Kunst: Diepte en beweging in het platte vlak

Geluk op afroep

Large schirn presse diorama marvin gaye chetwynd diorama 2012
Marvin Gaye Chetwynd, Diorama, 2012. Ca. 100 x 100 x 100 cm © Marvin Gaye Chetwynd, courtesy Sadie Coles HQ, London

Diorama’s en kijkdozen hebben een lange geschiedenis. Een tentoonstelling in Frankfurt legt onverwachte dwarsverbanden tussen verbeeldingstradities op schaal.

In een pretpark op de grens van Groningen en Drenthe zag ik voor het eerst de Alpen. Achter een deur in een donkere ruimte reden treinen over bruggen en door tunnels, er waren stations waar poppetjes op de perrons stonden. Als je lang genoeg keek werd het nacht en daarna weer ochtend, lampjes floepten aan en uit. Het was een wereld van verkleinwoorden, alles in miniatuur. Maar die Alpen, die waren echt: op de achtergrond rezen ze op, en ik kon me hier de bergen beter voorstellen dan van welke foto ook. We noemden het Zwitserland.

In het Palais de Tokyo in Parijs was afgelopen zomer een tentoonstelling te zien met dergelijke illusies als rode draad, Diorama’s, nu in een iets andere opstelling te zien in de Schirn Kunsthalle in Frankfurt. Het diorama was in eerste instantie een attractie waarin je je kon vergapen aan de illusie van bewegend beeld op een beschilderd doek. Louis Daguerre en Charles-Marie Bouton openden het eerste dioramatheater in juni 1822 in Parijs, met een voorstelling van de Trinity Chapel in de kathedraal van Canterbury, en daartegenover, ook hier, een Zwitserse vallei. Ieder dioramabeeld was 22 meter hoog en 14 meter breed. Beschilderd met transparante of juist dekkende verf en tijdens de voorstelling plaatselijk van voren en van achteren belicht. De verrukte pers berichtte over de illusie van oprukkende mist, voorbij trekkende wolken, bruisende watervallen, uitbarstende vulkanen, onweer en bliksem en de overgang van dag naar nacht en terug. Toeschouwers bevonden zich op banken op minstens dertien meter van het doek. De doeken zelf konden vanwege hun ingewikkelde belichting niet makkelijk bewegen, maar de tribune wel: halverwege de voorstelling draaiden de banken 180 graden en zagen de bezoekers een tweede scène. ‘Talloze problemen zijn opgelost sinds men zich voor een opgespannen doek binnen in een kerk waant en dezelfde dingen gelooft’, jubelde Honoré de Balzac in 1822. ‘Het is een van de grote wonderen van onze eeuw, een aanwinst voor de mensheid waar ik niet op gerekend had.’

In het Palais de Tokyo is zelden iets van voor 1990 te zien. De tentoonstelling is een samenwerking tussen Duitse en Franse conservatoren, het concept is bedacht door allround-museumman Laurent Le Bon (1969), nu directeur van het Parijse Picassomuseum, hiervoor zette hij het Centre Pompidou in Metz op. Eerder dit jaar maakte hij de tentoonstelling Jardins in het Parijse Grand Palais, een tentoonstelling over de verbeelding van tuinen van de Renaissance tot nu, zonder een enkele levende plant. Ook bij de diorama’s springt de tentoonstelling heen en weer van hedendaagse kunst naar het begin van de cultuurtraditie, in dit geval de achttiende eeuw. Een tentoonstelling zoals ze vaker gemaakt mogen worden, dichter bij huis, met kunst en nijverheid van de zeventiende eeuw tot nu uit de hele wereld, slim naast elkaar gezet. Meer dan de specifieke kunstwerken toont ze de cultuurhistorische ontwikkeling van het kijken naar een gereconstrueerde werkelijkheid.

