Ode aan de ouderlijke liefde

‘Geluk is niet te koop in vooraf gewogen hoeveelheden’

In Far from the Tree beschrijft Andrew Solomon de ervaringen van ouders van kinderen met aandoeningen als schizofrenie en dwerggroei, maar ook de ervaringen van ouders van geniale en criminele kinderen. Onderwijl werd hij ook zelf vader. ‘We moeten onze cultuur behoeden voor een streven naar normaliteit.’

Medium opening andrew solomon 01

Voor Andrew Solomon is schrijven bijna per definitie persoonlijk. Zijn eerste en enige roman, A Stone Boat (1994), gaat over de identiteitsverandering die een man ondergaat terwijl hij de euthanasie van zijn aan kanker lijdende moeder bijwoont. De ware gebeurtenis waarop dit boek gebaseerd was, beschreef hij later uitvoerig in een New Yorker-_artikel. In de bestseller _The Noonday Demon (2001), waarmee hij een National Book Award won, documenteerde hij zijn jarenlange strubbelingen met depressie. In zijn nieuwe, pas verschenen boek Far from the Tree beschrijft Solomon de ervaringen van ouders met ‘horizontale identiteiten’, een term die hij gebruikt om alle ‘recessieve genen, willekeurige mutaties, prenatale invloeden, of waarden en voorkeuren die een kind niet deelt met zijn verwekkers’ te kunnen omvatten. Zo bezien heeft ook Solomon – als homoseksuele zoon van heteroseksuele ouders – een horizontale identiteit.

De 49-jarige man die vandaag voor een lunchinterview in restaurant Saint-Ambroeus in Manhattan aanschuift, oogt overigens lichtvoetiger en levenslustiger dan men wellicht op basis van zijn onderwerpkeuzes zou vermoeden – hetgeen ongetwijfeld versterkt wordt door het ver geopende Hawaï-shirt onder zijn jasje en de zweetdruppels op zijn voorhoofd. Solomon heeft – letterlijk – moeten rennen om op tijd voor deze afspraak terug te keren uit het ziekenhuis, waar hij onderzocht is voor spontaan gehoorverlies in zijn linkeroor. ‘Ik weet het, ik weet het’, sust hij. ‘Het is ironisch dat juist ik direct na de publicatie van dit boek moet vrezen voor doofheid.’

Het idee voor Far from the Tree werd immers geboren tijdens een reportage die Solomon in 1994 voor The New York Times maakte over de Amerikaanse dovencultuur, een reportage die deels terugkeert in het eerste hoofdstuk van het boek. ‘Ik ontdekte dat de meeste dove kinderen horende ouders hebben die in de regel alles op alles zetten om hun dove kinderen te leren functioneren in de horende wereld’, zegt hij. ‘Bijvoorbeeld door ze te leren spreken en liplezen. Vaak is dit zwaar voor die kinderen, totdat ze ontdekken dat er anderen zijn zoals zij en ze toetreden tot de dovencultuur, waar vaak een enkel gebaar al genoeg is om elkaar te begrijpen.’

De verhalen die hij oppikte resoneerden bij Solomon, die als jongen in het geniep de homocultuur betrad. Hij herkende de parallellen tussen de homo- en de dovencultuur. Dus toen eind jaren negentig de technologie van gehoor­implantaten doorbrak, begreep Solomon meteen dat veel doven vreesden dat dit hun cultuur zou vernietigen. ‘Toch dacht ik ook: als ouder van een doof kind zou ik vermoedelijk ook ­willen dat mijn kind zo’n implantaat krijgt. Maar wat als in mijn kinderjaren iemand tegen mijn ouders had gesuggereerd dat een operatie me van mijn homoseksualiteit kon genezen? Dat hadden ze waarschijnlijk nog laten doen ook, in de hoop dat dit mijn leven zou vergemakkelijken.’

De volgende vraag drong zich bij hem op: ‘Wat betekent het om iets te hebben dat een aandoening of een ziekte is, maar tevens een identiteit, en hoe verhoudt zich dit tot elkaar?’

Niet veel later vertrouwde een vriendin van Solomon hem toe dat ze worstelde met de vraag of ze met haar tienerdochter, een dwerg, naar de Little People of America-conventie moest gaan. ‘Ze had eigenlijk precies dezelfde overwegingen als ouders van dove kinderen’, zegt Solomon. ‘En opeens zag ik het patroon, het soort existentiële worsteling waarmee ouders in aanraking kunnen komen.’

