Geluk op een gammele stoel

Eens in de zoveel tijd gebeurt het dat een belangwekkend boek aan het speurend recensentenoog ontsnapt. Om onduidelijke redenen komt het steeds weer onderop de stapel ‘waar nog wat mee moet’. Wanneer blijkt hoe onterecht dat is, zoals in het geval van Als het geluk komt moet je er een stoel voor klaarzetten, dient dat alsnog gemeld.

Het verhaal van de Duitse schrijfster Mirjam Pressler - onder andere bekend als vertaalster van Anne Frank - speelt in 1952. Huizen liggen nog in puin, er heerst armoede en de mensen proeven voor het eerst van hun leven banaan. Halinka woont al jaren in een kindertehuis. In de ik-vorm doet ze verslag van het dagelijks leven: met zeven meisjes op één kamer, nooit genoeg te eten, altijd op haar hoede voor de boze wereld. Lichtpunten vormen een stukgelezen exemplaar met de avonturen van Huckleberry Finn en een potje gluton, waaraan het prettig snuiven is.
Mondjesmaat krijgt de lezer informatie over Halinka’s achtergrond. Ze is joods, afkomstig uit Polen, vader onbekend, moeder dronk en sloeg. Ver weg woont nog een geliefde tante, die de gedachten van haar nichtje beheerst en zelfs haar daden stuurt met aforistische uitspraken, waarvan er één als boektitel fungeert.
De honderdvijftig bladzijden bevatten geen grootse avonturen, tenminste niet voor de lezer. Het grauwe tehuisbestaan krijgt enige kleur door een collecteerwedstrijd. Wie van de meisjes het meeste ophaalt, mag een dagje uit: autorit, wandeling, ijsje en tot slot uit eten. Dank zij een geraffineerd hologig geschminkt gezicht wint Halinka en haar uitje blijkt een onverwachte belevenis, met als hoogtepunt de verwarrende confrontatie met een blote marmeren dame in het park. Plotseling realiseert de hoofdpersoon zich dat er in het leven niet alleen maar nuttige c.q materiële zaken bestaan, maar ‘bovendien nog andere dingen die je kunnen betoveren, omdat ze namelijk mooi zijn’.
Belangrijker nog dan de eerste schoonheidservaring is de eerste echte vriendschap. Die ontwikkelt zich op het moment dat het Halinka niet langer lukt haar gevoelens voor zichzelf te houden of hoogstens in een soort telegramstijl prijs te geven aan het 'gedachtenboek’, waar ze ’s nachts op een verlaten rommelzolder in schrijft. Haar belangrijkste richtsnoer is altijd geweest om niemand te laten merken wat ze denkt of voelt, om er ongeveer niet te zijn. Tot het pantser barst en Halinka het opneemt voor een nieuweling. Het vileine meidengevecht - literair mooi voorbereid door flarden herinnering aan de slaande moeder en een woedeaanval die Halinka botviert op de pop van haar grootste vijand - vormt de catharsis en is het begin van een groeiend optimisme en zelfvertrouwen: 'Je moet anderen nooit onderschatten, maar jezelf zeker niet.’
Wat de proporties van een drama heeft, weet Pressler met indrukwekkende eenvoud en terughoudendheid vast te leggen. Haar introverte, levenswijze verhaal gunt ons een blik op de binnenwereld van een twaalfjarig mens, dat dapper op zoek is naar het kleine geluk dat op haar gammele stoel zal willen plaats nemen. Hoop doet leven en daarover lezen geeft hoop.