Medium schirn presse rowland ward leopard und buschboecke 1904
Rowland Ward, Leopard and Bushbuck, 1904. Diorama, 113 x 236 x 70 cm © Domaine royal de Randan, Randan (Auvergne-Rhône-Alpes)

De objecten en kunstwerken lijken weinig met elkaar te maken te hebben, maar door ze samen in de tentoonstelling op te nemen worden er rode draden blootgelegd. Zo zijn er in de tentoonstelling kleine diorama’s te zien, de grote gingen vrijwel allemaal verloren. Hier geen draaiende banken, wel computergestuurd veranderend licht. De Vesuvius spuwt vuur, op de Brooklyn Bridge beweegt de massa het etmaal rond. Ook zijn er toverachtige transparantbeelden uit het midden van de achttiende eeuw, die met wisselende belichting, van voor- en achterkant, een bewegende voorstelling tonen. Bijzondere objecten, verschillend van functie en onderwerp, beide gaan ze over het suggereren van diepte en beweging op het platte vlak.

Het ging en gaat bij kunstmatige voorstellingen, van bewegend schilderij tot virtual reality en alles wat daartussen zit, om de illusie. Een wereld waarin gevaar en geweld niet echt zijn, waar je schoonheid en geluk op afroep kunt krijgen, levensecht en fictief tegelijk. De meeste illusies – kunstwerken, films – zijn fysiek plat, tweedimensionaal, ook diepte is daarin een illusie. Als die ruimte wél tastbaar is, gebeurt er iets vreemds: ons lichaam denkt getuige te zijn van iets echts, iets echts op dwergformaat. Beweeg je hoofd en het perspectief past zich aan, verander het licht en de schaduw wordt anders.

Zoals bij de kistjes van Charles Matton (1931-2008). De Parijse schilder van realistische interieurs maakte zijn ‘boîtes’ eerst als hulpmiddel voor zijn schilderijen, hij fotografeerde de mini-interieurs en schilderde over de foto’s. Pas in de jaren tachtig stelde hij ook de kistjes zelf tentoon. De kunstkritiek was toen rijp voor deze overdaad aan realisme: filosofen als Jean Baudrillard en Alain Finkielkraut omarmden zijn werk vanwege het hyperrealisme dat zo mooi in hun denkbeelden paste – alleen dáár was de werkelijkheid. Ook nu is het nog betoverend, de lege, liefdevol gefabriceerde miniatuurkamers, kijkdozen tot in de perfectie.

Daguerre zag zijn theater twee keer afbranden omdat hij met olielampen licht langs het doek liet schijnen

Een stap terug, of opzij, tussen plat en reconstructie, zijn de twaalf kijkdozen van elk anderhalve meter breed gemaakt door Anselm Kiefer tussen 2013 en nu. Family pictures noemt hij ze, familiefoto’s met weergaven uit zijn herinnering. Herinneringen in zwart-wit, in het bos (waar anders, bij Kiefer) dat zich mooi laat neerzetten en combineren met uitgeknipte portretten en silhouetten, bijschriften in houtskool. Hier zijn het tweedimensionale beelden die, uitgeknipt, een minder letterlijke suggestie wekken van een situatie. Scènes, zoals hij zelf aangeeft in de vuistdikke catalogus, die juist op deze manier zo goed werken omdat de herinneringen in zijn hoofd steeds veranderen. Hij gebruikt de beelden om zijn gedachten op orde te krijgen. Aanraken en verschuiven mag.

Dat veranderen, dat was bij Etant donnés, ‘het gegeven zijnde’, niet aan de orde. Het is het laatste werk van Marcel Duchamp, dat pas na zijn dood in een speciale kamer van het Philadelphia Museum of Art is geïnstalleerd. Wie het niet weet, loopt er in de tentoonstelling zo aan voorbij: je ziet alleen een houten deur, pas als je door de gaten in die deur kijkt toont zich de rest van de enscenering: een gat in een muur, daarachter een naakte vrouwenpop, met gespreide benen op stro, haar hoofd niet zichtbaar, in de linkerhand een gaslampje, op de achtergrond een geschilderd landschap. Mysterie galore van de kunstenaar die had beweerd al in 1923 te zijn gestopt met het maken van nieuwe kunst. De luxe kijkdoos werd in alle stilte, na zijn dood in 1968, geïnstalleerd op nauwkeurige schriftelijke aanwijzingen van Duchamp. Pas vijftien jaar later mochten er foto’s gepubliceerd worden en het kunstwerk mag het museum in Philadelphia nooit verlaten.