Het basisidee, de ervaringen van ouders van kinderen met horizontale identiteiten, was geboren. Hij koos voor hoofdstukken over doofheid, dwerggroei, Downsyndroom, autisme, schizofrenie en zware handicaps. Tevens wijdde hij hoofdstukken aan identiteiten die niet per se aandoeningen zijn, maar die de kinderen wel degelijk ‘anders’ dan hun ouders maken: vroege hoogbegaafdheid of genialiteit, kinderen die geboren zijn uit verkrachting, crimineel gedrag en transseksualiteit. De vreemde eend in de bijt lijkt hier genialiteit te zijn, maar niet volgens Solomon: ‘De meeste geniale kinderen worden niet geboren uit geniale ouders. De vader van Leonard Bernstein, die zijn zoon ontmoedigde muziek te maken, zei ooit: “Hoe kon ik weten dat hij Leonard Bernstein zou worden?” Maar serieus: zelfmoord komt zowel onder criminele als onder vroeg-geniale kinderen veel voor.’

Het raamwerk waarbinnen Solomon die hieruit voortkomende, vaak hartverscheurende, verhalen vertelt, is het relaas van zijn eigen zoektocht: van de homoseksuele, depressieve jongeman wiens ouders grote moeite hadden zijn horizontale identiteit te accepteren, tot de volwassen man die met zijn partner trouwde en zelf kinderen kreeg. Het kan haast niet anders of een dergelijk ambitieus werk dat meer dan tien jaar onderzoek en veertigduizend pagina’s uitgeschreven interviews beslaat – wat ook uit de lijvigheid van het boek blijkt: inclusief noten meer dan negenhonderd pagina’s – bevat een boodschap. Solomon: ‘Blood is thicker than water – het hemd is nader dan de rok. We kunnen niet anders dan van onze kinderen houden om wie ze zijn, niet om wie ze hadden kunnen zijn.’

Als voorbeeld van de vaak onpeilbare diepte van ouderlijke liefde haalt hij een woordenwisseling aan met de Rwandese Christine, een slachtoffer van verkrachting, die hem na een interview wanhopig vroeg of hij wist hoe ze kon leren meer van haar dochter te houden. Want elke keer als ze haar dochter zag, moest ze denken aan de gruwelijkheden die haarzelf waren overkomen. Solomon: ‘Ze had geen idee hoeveel liefde in haar vraag zelf zat.’

‘Onkenbaarheid’ is een vaak terugkerend woord in uw boek. Waarom?

‘Er kleeft een essentiële eenzaamheid aan de menselijke ervaring die het in wezen onmogelijk maakt om mensen echt te kennen, zelfs de mensen die je het dierbaarst zijn, zelfs je eigen kinderen. Iedereen heeft geheimen. Toch heb ik al werkende aan dit boek geprobeerd om de families die ik beschrijf te leren kennen. Wat enorm hielp, was dat de ouders steevast al begonnen waren aan die zoektocht. Een deel van het voorwerk was dus al voor me gedaan. In sommige gevallen waren ook de kinderen begonnen met pogingen hun ouders te begrijpen. Wat ik geleerd heb is dat aan de ene kant mensen onkenbaar zijn, maar dat tegelijkertijd sommige mensen beter kenbaar zijn dan je zou denken. En dat we meer gemeen hebben dan je zou denken met mensen die op het eerste gezicht totaal verschillend van ons lijken.’

Sue Klebold, de moeder van Dylan, een van de jongens die de massamoord in Columbine uitvoerde, kende haar zoon niet. Niet echt.

‘Nee. Maar het trauma dat Dylan haar bezorgde, leerde haar wel connecties met ­anderen te maken die ze daarvoor nooit zou hebben gemaakt. Ze vertelde me eens dat ze in het gebouw waar ze als maatschappelijk ­werkster werkte in de lift stond met enkele jonge criminelen die op weg waren naar hun proeftijd­begeleider. Vóór Columbine zou ze haar ogen van die jongens hebben afgewend. Nu realiseerde ze zich: die jongens zijn ook iemands kind. “Hoewel het niet de manier is waarop ik dacht dat dit zou gebeuren”, zei Sue tegen me, “heeft Columbine me in dieper contact met de mensheid gebracht dan wat dan ook.”

