Geluk is voor de dommen

MAARTEN VAN BUUREN
KIKKER GAAT FIETSEN OF: OVER HET LEED DAT LEVEN HEET
Lemniscaat, 251 blz., € 19,50

Onlangs verscheen van Maarten van Buuren Kikker gaat fietsen of: Over het leed dat leven heet, het vierde in een reeks van boeken waarin Nederlandse intellectuelen verslag doen van hun ervaringen met depressie. Deze reeks werd precies twintig jaar eerder geopend door Ver heen: Verslag van een depressie van P.C. Kuiper (1919-2002), hoogleraar psychiatrie en gerenommeerd psychoanalyticus.
Kuiper doorbrak met zijn boek het taboe dat op de ziekte depressie rustte. Aan alles in deze persoonlijke lijdensgeschiedenis is te merken dat Kuiper nogal wat innerlijke barrières moest overwinnen om zijn verhaal te kunnen doen. Op elke pagina is de schaamte voelbaar. Uiteindelijk wordt hij over de streep getrokken door de overweging dat hij deze unieke ervaring, ‘een psychiater wordt zelf ziek en ondervindt aan den lijve de belevingen van zijn patiënten’, niet verloren mag laten gaan.
Van schaamte is niet veel meer te merken in Emma Brunts Breinstorm. Zij kiest voor een weldadig aandoend relativerend perspectief en het ontbreekt haar niet aan zelfspot. Depressie is weliswaar een vervelende ziekte, maar gelukkig is er Prozac, dat zonder noemenswaardige bijwerkingen binnen de kortste keren de klachten wegneemt. Breinstorm moet vooral gelezen worden als een aanval op de praatcultuur die tot in de vroege jaren negentig nog dominant was binnen de psychiatrie. Waarom al die tijdrovende psychotherapeutische sessies, als een simpel pilletje de was kan doen? Brunts pleidooi voor een medicamenteuze behandeling van depressie heeft inmiddels zijn vruchten afgeworpen: in 2006 gebruikten ongeveer een miljoen Nederlanders antidepressiva, veelal voorgeschreven door huisartsen na een eerste consult.
In Niet leuk doet G. van Benthem van den Bergh niet, zoals zijn voorgangers, verslag van een depressieve crisis. Hij beschrijft zijn ervaringen met manisch-depressiviteit (tegenwoordig is ‘bipolaire stoornis’ de gangbare benaming). Anders dan de unipolaire depressie, die over het algemeen door uitwendige, min of meer traumatische facts of life wordt veroorzaakt, lijkt de bipolaire stoornis een kwestie van genetische aanleg. Lijders aan deze stoornis mogen dan ook niet verwachten dat ze van hun kwaal genezen worden; zij moeten ermee leren leven. Benthem van den Bergh steekt zijn lotgenoten een hart onder de riem en biedt hun hoop. Die hoop heet lithium.
Hoewel ze ieder hun eigen toon kiezen en verschillende hypothesen opstellen voor het ontstaan van hun depressie delen de drie auteurs één overheersend streven. Ze willen alledrie zo snel mogelijk af van hun ziekte, omdat die hen in ernstige mate hindert in hun dagelijks functioneren. Bovendien vertekent ze hun waarneming van de realiteit – bij Kuiper leidt de depressie zelfs tot een psychose, die hem in een waanwereld doet belanden. En er is nog iets wat ze gemeen hebben: een op persoonlijke ervaring gebaseerd vertrouwen in de heilzame werking van medicijnen. Kuiper en Brunt achten zich na de behandeling met medicijnen genezen van hun depressie; Benthem van den Bergh prijst zich gelukkig dat hij ‘zijn gewone leven weer kan opvatten’, nadat hij met succes op lithium is ingesteld.
Van Buuren kiest voor een andere omgang met zijn kwaal. Na zich aanvankelijk hevig verzet te hebben tegen de diagnose ‘depressie’ legt hij zich er ten slotte bij neer. Hij laat zich er zelfs toe overhalen medicijnen te slikken, zonder al te veel vertrouwen in de werking ervan. En zoals te verwachten valt – antidepressiva hebben immers een onmiskenbare placebowerking – nemen de klachten niet of nauwelijks af. Langzamerhand verandert zijn houding tegenover zijn ziekte; je bent geneigd te denken dat hij daarbij het Amerikaanse gezegde ‘If you can’t beat them, join them’ in zijn achterhoofd heeft. Hij ziet zichzelf niet meer als een gezond persoon die ‘toevallig’ door een door bepaalde akelige ervaringen veroorzaakte ziekte wordt getroffen, nee, hij gaat steeds meer de gedachte koesteren dat hij een ‘depressieve persoonlijkheid’ bezit, met andere woorden dat depressiviteit in zijn karakter zit ingebakken. Dus in plaats van zijn kwaal met alle mogelijke middelen te bestrijden, omarmt hij haar als het ware, sterker nog, hij gebruikt haar als fundament waarop hij een geheel nieuwe kijk op het leven bouwt – de tendentieuze, om niet te zeggen larmoyante ondertitel van zijn boek, te weten ‘over het leed dat leven heet’, doet al vermoeden wat die nieuwe kijk inhoudt.
In zijn poging om zijn ziekte een plaats te geven in zijn leven en haar als het ware te cultiveren als de bodem waarop een geheel nieuwe filosofische grondhouding kan opbloeien, zoekt Van Buuren steun bij de ridders van de sombere figuur: Emil Cioran, Jean-Paul Sartre en Charles Baudelaire. Met kennelijk genoegen citeert hij tegen het eind van zijn boek de zwartste passages uit hun werk en herkent aldus in hen zijn zielsverwanten: het zijn nihilisten, net als hij. Nihilisme wordt voor Van Buuren een toverwoord dat niet alleen zijn toekomst, maar ook zijn verleden in een nieuw licht stelt: ‘Nihilisme geeft samenhang en consistentie aan een hele kluwen tendensen en eigenschappen die me sinds mijn vroegste jeugd vertrouwd zijn (…), neerslachtigheid, vermoeidheid, eenzelvigheid, moeizame communicatie met anderen.’ Je zou bijna willen zeggen: tel uit je winst!
Dat de wereld een tranendal is weten we al sinds Prediker en voor de atheïsten onder ons heeft Arthur Schopenhauer dit wereldbeeld op overtuigende en consistente wijze uiteengezet. Cioran, Sartre en Baudelaire voegen daar niets aan toe, net zo min trouwens als welke depressieve intellectueel dan ook. Je hebt geen depressie nodig om je dit inzicht eigen te maken.
Dat Van Buuren van zijn kwaal een soort ereteken maakt (zoals sommige homo’s trots zijn op hun hiv-besmetting) zij hem gegund; dat hij impliciet ziekte met diepzinnigheid en gezondheid met oppervlakkigheid gelijkstelt zij hem vergeven. Het is alleen niet te hopen dat hij met deze bedenkelijke benadering van depressiviteit een trend zet, met andere woorden dat de huidige depressie-epidemie uitgroeit tot een depressiehype. De lof die Kikker gaat fietsen van alle kanten krijgt toegezwaaid en de grote aantallen waarin dit boek over de toonbank gaat, doen helaas wel het ergste vermoeden.