En tóch is het nu in deze tentoonstelling te zien, zij het onder een andere auteursnaam. Richard Baquié (1952-1996), een beeldhouwer uit Marseille, stortte zich tussen 1988 en 1991 op de aanwijzingen van Etant donnés om het, zonder zelf het werk in Philadelphia te hebben gezien, na te maken. Hij hoopte bij het nabouwen in een duchampiaanse geestestoestand te komen en tegelijkertijd ‘nieuwe inzichten’ te krijgen in het mysterieuze beeld. Die inzichten zijn voor de toeschouwer in eerste instantie ontnuchterend. Baquié bouwde Étant donnés precies na, maar zonder het in een apart kamertje te zetten: het kunstwerk is van alle kanten te bekijken, uitgekleed. Je ziet hoe het landschap op de achtergrond op een simpel bord spaanplaat is geplakt, dat er boven het vrouwenlichaam lampen hangen, en dat de deur, waardoor je het tafereel zou moeten bekijken, een deur van niets is, zwevend in de ruimte, met een felle lamp eronder. Waarom zou je nu nog door het gat in de deur kijken, als je van de andere kant veel meer ziet? Baquié was niet tevreden over het project, noemde het een ‘echec’, maar in deze tentoonstelling is het werk een grote troef. Een van de oervaders van de moderne kunst keerde de schilderkunst de rug toe en kwam met dit mysterieuze werk, zonder ook maar één aanwijzing te geven over de betekenis. Doordat het nu, hier, ver van huis wordt getoond, ‘uitgekleed’, zonder het dwingende perspectief van het gat in de deur, is het ontdaan van het mysterie van Duchamp. En alsnog geloof je, zodra je door het gat in de deur kijkt, in de opstelling.

Medium schirn presse diorama manwithbuffalo 2007  c richardbarnes
Richard Barnes, Man with Buffalo, 2007. Inkjetprint, 137,2 x 167,7 cm © Richard Barnes

In Den Haag is de komende maanden in Museum Bredius een kleine presentatie opgezet rondom één werk uit de eigen collectie: een zeventiende-eeuwse ‘perspectiefkast’ die in de Frans-Duitse tentoonstelling niet had misstaan. De kast bestaat uit vier panelen die één hoek van een kamer vormen: twee muren, vloer en plafond. De panelen zijn zo beschilderd dat het vanaf één punt gezien, met één oog, lijkt alsof het een keurig, perspectivisch correct schilderij is van een zeventiende-eeuwse woonkamer-met-doorkijkjes, een stoel pontificaal in het midden, maar vanuit alle andere hoeken klopt er niets van.

Het opmerkelijke is dat het museum het zeldzame object – er zijn wereldwijd maar vijf andere perspectiefkasten bekend – in een grotere kast heeft gezet, een kast met deurtjes. Op sleutelgathoogte is een kijkgaatje aangebracht. Net als bij Duchamp krijg je zo zonder te zoeken het juiste beeld, het beeld zoals het bedoeld was. Mooi maar verraderlijk: de zeventiende-eeuwer had het tafereel nooit zo kunnen zien want in deze kast zijn moderne ledlampjes aangebracht.

Het is slechts een van de rode draden uit de tentoonstelling Diorama’s: hoe poëtisch de illusie ook is, de banale werkelijkheid kun je niet uitschakelen. Zonder olielamp en een verdekt opgestelde lamp was Duchamps werk onzichtbaar geweest. Daguerre zag zijn theater twee keer in vlammen opgaan omdat hij de lichteffecten met olielampen langs het doek liet schijnen. En ook Zwitserland was niet komen opdoemen als er geen licht was geweest. Het is die breekbaarheid die de illusies spannend maakt. Met één druk op de knop, een verkeerde beweging, is het voorbij.


Diorama: Erfindung einer Illusion, tot 21 januari in Schirn Kunsthalle in Frankfurt. Schoonheid misleidt is tot 1 april te zien in Museum Bredius in Den Haag