Maar inderdaad, Sue kende haar zoon niet. Nu moet ze leven met de aanhoudende ­aanname van anderen dat ze haar zoon beter had moeten kennen. Mensen gaan ervan uit dat als ouders hun kinderen niet kennen dit komt doordat ze dat niet geprobeerd ­hebben. Daarmee ­onderschatten ze de kracht van ­geheimzinnigheid. Dat zeg ik als iemand die als jongen thuis niet vertelde dat ik op school gepest werd en dat ik seks had met mannen in Central Park.’

We nemen zelfs aan dat ouders er de oorzaak van zijn dat kinderen zich op een bepaalde manier ontwikkelen.

‘Ja. Zo heette het vroeger dat je homo werd omdat je moeder te zorgzaam was, of dat je autistisch werd omdat je moeder zeer afstandelijk was. Nog steeds geven we onze ouders van veel de schuld. En ouders hebben ook veel invloed op de ontwikkeling van kinderen. Maar ik verwerp het idee dat kinderen het verlengstuk zijn van hun ouders – en dat hun morele of sociale falen op een of andere manier het gevolg is van het falen van die ouders. Dat is een zeer zware last die we mensen opleggen. De moeder van Kim Reed, een van de transseksuelen in het boek, zei het treffend: “Ik ben niet verantwoordelijk voor wie mijn kind geworden is, maar ik heb wel een verantwoordelijkheid naar mijn kind. Ik weet dat ik van mijn kind houd. Meer hoef ik niet te weten.”’

U toont zich ambivalent als het gaat om ouderlijke liefde.

‘Natuurlijk bewonder ik hen die waarlijk liefhebben. Maar wat doe je met die liefde? Of concreter: welke keuzes maak je als ouder van bijvoorbeeld een doof of schizofreen kind – ga je bewieroken wat afwijkend is aan je kind of ga je proberen te repareren wat anders is aan je kind? En wat doe je als blijkt dat je kind niet kan worden gerepareerd?

Uiteindelijk concludeerde ik dat het eigenlijk niet eens uitmaakt of ouders de aandoening of identiteit van hun kind prachtig vonden of juist een vloek en bezoeking. Het gaat erom hoe je ermee omgaat. Wie zichzelf ervan heeft overtuigd dat het hebben van een kind met Downsyndroom zijn leven betekenis heeft gegeven, of dit nu complete fictie is of niet, kan zo een leefbaar leven leiden.’

U lijkt ervan uit te gaan dat de meeste ouders hopen dat hun kinderen op hen lijken en dat het tot groot verdriet kan leiden als dit niet het geval is.

‘Nou, onze kinderen hoeven niet per se kopieën van ons te zijn en ik denk ook dat het niet meer uitmaakt of ze erg op ons lijken zodra we ze wat beter leren kennen. De meest voorkomende fantasie die mensen hebben over het ouderschap is dat ze perfecte ouders zullen worden, dat ze niet de fouten zullen maken die hun eigen ouders maakten. Een transseksueel hetero­stel dat ik voor het boek interviewde, heeft een zoontje. Ze zijn er beiden zeker van dat de kleine jongen ook transseksueel is en hebben zich voorgenomen dat ze hem later de ruimte geven om zich goed te voelen over zijn transseksualiteit. Arme kleine jongen! Het is het perfecte voorbeeld van een permanente vergissing van ouders: dat we onze kinderen geven wat we zelf hadden willen krijgen – of ze dit nu willen of niet.’

Hebt u ook ouders gesproken die, al dan niet ­tijdelijk, van hun kinderen af zouden willen?

‘Een enkeling gaf toe de gedachte wel eens te hebben gehad, maar de meeste ouders ­bleken over een ongekend reservoir aan liefde te beschikken.

Ik vroeg de Klebolds ooit wat ze aan Dylan zouden vragen als hij nu bij ze in de kamer was (Dylan Klebold pleegde in 1999 op achttien­jarige leeftijd zelfmoord – mvg). Tom zei: “Ik zou hem vragen wat er godverdomme door z’n kop ging.” Sue antwoordde: “Ik zou hem vragen me te vergeven dat ik zijn moeder was en nooit wist wat er in zijn hoofd omging, dat ik hem niet kon helpen en dat ik niet de persoon was die hij in vertrouwen nam.” En ze zei ook: “Ik heb een tijdje gedacht: had ik Tom maar nooit ontmoet, dan was Dylan er niet geweest en was dit alles nooit gebeurd. Maar nu weet ik weer hoeveel ik altijd van mijn kind heb gehouden. De wereld was beter af geweest als Dylan nooit was ­geboren, maar voor mij was dat niet beter geweest.”

