Gelukkig

Een foto van twee naakte meiden. Beiden met forse pannesponzen onder aan hun buik. Waarvan de een, met even bolle pens als wangen, een sousafoonachtig instrument bespeelt. De daarvoor vereiste blaaskracht wordt mede aangewakkerd door de andere juffrouw op het plaatje die (hoewel tamelijk onhandig), een fikse blaasbalg bedient en deze haar collega, met de gelaatsuitdrukking niet al te gelukkig maar wel zeer bewust, in de aarsopening drukt.

De levensgeschiedenis van de selderijknolsoufflé, zo zinnebeeldig als het maar kan. Aangebrande actualiteit echter gaat voor. Ik hou van actualiteit, als zij mij maar niet op de hielen zit. Het is dan ook langs deze opgebroken weg dat ik er allesbehalve schuchter toe kom wie dan ook aan te raden eens een potje met Stanley-saus op tafel te zetten.
Want hij bestaat, zoals alles, als je je maar tijdig voor iets anders afsluit.
Uien en kerriepoeder eraan te pas laten komen, dan ben je er al half. Wie liever onmiddellijk wat groter uitpakt, met de Stanley-kip zelf, gaat ook zijn gang maar. Eén kipbeest in zes stukken snijden (sic?). In de boter aan zo veel mogelijk kanten niet bruin bakken en na dertig minuten twee zeer klein gesneden (sic!) uien en voldoende zout erbij en met gesloten deksel nog twintig minuten laten smoren. Bak een paar doormidden gesneden (sic?!) paddestoelen naar keuze eveneens in boter en leg die samen met de brokken kip op een goed ogende schaal. Hou het warm. Ook uzelf. Gooi 150 cl. room in de oorspronkelijke braadpan, wrijf daar de bakresten door en kook dit mengsel op hoog vuur in tot de helft. Door de zeef voor de netheid en doe er vervolgens een theelepel kerriepoeder en een snuif cayennepeper bij. Klop daar nog eens twee eetlepels boter door en giet deze saus over de hopelijk nog steeds warme kip. Laat dan Sir Henry Morton Stanley maar komen.
Dan beloof ik het er nooit meer over te hebben. Die soufflé uitgezonderd natuurlijk.