motivatie daarvoor pover. Hij was bij de brandweer gegaan ‘omdat hij ervan overtuigd was dat brand geblust moest worden, dat je het redden van mensen niet aan God of aan andere mensen moest overlaten, dat je het zelf moet doen’.

Dieper dan dat gaat het niet, meer zelfinzicht zit er niet in. Zijn binnenwereld is een arctisch landschap. De Pool wil dat de wereld is zoals die is, dat zijn gezin gezond is en voor de rest praat hij in dooddoeners, over hoe het hoort te zijn. Hij kan zich niet specifiek herinneren waarom hij ooit verliefd werd op zijn vrouw, maar hij houdt van haar omdat het zo hoort, zoals hij seks met haar heeft omdat het zo hoort. Wanneer de Pool met zijn vrouw voor hun trouwdag uit eten gaat houdt ze het niet meer. ‘Zeg iets, man!’ roept ze en rent het restaurant uit. De Pool gaat achter haar aan – want zo hoort dat – en op het parkeerterrein zegt ze: ‘Je zegt altijd: wat kan ik voor je doen? Wat heb je nodig? Hoe kan ik het je naar je zin maken? Maar wat wil jij, Geniek? Wat wil jij in godsnaam?’

Geniek wil niets. Hij heeft geen hobby’s, geen interesses of grote passies, geen wezenlijk gevoel voor humor. Hij draagt hetzelfde uniform dat alle Grunberg-personages dragen: grijs, grauw, zwijgzaam, serviel, passief. Hun wereldbeelden zijn gesloten. Ze ondergaan hun lot, ze zullen het nooit in eigen handen nemen, ze definiëren zichzelf niet door een eigenschap maar door een gebrek aan een eigenschap. Zoals bijvoorbeeld de hoofdpersoon van De man zonder ziekte (2012): ‘Meer nog dan zijn Indiase uiterlijk (…) is dit de kern van zijn identiteit: het gebrek aan ziekte. Hij heeft geen rolstoel nodig, geen permanente verzorging, hij is heer en meester over zijn eigen lichaam. Zo was hij eerst het kind geweest, vervolgens de jongen en nu de man zonder ziekte. Wat hij verder ook is en nog zal worden, hij is vooral gezond, geestelijk en lichamelijk.’

Geluk wordt niet gedefinieerd door zoiets als liefde, maar door de afwezigheid van ellende, zoals bijvoorbeeld zijn hoofdpersoon in Huid en haar zichzelf definieert: ‘Roland Oberstein is gelukkig, zou hijzelf verklaren, omdat hij niets wil wat hij niet kan krijgen. Wat hij wil kan hij krijgen. Wat hij niet kan krijgen, wil hij niet. Zo eenvoudig is het recept voor geluk. En dat geluk uiteindelijk wellicht weinig meer is dan welbehagen, tevredenheid, de afwezigheid van lijden, stoort hem allerminst.’

Voor mij sloegen die door afwezigheid gekenmerkte hoofdpersonen steeds meer op de klippen, juist omdat Grunberg zulke maatschappelijke ambities met zijn romans had. Ze gingen steevast over hoe de liefde aan de wetten van de markt onderhevig was, over hoe beschaving geen stand kon houden oog in oog met psychische aandoeningen of politiek geweld. Interessante thema’s, maar omdat zijn hoofdpersonen zo hemeltergend passief waren stond hun ondergang vanaf de eerste bladzijdes al vast – je kon als lezer nooit de illusie hebben dat ze ergens, waar dan ook, tegenop gewassen waren. Wat Grunberg via zijn romans wilde onderzoeken werd zo bij voorbaat klinisch, levenloos – en daardoor spanningsloos.

Dat betekende niet dat die romans niet bij tijd hilarisch waren. Grunberg is een van de zeldzame schrijvers die je hardop kan laten lachen, meestal om hoe de rest van de personages – die aanzienlijk meer levenslust bevatten – als golven kapotslaan op de eindeloos steile hoofdpersonages. In het eerste deel van Goede mannen doet hij iets anders met die methode, iets dat wat mij betreft het zieligste, ontroerendste hoofdstuk van zijn oeuvre oplevert.

Dat komt niet door de Pool, maar door zijn oudste zoon, Borys. Hij is twaalf, lang en stil, het is niet zo dat Borys geen vriendjes heeft, maar als ze aanbellen wil hij niet dat zijn moeder opendoet. Zijn grote probleem is dat hij op school in zijn broek poept; zijn klasgenoten ruiken het, zijn juf vindt het vervelend. Het is psychosomatisch, zegt ze. Borys bezweert dat hij het niet kan helpen. Hij voelt de aandrang niet op tijd. Uitvoerig beschrijft Grunberg de rondgang die de Pool maakt, langs onderwijzers en huisartsen. Borys gaat met een psycholoog praten, wat de Pool eigenlijk maar niets vindt. Hij wil normaal zijn en met psychologen is het niet normaal. Borys praat er liever niet over, praat liever nergens over. Langzaam maar zeker ontstaat het beeld van een gezin waarin een daverende stilte heerst, een stilte die al het plezier wegdrukt.

‘Je zegt altijd: wat kan ik voor je doen? Wat heb je nodig? Hoe kan ik het je naar je zin maken? Maar wat wil jij, Geniek?’