Kinderen bepalen op ingrijpende wijze onze bestemming. Voor sommige mensen is dat te veel; zij onttrekken zich eraan. Maar de meeste mensen maken er het beste van en omarmen zelfs de aandoening of identiteit van hun kind. Ik vroeg eens aan de ouders van de dertig­jarige David, die Downsyndroom heeft en het leven van zijn ouders ingrijpend heeft veranderd: zouden jullie niet willen dat je de tijd kon terugdraaien en Davids aandoening kon terugdraaien? En zijn moeder zei: “Voor David wou ik dat het nooit was gebeurd, want dit is een moeilijke manier van leven in de wereld. Maar sprekend voor mezelf: ik zou het niet anders willen hebben.”’

Wat zouden we verliezen als we een oplossing zouden vinden voor doofheid, Downsyndroom, dwerggroei en al die andere aangeboren aandoeningen?

‘Als ik een doof kind zou hebben, zou ik hem een gehoorimplantaat geven omdat het zijn leven makkelijker zou maken. Maar het vooruitzicht dat de dovencultuur zou verdwijnen, maakt me verdrietig.

Vaak wordt me gevraagd of ik hoop dat mijn eigen kinderen homo zijn. Ik zou er niet mee zitten als dat zo is, maar voel ook geen enkele druk dat ze het moeten zijn. We moeten onze cultuur in ieder geval behoeden voor een streven naar normaliteit, wat dat ook mag zijn. Ik mag in dit verband graag Schopenhauer aanhalen, die ooit zei: “Het tegenover­gestelde van lijden is ver­veling.”’

En uw eigen homoseksualiteit?

‘Ik denk dat het mijn leven zwaarder heeft gemaakt en dat ik, vooral doordat mijn ouders jarenlang niet wilden accepteren dat ik ben zoals ik ben, door enkele zeer moeilijke periodes ben gegaan. Maar ik houd van het leven dat ik nu leid, van mijn man, onze kinderen. Soms maak ik even pas op de plaats en vraag mezelf: als ik een compleet ander leven had geleid, als ik niet de moeilijkheden had gekend die ik ben tegengekomen, zou ik dan gelukkiger zijn? Geluk is niet te koop in vooraf gewogen hoeveelheden.’

En je bereikt het niet zonder pijn.

‘Hoewel ik niet bepaald happig ben op meer pijn louter vanwege de glorieuze vreugde die dit teweeg zou brengen, denk ik desondanks dat het moeilijk is om vreugde, in de diepste betekenis van dat woord, te kennen zonder pijn en tegenslag te hebben ervaren. Daar ben ik van overtuigd.’


Andrew Solomon, Far from the Tree: Parents, Children, and the Search for Identity, Scribner, 906 blz., $37.50


De Solomons

Gedurende het grootste deel van zijn leven verwachtte Andrew Solomon, als homoseksuele man, dat hij nooit kinderen zou krijgen. Inmiddels hebben zijn man, de journalist John Habich, en hij er vier – met dank aan de wetenschap, veranderende mores, liefde en vriendschap. De onconventionele kliek kwam als volgt tot stand:

2000
Oliver, biologische zoon van John Habich, wordt geboren. Oliver woontbij zijn moeder Laura, een lesbische vriendin van John, en haar partner Tammy in Minnesota

2004
Lucy wordt geboren, zusje van Oliver. Opnieuw is John Habich de vader. Lucy woont bij Laura, Tammy en Oliver

2007
Carolyn, biologische dochter van Andrew Solomon, wordt geboren. Carolyn woont bij haar moeder Blaine, een oude vriendin van Andrew, in Texas

2009
George, de biologische zoon van Andrew Solomon, wordt geboren. George woont met zijn vader Andrew en zijn adoptiefvader John in Manhattan, New York

‘Sommige mensen minachten het idee om vijf volwassenen en vier kinderen in drie staten een gezin te noemen’, schreef Solomon in 2011 in Newsweek over zijn dierbaren. ‘Anderen geloven zelfs dat het bestaan ​​van onze familie die van hen ondermijnt. Ik ga niet akkoord met concurrerende modellen van de liefde, maar wel met modellen die liefde toevoegen.’