Uiteindelijk geeft Borys aan wat hij wil: een pony. Die wens komt uit het niets, of tenminste, dat die wens uit het niets komt geeft aan hoezeer de Pool geen enkel inzicht heeft in wat zijn zoon drijft. Maar hij krijgt een pony, een oud kreupel beest op het erf van een chagrijnige boer waar Borys bijna elke dag naartoe fietst en urenlang bij blijft. Hij praat tegen het paard, hele middagen lang. Het broekpoepen blijft uit. Maar het paard maakt een val, raakt verder kreupel en de boer stelt voor het paard te laten slachten. De Pool en zijn vrouwen debatteren wat te doen, dure therapie voor het paard, of het paard laten afmaken. Ze kiezen voor de dure therapie, maar het is al te laat. De Pool krijgt tijdens zijn dienst een oproep dat er iemand voor de trein is gesprongen. Als de Pool erop af wil gaan houdt zijn ploegchef hem tegen: jij blijft hier, zegt hij.

‘Collega’s kwamen achter hem aan en wilden hem tegenhouden maar hij sloeg hen van zich af. Hij wilde helemaal alleen zijn jongen van de rails en van de locomotief krabben.’

In dit deel over Borys weet Grunberg zijn oneliners en slapstick te beperken; het enige wat je leest zijn de vruchteloze goede intenties van de Pool, die nooit wanhopig zijn, want – denk je – de Pool gelooft niet in wanhoop. Eigenlijk gelooft hij niet in de duidelijke depressie van zijn kind, lijkt het. Hij gelooft in mensen redden, dat er altijd een handeling is die je kunt verrichten die voor verlossing zorgt. Maar voor zijn zoon is er geen handeling; de holle goede intenties van de Pool maken de eenzaamheid van Borys alleen maar groter. Het is zeldzaam ontroerend. Opeens werkt het dichtgeslagen wereldbeeld van zijn personage om tragiek op te wekken.

Wat na dat schitterende hoofdstuk volgt is een buitengewoon onevenwichtige roman, met verhaallijnen die niet helemaal zo belangrijk worden als ze zouden moeten zijn, alsof de roman drie keer opnieuw begint. Het eerste deel over wat de Pool aanmoet met de miraculeus genezen pony is nog mooi en pijnlijk, maar daarna volgt een deel over de Pools affaire met de vrouw van een collega, die hij dwingt hem met allerlei groenten en kledingattributen anaal te nemen, een deel over hoe de Pool zich bij een klooster meldt en in een kippenhok gaat wonen, een deel over hoe de Pool na zijn scheiding op reis naar Oekraïne gaat op zoek naar een bruid. Het is te veel, te bont, te grotesk, niet altijd even geïnspireerd opgeschreven. Je kunt een schrijver niet verwijten dat hij een eigen stijl heeft, maar wel wanneer die stijl een maniertje wordt. Bijvoorbeeld de herhalingen, een typisch grunbergiaanse retoriek. Zoals wanneer de Pool zijn vrouw moet bezweren dat zijn minnares voor hem dood is:

‘“Ze is dood”, herhaalde hij. En hij schrok van die woorden.
Alles moest dood in dit gezin en alles ging dood, want hier was de dood liefde. (…)
“Zo dood als de pony”, zei zijn vrouw.
“Ik moest haar slachten voor de liefde.”
“Ja”, zei zijn lieve vrouw. “Je moest haar slachten voor de liefde.”
Er moest veel voor de liefde worden geslacht.’

Deze retoriek voelt niet altijd even geïnspireerd, omdat je het zo veel in het boek tegenkomt, en omdat de vergelijking met het slachten van de pony niet helemaal aansluit. En toch, en toch. Hoe kritisch je ook wilt zijn, je kunt niet ontkennen dat je vanaf de eerste bladzijde in handen bent van een hoogst exceptionele schrijver, die volkomen zelfverzekerd dingen durft op te schrijven die bij geen enkele andere schrijver opkomen. Ondanks de onevenwichtigheid laat Grunberg je hardop lachen, en gruwen van ongemak. Je kunt hem niet neutraal lezen, daar is hij simpelweg te goed voor.

Bovendien sluit de Pool veel beter aan bij de thematiek van de roman dan in eerdere romans. Een groot deel van de roman gaat over wat een man een man maakt – het boek heet Goede mannen. In de laatste aflevering van het Zomergasten-seizoen zei de Belgisch-Amerikaanse psychologe Esther Perel dat de man zich aan het beginpunt van zijn emancipatie bevond. Vrouwen hadden honderd jaar de tijd gehad om te wennen aan nieuwe rechten, nieuwe mogelijkheden, een nieuwe inrichting van de maatschappij. Maar voor mannen beginnen die veranderingen nu pas. Ze hebben nog geen kans gehad te wennen aan de nieuwe toestand, het nadenken over hun gevoelsleven en seksualiteit staat in feite in de kinderschoenen.

Hier speelt Goede mannen zich af. Aan het begin. Als Borys is overleden komen de brandweercollega’s van de Pool langs en beginnen zijn gang te verven, want die kan wel een likje verf gebruiken, vinden ze. Ze doen maar iets omdat ze geen idee hebben hoe ze erover zouden moeten praten – zoals de Pool geen idee heeft hoe hij met zijn gezin moet praten. Binnen de mannencultuur van de brandweer is de wereld zoals hij hoort te zijn, dus wanneer er iets is wat afwijkt, is daar geen ruimte voor en geen taal om erover te praten. En dus zoekt de Pool zijn troost maar in het fysieke, in afzien, in lijden, in vernedering.

De Pool. Alle drama dat hij heeft meegemaakt, hoezeer hij het heeft geprobeerd te onderdrukken, heeft hem vooruit geduwd. Verder geduwd in die ontwikkeling die Esther Perel voorspelde. Maar daarmee is hij ook kwetsbaar geworden, voor de barbaarsheid van de mannen die van geen ontwikkeling willen weten. Uiteindelijk is zijn lot gruwelijk.